Belastingrecht

Inkomstenbelasting. Klikbrief. Geen nieuw feit. Kwade trouw. Wel bijtelling privé gebruik auto. Geen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
24/115, 24/116, 24/271 en 24/272
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2222
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Inkomstenbelasting. Klikbrief. Geen nieuw feit. Kwade trouw. Wel bijtelling privé gebruik auto. Geen bestelauto die door aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 januari 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:93
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 maart 2026

    ECLI:NL:GHSHE:2026:808

    Overig

  3. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 12 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2222

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/115, 24/116, 24/271 en 24/272

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 januari 2024, nummers BRE 22/4037 tot en met 22/4040, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor belastingjaren 2016 en 2017 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen) en bij beschikking een boete over 2017 opgelegd (hierna: de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren over 2017 gegrond en de bezwaren over 2016 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft belanghebbende verzocht om expliciet kenbaar te maken of hij het oordeel van de geheimhoudingskamer van de rechtbank bestrijdt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd dat hij dit oordeel bestrijdt. Het hof heeft de zaken vervolgens in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.

1.6.

De geheimhoudingskamer van het hof heeft op 25 maart 2026 (tussen)uitspraak gedaan en geoordeeld dat de inspecteur de betreffende stukken niet over hoeft te leggen.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] namens de inspecteur. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn zonder kennisgeving niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij bericht van 17 februari 2026 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Uit het systeem (Mijn Rechtspraak) volgt dat op 17 februari 2026 om 10:08 uur een notificatiemail naar het e-mailadres [email gemachtigde] is verzonden. In de bijlage bij deze uitspraak, die integraal onderdeel uitmaakt van de uitspraak, zijn schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs opgenomen.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [bedrijf 1] . De activiteiten betreffen onder andere tuinaanleg, tuinonderhoud, bestratingen en verbouwingen. Op de balans van de onderneming was in de jaren 2016 en 2017 een auto opgenomen, namelijk een Ford Transit (hierna: de auto).

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV en Zvw 2016 gedaan en daarbij aangegeven dat het verzamelinkomen € 17.453 bedraagt. De definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 zijn conform de door belanghebbende ingediende aangifte opgelegd met dagtekening 13 oktober 2017.

2.3.

Op 10 december 2018 heeft de inspecteur een zogenoemde (anonieme) klikbrief ontvangen waarin een signaal staat van mogelijke belastingfraude bij belanghebbende.

2.4.

Op 29 april 2019 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 13.258.

2.5.

Met dagtekening 27 mei 2019 heeft de inspecteur een vooraankondiging boekenonderzoek aan belanghebbende gestuurd. Er is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en omzetbelasting voor het jaar 2017.

2.6.

Met dagtekening 22 juni 2019 zijn de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017 conform de ingediende aangifte opgelegd. Volgens het systeem van de inspecteur heeft de administratieve afhandeling feitelijk plaatsgevonden op 23 mei 2019.

2.7.

Op 24 december 2019 heeft de inspecteur een zogenoemde klikmail ontvangen waarin een tweede signaal staat van mogelijke belastingfraude bij belanghebbende.

2.8.

Gedurende het boekenonderzoek is het onderzoek uitgebreid naar de jaren 2015, 2016 en 2018. De inspecteur heeft een derdenonderzoek verricht bij mogelijke afnemers die volgden uit een lijst verkregen van [bedrijf 2] . Dit derdenonderzoek is uitgevoerd door e-mails te sturen aan de mogelijke afnemers van belanghebbende.

2.8.1.

Aan de heer [naam 1] zijn per e-mail van 23 maart 2021 de volgende vragen gesteld door de inspecteur:

“Om ons een volledig beeld van het te onderzoeken bedrijf, [bedrijf 1] (verder te noemen het bedrijf) te kunnen vormen, verzoek ik u vriendelijk om de volgende vragen te beantwoorden:

1. Volgens informatie van [bedrijf 2] heeft u in 2017 aan het bedrijf de opdracht verstrekt voor: "nieuw bestraten van de voortuin". Is deze informatie juist?

