Strafrecht overig
Onderzoek Mirte. Als medepleger betrokken bij drie drugslaboratoria (crystal meth). Bewijsoverwegingen met…
ECLI:NL:GHDHA:2026:450 · Gerechtshof Den Haag · 20 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-450
Zaakgegevens
Op 20 maart 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Datum publicatie
- 24 maart 2026
- Zaaknummer
- 22-000189-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:450
Samenvatting
Onderzoek Mirte.
Als medepleger betrokken bij drie drugslaboratoria (crystal meth).
Bewijsoverwegingen met betrekking tot medeplegen: op grond van welke feiten en omstandigheden kan dat worden vastgesteld?
Overschrijding redelijke termijn leidt tot strafvermindering.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000189-23
Parketnummer: 09-306573-20
Datum uitspraak: 20 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
laatst opgegeven verblijfplaats: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 400 kilo, althans één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth) amfetamine, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk
voorbereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten Nederlands grondgebied brengen althans voorhanden hebben van,
ongeveer 400 kilo, althans één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth) amfetamine, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
chemicaliën en/of
grondstoffen en/of
apparatuur en/of
(meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Vlaardingen, in een pand gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
Ongeveer 3,4 kilo (meth)amfetamine HCL en/of ongeveer 400 liter aan (meth)amfetamine,
in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Vlaardingen, in een pand, gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk voorbereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten Nederlands grondgebied brengen althans voorhanden hebben van,
Ongeveer 3,4 kilo (meth)amfetamine HCL en/of ongeveer 400 liter aan (meth)amfetamine, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, zijnde (meth)amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
chemicaliën en/of
grondstoffen en/of
apparatuur en/of
(meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
4.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL althans (meth)amfetamine en/of MDMA, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine en/of MDMA, zijnde (meth)amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
hiertoe één of meer hoeveelhe(i)d(en)
chemicaliën en/of
grondstoffen en/of
apparatuur en/of
(meth)amfetamine,
voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 maanden met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewijsoverwegingen
Inleidende opmerkingen
Op 16 september 2020 zijn de brandweer en de politie aanwezig bij een bedrijfspand aan de [adres 2] te Zoetermeer vanwege een klacht over stankoverlast. Op dat moment zijn er geen personen in het pand. De brandweer gaat naar binnen en treft een vermoedelijk drugslaboratorium aan. Het blijkt om een laboratorium voor de productie van crystal meth te gaan.
In het daarop volgende opsporingsonderzoek komt een aantal verdachten in beeld en worden onderzoeksbevindingen gedaan op meerdere adressen. Op 1 december 2020 wordt de verdachte aangehouden in een bedrijfspand aan de [adres 3] te Vlaardingen. In dat pand wordt een drugslaboratorium aangetroffen. Ook wordt er een drugslaboratorium aangetroffen in een woning aan de [adres 1] te Voorburg.
De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij deze drie laboratoria.
De verdediging
De verdediging heeft zich in de appelschriftuur op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte, zo die al kan worden vastgesteld, niet voldoende is om haar als medepleger te kunnen aanmerken.
Juridisch kader
Om tot een veroordeling voor medeplegen te komen moet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag of de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Feiten en omstandigheden
De verdachte heeft in haar verhoor tegenover de politie verklaard, nadat haar een foto is getoond van het pand aan de [adres 2] te Zoetermeer, dat zij daar soms elke dag, soms om de dag kwam en dat zij daar kookte, schoonmaakte en op de apparaten lette. Haar is door “die oude man” (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) geleerd hoe ze op de apparaten moest letten. Zij moest de apparaten aanzetten en het water wegdoen. Ze werd door een chauffeur naar de locatie gebracht.
Op verkregen beeldmateriaal is te zien dat de verdachte met [medeverdachte 1] in een Honda Civic aankomt bij de [adres 2] en het pand binnengaat. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat “het meisje” in het laboratorium iets ging wassen en spullen ging mengen maar dat het ook vaak mislukte.
De verdachte is in het pand aan de [adres 3] te Vlaardingen aangehouden in ruimte 2. Daar is ook medeverdachte [medeverdachte 2] aangehouden. In deze ruimte bevonden zich chemicaliën, grondstoffen, apparatuur en benodigdheden voor de productie van crystal meth. De verdachte heeft verklaard dat zij in dit pand moest koken en schoonmaken, zo’n drie à vier keer per week. Zij verklaarde tevens dat zij ook dozen moest tillen. Zij werd altijd gebracht en gehaald, vaak door [medeverdachte 2] . Zij zou zo’n 2.000 euro per maand als beloning krijgen.
Tijdens observaties is gezien dat de verdachte op 5 november 2020 bij de [adres 1] bij [medeverdachte 2] in de auto stapte en in het pand aan de [adres 3] te Vlaardingen achterbleef nadat [medeverdachte 2] daar weer vertrok. Zij hadden bij de [adres 1] dozen ingeladen in de auto.
Het DNA van de verdachte is aangetroffen op de binnenzijde van een handschoen die in het laboratorium aan de [adres 3] op een vat lag. In dezelfde handschoen bevond zich DNA van [medeverdachte 2] .
Omtrent de [adres 1] te Voorburg heeft de verdachte verklaard dat zij daar woonde. Op een gelaatsmasker dat is gevonden in dit pand op een kast in de hal is DNA van de verdachte aangetroffen.
