Strafrecht overig

Veroordeling voor mishandeling - in casu bijten in de arm - en vernieling van een mobiele telefoon tot een…

Zaakgegevens

Op 25 januari 2011 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25 januari 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
24-001266-10
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1943
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling - in casu bijten in de arm - en vernieling van een mobiele telefoon tot een geldboete van 500 euro, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001266-10

Parketnummer eerste aanleg: 19-605376-09

Arrest van 25 januari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 17 mei 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake het haar onder

1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van 500 euro, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

zij op of omstreeks 8 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij op of omstreeks 8 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een gsm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij op 8 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

zij op 8 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een gsm, toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Onder 1: mishandeling;

Onder 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en door het hof bewezenverklaarde feit heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat zij heeft gehandeld uit noodweer. Zij zou, zo begrijpt het hof, door aangever [slachtoffer] in haar nek zijn gebeten en daarop zou verdachte, als een verdedigende reactie, aangever [slachtoffer] hebben gebeten. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof het volgende af:

Er heeft zich op 8 februari 2009 een incident voorgedaan tussen aangever [slachtoffer] enerzijds en verdachte en haar vriendin [naam] anderzijds. Daarbij heeft verdachte de mobiele telefoon van [slachtoffer] afgenomen. In een poging van [slachtoffer] om zijn mobiele telefoon van verdachte terug te pakken, ontstaat er een handgemeen tussen [naam] en aangever [slachtoffer]. Blijkens de aangifte van [slachtoffer] is hij daarop door verdachte in zijn linkerhand gebeten. Aangever reageerde hierop door verdachte in haar nek te bijten.

Vervolgens heeft verdachte de mobiele telefoon van aangever opzettelijk op straat kapot gegooid. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat zich op enig moment een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachte door aangever heeft voorgedaan, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het hof verwerpt het beroep op noodweer nu niet aannemelijk is gemaakt of geworden dat op het moment dat de verdachte aangever beet sprake was van een dusdanige vorm van geweld of een dusdanige dreiging van aangever tegen de verdachte dat de noodzakelijke verdediging van de verdachte daartegen geboden was.

Het hof verwerpt dit gevoerde verweer en acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 8 februari 2009 [slachtoffer] mishandeld, door in diens linkerhand te bijten. Door het plegen van dit feit heeft verdachte de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] aangetast en heeft hem pijn en letsel toegebracht.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2010 blijkt, dat verdachte eerder ter zake van - andersoortige - strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke geldboete ter hoogte van 500 euro een passende en noodzakelijke bestraffing is. De voorwaardelijke geldboete heeft mede als doel om verdachte ervan te weerhouden nogmaals (soortgelijke) delicten te plegen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte als griffier., zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.