2. Heeft u deze opdracht daadwerkelijk door het bedrijf laten uitvoeren?

3. Heeft u of heeft iemand namens u (niet het bedrijf) materialen voor deze klus afgehaald bij of laten bezorgen door een leverancier? Wie heeft deze materialen betaald? Welke

materialen betreft het? Wie was of waren de leverancier(s)? Als het bedrijf de materialen

heeft geleverd, dan gelieve u dat te vermelden.

4. Welke werkzaamheden heeft het bedrijf uitgevoerd? Niet alleen is van belang dat u omschrijft welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar ook wie (de namen van de personen) ze heeft uitgevoerd en wanneer (welke data en hoeveel uren)?

5. Heeft u een factuur ontvangen? Zo ja, zou u mij s.v.p. dan hiervan een kopie willen mailen?

6. Wat is het betaalde totaalbedrag? Heeft de betaling in termijnen plaatsgevonden? Hoe

heeft/hebben de betaling(en) plaatsgevonden: contant of per bank? Indien per bank, op

welk bankrekeningnummer van het bedrijf heeft u de betaling(en) verricht?

Daarop heeft de heer [naam 1] per e-mail van 24 maart 2021 als volgt gereageerd:

“1. Correct

2. Correct

3. Er was een kleine hoeveelheid bestratingszand nodig, dit heeft het klusbedrijf zelf meegenomen.

4. Een deel van de voortuin moest opnieuw bestraat worden, de werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de bestrating, het zandbed opnieuw strak leggen, de bestaande tegels terugplaatsen. Hiervoor heeft het bedrijf een kleine hoeveelheid nieuw zand gebruikt, hebben ze een trilplaat gebruikt om het zandbed strak te leggen en hebben ze een tegelsnijder gebruikt om enkele tegels op maat te maken. Als ik het me goed herinner zijn ze hier een kleine twee uur mee bezig geweest. Namen kan ik me helaas niet meer herinneren. evenals een datum.

[bedrijf 2] geeft helaas geen exacte data alleen "ongeveer 4 jaar geleden"

5. Dat kan ik me helaas niet meer herinneren, maar ik geloof niet dat ik een factuur ontvangen heb.

6. De betaling a €100,- heeft contant plaatsgevonden, direct na afronden van de werkzaamheden.”

2.8.2.

Mevrouw [naam 2] heeft de inspecteur per e-mail van 1 april 2021 het volgende gestuurd:

“Dit bedrijf heeft idd zoals [bedrijf 2] al meldde voor ons een boom weggehaald. Volgens het afgesproken bedrag van 650 euro. Daar hebben bij ook geen factuur van gehad. Welke materialen [bedrijf 1] hiervoor heeft nodig gehad en aangeschaft weet ik niet. Toen ik van mijn werk terug kwam lag de boom al op een vrachtwagen. Meer valt er niet over te melden.”

2.8.3.

Aan de heer [naam 3] zijn per e-mail van 8 april 2021 de volgende vragen gesteld door de inspecteur:

“Om ons een volledig beeld van het te onderzoeken bedrijf, [bedrijf 1] (verder te noemen het bedrijf) te kunnen vormen, verzoek ik u vriendelijk om de volgende vragen te beantwoorden:

1. Volgens informatie van [bedrijf 2] heeft u in 2017 aan het bedrijf de opdracht verstrekt voor: "ca 1,5 straatwerk herstellen". Is deze informatie juist?

2. Heeft u deze opdracht daadwerkelijk door het bedrijf laten uitvoeren?

3. Heeft u of heeft iemand namens u (niet het bedrijf) materialen voor deze klus afgehaald bij of laten bezorgen door een leverancier? Wie heeft deze materialen betaald? Welke materialen betreft het? Wie was of waren de leverancier(s)? Als het bedrijf de materialen heeft geleverd, dan gelieve u dat te vermelden.

4. Welke werkzaamheden heeft het bedrijf uitgevoerd? Niet alleen is van belang dat u omschrijft welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar ook wie (de namen van de personen) ze heeft uitgevoerd en wanneer (welke data en hoeveel uren)?

5. Heeft u een factuur ontvangen? Zo ja, zou u mij s.v.p. dan hiervan een kopie willen mailen?

6. Wat is het betaalde totaalbedrag? Heeft de betaling in termijnen plaatsgevonden? Hoe heeft/hebben de betaling(en) plaatsgevonden: contant of per bank? Indien per bank, op welk bankrekeningnummer van het bedrijf heeft u de betaling(en) verricht?”