Beoordeling
De verdachte heeft tegenover de politie ontkend dat zij wist dat in de laboratoria drugs werden bereid. Het hof oordeelt die ontkenning ongeloofwaardig. De opstellingen in de ruimtes waren onmiskenbaar laboratoria waar met chemische middelen werd gewerkt. Er zijn in de laboratoria gelaatsmaskers aangetroffen en handschoenen, en uit het feit dat daarop DNA van de verdachte is aangetroffen leidt het hof af dat de verdachte daarvan gebruik maakte. De verdachte vond het stinken in de ruimtes. In de telefoon van de verdachte zijn bovendien zoekslagen op internet gevonden naar materiaal dat in drugslaboratoria wordt gebruikt.
Uit het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de laboratoria synthetische drugs werden vervaardigd.
De verdachte kwam bijna dagelijks in deze drie panden en zij was daar regelmatig urenlang. Zij werkte in de laboratoria om geld te verdienen en verrichtte werkzaamheden die aan het bereidingsproces van de drugs bijdroegen. Dat haar werkzaamheden zich niet beperkten tot schoonmaken en eten koken, ook niet in de woning aan de [adres 1] , blijkt uit het aangetroffen DNA-materiaal aan de binnenzijde van de handschoen en op een gelaatsmasker. Gelet op haar verklaring over haar werkzaamheden aan de [adres 2] en gegeven de frequentie en duur van haar bezoeken aan de [adres 3] en verblijf aan de [adres 1] , neemt het hof aan dat zij niet alleen in het laboratorium aan de [adres 2] op de apparaten lette, maar dit ook deed in de laboratoria aan de [adres 3] en de [adres 1] . Dit betekent dat zij zich direct bezig hield met het productieproces. De verdachte werd gebracht naar en gehaald van het laboratorium en hielp soms dozen sjouwen. Het hof acht het van algemene bekendheid dat de (grootschalige) productie van synthetische drugs een dermate complexe onderneming is, dat deze doorgaans de nauwe en bewuste samenwerking van meerdere personen vergt. Uit het dossier blijkt ook dat bij de laboratoria meerdere personen betrokken waren. Zo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij de verdachte bracht en haalde op verzoek van iemand anders en ook zelf boodschappen deed en spullen bracht naar de laboratoria. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen harddrugs heeft bereid en/of verwerkt en/of bewerkt. Hoewel het werk dat de verdachte deed behoort tot het ‘vuile werk’ in een dergelijk laboratorium is de bijdrage die zij leverde van dien aard en zodanig gewicht dat er sprake is van medeplegen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 201926 mei 2020 tot en met 1 december 202016 september 2020 te Zoetermeer, in een pand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 400 kilo, althans één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth) amfetamine, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 20191 november 2020 tot en met 1 december 2020 te Vlaardingen, in een pand gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
Ongeveer 3,4 kilo (meth)amfetamine HCL en/of ongeveer 400 liter aan (meth)amfetamine
in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 201910 maart 2020 tot en met 1 december 2020 te Voorburg, in een pand gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 17,5 kilo (meth)amfetamine HCL, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (meth)-amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde levert telkens op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is betrokken geweest bij drie metamfetaminelaboratoria, waarvan twee in bedrijfspanden en één in een portiekwoning. De verdachte is door haar handelen medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik en de productie van synthetische drugs veroorzaken. Zoals algemeen bekend is het gebruik van harddrugs – in het bijzonder crystal meth – verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Ook gaan de productie en het gebruik van en de handel in harddrugs veelal gepaard met (andere vormen van) criminaliteit en brengt afval van deze productie doorgaans schade toe aan het milieu. Feiten als deze brengen dan ook onrust in de samenleving mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ook brengt de productie van synthetische drugs veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar, wat ook een risico vormt voor omwonenden, in het bijzonder als het gaat om een drugslab gevestigd in een portiekwoning. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad. Het hof acht het kwalijk dat de verdachte na de ontmanteling van het laboratorium in het pand aan de [adres 2] op 16 september 2020 opnieuw, binnen een aantal maanden, betrokken is geraakt bij de productie van crystal meth in het pand aan de [adres 3] .
Het hof houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte in vergelijking met haar medeverdachten – naar het zich laat aanzien – de laagste in rangorde was.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, zoals hiervoor beschreven, maken naar het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het hof acht – alles afwegende en gelijk de rechtbank heeft opgelegd – in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden.
In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 1 december 2020. Het eindvonnis is op 17 januari 2023 gewezen. Gelet op het feit dat de verdachte in eerste aanleg 16 maanden en 4 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof uitgaan van een redelijke termijn van 16 maanden waarbinnen het eindvonnis moet zijn gewezen. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve met 9 maanden en 17 dagen overschreden.
In hoger beroep is de termijn aangevangen op 20 januari 2023 en het eindarrest is gewezen op 20 maart 2026. De verdachte heeft in hoger beroep geen tijd doorgebracht in voorarrest, waardoor een termijn van twee jaren geldt. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met 14 maanden en 1 dag overschreden.
Het hof zal de genoemde overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijdingen van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren zou hebben opgelegd, wordt nu een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2026.