Daarop heeft de heer [naam 3] per e-mail als volgt gereageerd:

“1. Correct; ik had ivm verkoop van mijn toenmalige woning wat herstelwerkzaamheden aan straatwerk in de achtertuin op [bedrijf 2] gezet. Hierop heb ik twee of drie reacties ontvangen.

2. Correct; van de reacties was [bedrijf 1] degene die het snelst kon uitvoeren

3. Het ging om "verzakt straatwerk". Het bedrijf heeft alleen zand geleverd en gebruik gemaakt van de bestaande klinkers. Kosten waren alleen uren en snijwerk/trilplaat.

4. Het bedrijf heeft alleen straatwerk hersteld. Ik heb helaas geen concrete data meer de klus heb ik op 26 februari 2017 op [bedrijf 2] gezet. Enkele dagen later is deze door [bedrijf 1] uitgevoerd. Dhr [belanghebbende] kwam met volgens mij 3 "knechten", en binnen klein uurtje was alles hersteld.

5. Ik heb, wat ik mij kanherinneren, een soort werkbon ontvangen, en volgens mij contact betaald. Ik heb omstreeks die datum geen betaling via de bank kunnen vinden met een dergelijke naam en/of omschrijving. De bon heb ik niet meer kunnen vinden

6. Het werk is voor de afgesproken €125,- incl BTW uitgevoerd. Bij mijn weten contant betaald. (…)”

2.8.4.

Aan de heer [naam 4] zijn per e-mail van 24 maart 2021 de volgende vragen gesteld door de inspecteur:

“Om ons een volledig beeld van het te onderzoeken bedrijf, [bedrijf 1] (verder te noemen het

bedrijf) te kunnen vormen, verzoek ik u vriendelijk om de volgende vragen te beantwoorden:

1. Volgens informatie van [bedrijf 2] heeft u in 2017 aan het bedrijf de opdracht verstrekt voor: "Tuin". Is deze informatie juist?

2. Heeft u deze opdracht daadwerkelijk door het bedrijf laten uitvoeren?

3. Heeft u of heeft iemand namens u (niet het bedrijf) materialen voor deze klus afgehaald bij of laten bezorgen door een leverancier? Wie heeft deze materialen betaald? Welke materialen betreft het? Wie was of waren de leverancier(s)? Als het bedrijf de materialen heeft geleverd, dan gelieve u dat te vermelden.

4. Welke werkzaamheden heeft het bedrijf uitgevoerd? Niet alleen is van belang dat u omschrijft welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar ook wie (de namen van de personen) ze heeft uitgevoerd en wanneer (welke data en hoeveel uren)?

5. Heeft u een factuur ontvangen? Zo ja, zou u mij s.v.p. dan hiervan een kopie willen mailen?

6. Wat is het betaalde totaalbedrag? Heeft de betaling In termijnen plaatsgevonden? Hoe

heeft/hebben de betaling(en) plaatsgevonden: contant of per bank? Indien per bank, op welk

bankrekeningnummer van het bedrijf heeft u de betaling(en) verricht?”

Daarop heeft de heer [naam 4] per e-mail van 25 maart 2021 als volgt gereageerd:

“1. Ja, klopt. Was klussenbedrijf [bedrijf 1] .

2. Ja.

3. Nee, deze klussenbedrijf heeft zelf nog 2/3 kruiwagens met zand meegebracht (om het terras iets op te hogen)

4. Het op nieuw te leggen terras .... was Dhr [belanghebbende] zelf + nog 2/3 medewerkers van hem, was ca 7 uur, was op 13 april 2017.

5. Nee, geen factuur ontvangen.

6. Het totaalbedrag was 700 euro, contant.

(wat ik wel behoorlijk duur vond..maarja het moest gebeuren)”

2.9.

De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 11 november 2021. Daarin staat onder andere:

“ 2.3.1. Algemeen (…)
De betalingen gaan volgens de verklaring van belastingplichtige tijdens het inleidend gesprek van dit boekenonderzoek bijna uitsluitend per bank. (….) Er wordt geen kasboek bijgehouden.

(…)

Over het tijdvak 11 juli 2016 tot en met 21 mei 2018 is er een kilometerregistratie bijgehouden. De ritten zijn op papier vastgelegd en bewaard. Na dit tijdvak heeft belastingplichtige er voor gekozen voor een jaarlijkse bijtelling van autokosten. Hij wil niet langer een kilometerregistratie bijhouden.

(…)
3.1.1. Liquide middelen

Tijdens het inleidende gesprek heeft belastingplichtige verklaard, dat hij geen kasboek bijhoudt. Er zouden amper contante ontvangsten en uitgaven zijn. In werkelijkheid bleek dit niet het geval te zijn. Uit de gecontroleerde administratie over 2017 is gebleken, dat er 24 verkoopfacturen contant betaald zijn en over 2018 zijn er 9 verkoopfacturen contant betaald. In 2017 zijn eveneens 10 inkoopfacturen contant betaald en in 2018 zijn er 4 contant betaalde inkoopfacturen in de administratie aangetroffen. Nu is gebleken, dat een aantal inkopen en verkopen per kas geschieden en de contante bedragen relatief van aanzienlijke omvang zijn, vervult een adequate kasadministratie een belangrijke en onmisbare rol. Zoals reeds bij het onderdeel administratieplicht aangegeven, is een ondernemer die regelmatig met contant geld werkt verplicht een kasboek bij te houden. Het ontbreken van een

kasboek is als een tekortkoming in de administratie aan te merken.

Uit het onderzoek is ook gebleken, dat de verklaring van belastingplichtige die zijn contante

ontvangsten vrijwel direct naar de bank zou afstorten niet kon worden gestaafd aan de hand van de bankafschriften. Als voorbeeld: de contant ontvangen opbrengsten op 2 januari 2017 ad € 121,00 en op 4 januari 2017 ad € 1.669,80. Op 13 januari 2017 is € 3.300,00 op de zakelijke bankrekening gestort. Dit is dus niet het totaal van eerdergenoemde ontvangsten en bovendien ruim een week later dan de laatste ontvangst.

Door deze storting ad € 3.300,00 ontstaat er bovendien een negatief kassaldo van € 1.509,20. Het theoretische kassaldo blijft hierna steeds negatief. Ook nadat de kasreconstructie is aangevuld met de niet in de administratie opgenomen contante ontvangsten van consumenten van [bedrijf 2] , (….). Een negatief kassaldo is niet mogelijk.”

Voorts is als bijlage 1 bij het controlerapport een lijst gevoegd getiteld “Omzet 2017 [bedrijf 2] ” met klantnamen en de niet verantwoorde omzet in dat kader. Als bijlage 3 is opgenomen een overzicht getiteld “Reconstructie kasboek 2017” waaruit een negatief saldo in december 2017 blijkt van € 4.812,01.

2.10.

Uit het boekenonderzoek blijkt dat belanghebbende in 2017 de volgende privéritten met de auto heeft gemaakt:

Datum

Aantal km volgens de administratie

Aantal km controle

07-01-2017

25

25

03-03-2017

18

28

20-04-2017

119

119

24-05-2017

70

70

24-10-2017

234

234

10-11-2017

278

278

Totaal

744

754

2.11.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 23.015. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 408 belastingrente in rekening gebracht. Op diezelfde datum heeft de inspecteur ook de navorderingsaanslag Zvw 2016 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 23.015. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 52 belastingrente in rekening gebracht.

2.12.

Met dagtekening 22 januari 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 24.600. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 560 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 2.065. Op diezelfde datum heeft de inspecteur ook de navorderingsaanslag Zvw 2017 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 24.600. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 83 belastingrente in rekening gebracht.

2.13.

Voor het jaar 2016 is het privégebruik auto gecorrigeerd omdat er geen sluitende rittenadministratie is. Voor het jaar 2017 zijn het privégebruik auto, de omzet en de kosten gecorrigeerd.

2.14.

De inspecteur heeft in de bezwaarfase de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en Zvw 2017 verminderd tot navorderingsaanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) respectievelijk bijdrage-inkomen van € 23.181. De rentebeschikkingen 2017 zijn overeenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd tot nihil.

2.15.

Met betrekking tot de (anonieme) klikbrief (zie 2.3) en de klikmail (zie 2.7) heeft de inspecteur verzocht om geheimhouding. Bij beslissing van de geheimhoudingskamer van 20 maart 2023 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank het verzoek om geheimhouding toegewezen. De geheimhoudingskamer van het hof heeft dit oordeel op 25 maart 2026 bevestigd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en 2017 en de rentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en 2017 en de rentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Zoals volgt uit de onder 1.7 vermelde verklaring is de uitnodiging voor de zitting bij het hof op 17 februari 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Op die dag is een e-mail verstuurd aan de gemachtigde van belanghebbende, waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem. Deze e-mail is verstuurd naar het e-mailadres [email gemachtigde] . Gemachtigde van belanghebbende heeft zich aangemeld bij Mijn Rechtspraak en daarbij dit e-mailadres opgegeven. Dit is dan ook het e-mailadres waar het systeem (Mijn Rechtspraak) de notificaties heen stuurt. Het hof gaat er daarom van uit dat de e-mail met de notificatie aan het juiste e-mailadres is verstuurd en dat het tijdstip van verzending van de notificatie ook het tijdstip is waarop de geadresseerde het bericht heeft ontvangen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van beide jaren

Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de manier waarop de inspecteur het boekenonderzoek heeft verricht opmerkelijk is en de toets der kritiek niet kan doorstaan. Belanghebbende stelt onder andere dat de inspecteur bij het derdenonderzoek zelf gefingeerde bedragen invulde en opschreef dat belanghebbende de opdracht had uitgevoerd als de bevraagde niet meer wist wie de opdracht daadwerkelijk had uitgevoerd en wat hij hiervoor had betaald. Zo zou belanghebbende volgens de inspecteur in [plaats] voor € 50 een grote boom hebben gerooid en in [woonplaats] voor € 30 een gat in een muur hebben gemaakt, maar dit is volgens hem niet juist. Daarnaast stelt belanghebbende dat de inspecteur achter zijn rug om zijn ex-partner heeft benaderd met de vraag hoeveel zwart geld hij gemiddeld per jaar had. Volgens belanghebbende heeft een medewerker van de Belastingdienst bevestigd dat de Belastingdienst hem een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven.

4.3.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Belanghebbende heeft zijn in 4.2 ingenomen stellingen onvoldoende onderbouwd met feiten en omstandigheden die daarop wijzen. In het kader van het derdenonderzoek zijn e-mails verstuurd naar de afnemers van belanghebbende via [bedrijf 2] en zij hebben hierop per e-mail gereageerd (zie 2.8). Die informatie is overgenomen in het rapport en daarin staan geen bedragen van € 50 voor het rooien van een boom en € 30 voor het maken van een gat in de muur (zie 2.9). Mede naar aanleiding van de in de e-mails naar voren gekomen feiten zijn de navorderingsaanslagen opgelegd. Het hof ziet ook in de overgelegde stukken geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover belanghebbende betoogt dat de inspecteur onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 op onrechtmatige wijze aan hem is opgelegd omdat een nieuw feit ontbreekt, verwijst het hof naar de overwegingen hierna over de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur.

Navorderingsaanslag IB/PVV 2016

Navorderingsbevoegdheid inspecteur

4.4.

De inspecteur kan de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld (hierna: nieuw feit). Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij bij het doen van aangifte de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De inspecteur heeft dit naar zijn mening bevestigd door op basis van de aangifte de definitieve aanslag op te leggen. Tevens heeft de inspecteur er steeds blijk van gegeven dat hem alle dan wel genoeg feiten en omstandigheden bekend waren om de aangifte op juistheid te toetsen en de definitieve aanslag IB/PVV 2016 op te leggen. Van een nieuw feit is daarom geen sprake. Daarnaast moet belanghebbende kunnen vertrouwen op de juistheid van de primitieve aanslag, aldus belanghebbende.

4.6.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een nieuw feit. De inspecteur had geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, waardoor de aanslag op 13 oktober 2017 is vastgesteld conform de aangifte. De ontvangst van de klikbrief op 10 december 2018 was de aanleiding om op 15 mei 2020 een boekenonderzoek te starten. De navorderingsaanslag is geheel gebaseerd op de gegevens die door het boekenonderzoek zijn verkregen en die de inspecteur dus bij het opleggen van de primitieve aanslag niet kende. Daarom is er volgens de inspecteur sprake van een nieuw feit.

4.7.

Het hof is van oordeel dat er sprake is van een nieuw feit. Op het moment van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2016 (13 oktober 2017, zie 2.2) mocht de inspecteur uitgaan van de juistheid van de aangifte. Er was immers de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. Na het opleggen van de primitieve aanslag heeft de inspecteur een (anonieme) klikbrief ontvangen (10 december 2018, zie 2.3). Deze brief is de aanleiding geweest om een boekenonderzoek te starten. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag opgelegd op basis van de gegevens die uit het boekenonderzoek naar voren zijn gekomen, te weten dat belanghebbende geen sluitende en volledige rittenregistratie voor 2016 had bijgehouden. Belanghebbende houdt immers blijkens het boekenonderzoek pas vanaf 11 juli 2016 een rittenadministratie bij. Deze gegevens waren de inspecteur nog niet bekend op het moment van het opleggen van de primitieve aanslag. De inspecteur is zodoende bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen. Van onrechtmatig handelen jegens belanghebbende is geen sprake.

Correctie privégebruik auto

4.8.

Belanghebbende doet een beroep op artikel 3.20, lid 4, Wet IB 2001 (tekst 2016). In deze bepaling wordt een uitzondering gemaakt op de bijtelling privégebruik auto voor een bestelauto die door aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen. ‘Privégebruik’ komt niet in dit wetsartikel voor. Mocht het privégebruik toch van belang zijn, dan is de auto, gelet op de grootte en het gewicht, en het daarin aanwezige vuil, uitsluitend geschikt voor het vervoer van goederen, aldus belanghebbende.

4.9.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd dat, ondanks de aanwezigheid van een bijrijdersstoel, het vervoermiddel (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Uit de foto’s volgt niet dat de auto beschikt over een bijzondere inrichting met het oog op het vervoer van goederen. De inspecteur wijst erop dat de auto in 2015, 2017 en 2018 ook voor privédoeleinden is gebruikt.

4.10.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto naar aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De inspecteur heeft een foto van het interieur van de cabine van de auto overgelegd die afkomstig is van Marktplaats.nl met datum 8 februari 2019. Op die foto is naast de bestuurderstoel ook een bijrijdersbank te zien. Belanghebbende heeft verklaard dat hij de bijrijdersbank voor de verkoop van de auto heeft teruggeplaatst. Deze verklaring sluit niet aan bij zijn verklaring in het aanvullend bezwaarschrift dat hij niet alleen de bijrijdersbank zelf maar ook de bevestigingspunten daarvan ten behoeve van het vervoer van goederen had verwijderd. Ook strookt de stelling van belanghebbende niet met zijn stelling in de aanvulling van de gronden van zijn hoger beroep dat de bijrijdersbank functioneel was aan het vervoer van goederen omdat soms iemand met hem mee moest rijden om zware trilplaten uit de auto te tillen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de auto (ook) in de jaren 2016 en 2017 over een bijrijdersbank beschikte. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijrijdersstoel “functioneel” was aan het vervoer van goederen, omdat hij deze stelling niet onderbouwd heeft. Datzelfde geldt voor de stelling van belanghebbende dat de auto te vies was om gebruikt te worden voor personenvervoer. Dat de auto groot en hoog is en in de laadruimte beschikt over een grote kunststofbak maakt niet dat de auto nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De bijrijdersbank in de cabine van de auto maakt de auto immers evengoed geschikt voor personenvervoer. Naar het oordeel van het hof is het standpunt van belanghebbende dat de bijtellingsregeling niet geldt voor de auto niet pleitbaar en dient het te worden verworpen.

4.11.

De inspecteur heeft de bijtelling privégebruik auto berekend op € 7.249 (25% van € 28.998 (cataloguswaarde)). Deze berekening heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Het hof is van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 niet te hoog is vastgesteld.

Navorderingsaanslag Zvw 2016

4.12.

Voormeld oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 niet te hoog is vastgesteld, houdt tevens in dat het bijdrage-inkomen voor de navorderingsaanslag Zvw niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep tegen die navorderingsaanslag is daarom eveneens ongegrond.

Navorderingsaanslag IB/PVV 2017

Navorderingsbevoegdheid inspecteur

4.13.

Het hof zal voor het oordeel over de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur uitgaan van hetzelfde wettelijk kader als is geschetst onder 4.4.

4.14.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur op het moment van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2017 feitelijk op de hoogte was van het boekenonderzoek bij belanghebbende dat is aangevangen op 27 mei 2019. Daardoor heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld en kan hij niet meer navorderen.

4.15.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een nieuw feit. De (anonieme) klikbrief zag niet op de correctie privégebruik auto of de kostencorrectie. Die brief bevat een signaal dat de omzet niet volledig is aangegeven bij de onderneming van belanghebbende. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 is geheel gebaseerd op de gegevens die gedurende het boekenonderzoek zijn ontvangen. Weliswaar heeft het informatieverzoek vooruitlopend op een in te stellen boekenonderzoek als dagtekening 27 mei 2019 en hebben de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 als dagtekening 22 juni 2019, maar de administratieve afhandeling van de aanslagen heeft al op 23 mei 2019 plaatsgevonden. De inspecteur beschikte zodoende niet over dezelfde gegevens als tijdens het vaststellen van de primitieve aanslagen.

Het feit dat de (anonieme) klikbrief al bekend was bij de inspecteur gedurende het opleggen van de definitieve aanslag staat volgens de inspecteur navordering niet in de weg. Als de ingediende aangifte IB/PVV 2017 niet geautomatiseerd was afgehandeld, maar door de inspecteur met normale zorgvuldigheid was bekeken, dan was er voor hem in redelijkheid geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in de aangifte opgenomen omzet, omdat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte IB/PVV 2017 op dat punt juist was. Daarnaast bevat de (anonieme) klikbrief geen concrete gegevens, aldus de inspecteur.

4.16.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van de navorderingsaanslag over 2017 beschikte over een nieuw feit. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof verklaard dat de aanleiding om een boekenonderzoek in te stellen de anonieme klikbrief was. De primitieve aanslag IB/PVV 2017 is op 23 mei 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij brief van 27 mei 2019 is een boekenonderzoek aangekondigd bij belanghebbende. Het hof acht echter aannemelijk dat vóór 23 mei 2019 de (anonieme) klikbrief is beoordeeld door de inspecteur en dat die brief dusdanig concrete aanwijzingen bevatte dat de inspecteur heeft besloten dat hij een boekenonderzoek in zou stellen zonder eerst verkennende vragen te stellen aan belanghebbende. De inspecteur had na het beoordelen van de (anonieme) klikbrief het automatisch afdoen van de aangifte kunnen blokkeren. Door dit na te laten is sprake van een ambtelijk verzuim. De inspecteur kan zodoende niet navorderen op basis van een nieuw feit.

4.17.

Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat er sprake is van kwade trouw voor wat betreft de bijtelling privégebruik auto en de omzetcorrectie op basis van de kasreconstructie.

4.18.

Van kwade trouw is sprake indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Kwade trouw is eveneens aanwezig indien een belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan en hij de kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen, het zogenoemde voorwaardelijk opzet). De bewijslast dat belanghebbende te kwader trouw is, rust op de inspecteur.

4.19.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van kwade trouw ten aanzien van de bijtelling privégebruik auto en de omzetcorrectie op basis van de kasreconstructie. Blijkens de eigen administratie van belanghebbende heeft hij in 2017 in totaal tenminste 744 kilometer gereden voor privédoeleinden. Belanghebbende wist zodoende dat hij een bijtelling voor het privégebruik van de auto had moeten aangeven. Het argument van belanghebbende dat de bijtellingsregeling niet van toepassing is op de auto, is gelet op dat wat is overwogen onder 4.10, niet pleitbaar. De inspecteur heeft ook aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk een deel van zijn omzet niet heeft aangegeven. Uit de verklaringen van afnemers van belanghebbende blijkt dat hij meer omzet heeft gehad dan belanghebbende heeft aangegeven. Door deze omzet niet bij te houden en geen facturen uit te schrijven is het hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende opzettelijk te weinig omzet heeft aangegeven.

Voor wat betreft de correctie van de telefoonkosten is het hof van oordeel dat geen sprake is van kwade trouw. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk geen bijtelling voor het privégebruik van de telefoon heeft aangegeven. De inspecteur heeft ter zitting immers bevestigd dat in dit geval sprake kan zijn van een slordigheid.

Hoogte navorderingsaanslag

4.20.

Uit het voorgaande volgt dat de correcties in de navorderingsaanslag alleen betrekking mogen hebben op de bijtelling privégebruik auto en de extra omzet bepaald op basis van de kasreconstructie.

De inspecteur heeft de bijtelling privégebruik auto berekend op € 7.249, te weten 25% van € 28.998 (de cataloguswaarde). Deze berekening is conform artikel 3.20, lid 1, letter a, in verbinding met artikel 10a.4, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2017). Het beroep van belanghebbende op artikel 3.20, lid 5, aanhef en letter a, Wet IB 2001 (tekst 2017) faalt op dezelfde gronden als hiervoor overwogen onder 4.10.

De inspecteur heeft de omzetcorrectie vastgesteld op € 3.977 ((100/121) x € 4.812). Deze omzetcorrectie is berekend met behulp van een kasreconstructie. De inspecteur heeft deze berekening onderbouwd met de verklaringen van afnemers van belanghebbende. Belanghebbende heeft zijn stelling dat deze verklaringen een verkeerde voorstelling van zaken geven niet nader onderbouwd. Het hof is daarom van oordeel dat de inspecteur ook de hoogte van de omzetcorrectie aannemelijk heeft gemaakt. De navorderingsaanslag moet daarom worden verminderd naar een naar een verzamelinkomen van € 22.913 (€ 13.258 zoals aangegeven door belanghebbende + € 7.249 bijtelling auto + € 3.977 correctie negatieve kas -/- € 1.571 extra MKB vrijstelling).

4.21.

Ter zitting heeft de inspecteur een beroep gedaan op interne compensatie, omdat de omzetcorrectie eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het hof is van oordeel dat het beroep op interne compensatie tardief is. Belanghebbende is niet aanwezig op de zitting en kan zich dus niet verweren tegen deze nieuwe stelling van de inspecteur. Het hof acht het dusdanig laat inbrengen van dit beroep daarom in strijd met de goede procesorde.

Vertrouwensbeginsel

4.22.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat de inspecteur niet op basis van kwade trouw zou navorderen, omdat de vergrijpboete is geschrapt.

4.23.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld over het vertrouwensbeginsel:

“8.1. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Zowel uit de uitspraak op bezwaar of het verslag van het hoorgesprek volgt niet dat de inspecteur toegezegd zou hebben dat hij zich niet of niet meer op kwade trouw zou beroepen in het kader van zijn bevoegdheid om tot navordering over te gaan. Ook de opvatting dat wanneer de inspecteur een vergrijpboete heeft vernietigd, hij daarmee ook niet meer kwade trouw zou mogen stellen in het kader van de bevoegdheid tot het vaststellen van de navorderingsaanslag, vindt geen steun in wet of jurisprudentie.”

Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. Het feit dat de inspecteur de opgelegde boete heeft verminderd tot nihil neemt niet weg dat een beroep op kwade trouw kan worden gedaan. Dat wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Navorderingsaanslag Zvw 2017

4.24.

Voormeld oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 te hoog is vastgesteld, houdt tevens in dat het bijdrage-inkomen voor de navorderingsaanslag Zvw 2017 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hof zal de navorderingsaanslag Zvw 2017 daarom dienovereenkomstig verminderen.

Tussenconclusie

4.25.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.26.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten

4.27.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.

4.28.

Het hof ziet geen aanleiding om wegingsfactor 2 toe te kennen, omdat geen sprake is van een (zeer) zware zaak en ook niet van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.29.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep bij de rechtbank op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.

4.30.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep op 1 (punt) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 934.

4.31.

Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank van € 63,84. Dit bedrag is niet door de inspecteur betwist. Het hof ziet ook geen reden om van dit bedrag af te wijken.

4.32.

Belanghebbende heeft daarnaast verzocht om een vergoeding van zijn verletkosten voor de zitting bij de rechtbank, omdat hij een dag niet heeft kunnen werken. Belanghebbende heeft het bedrag aan verletkosten berekend op € 520. Op grond van artikel 2, lid 1, letter e, Besluit proceskosten bestuursrecht worden verletkosten vergoed overeenkomstig een tarief tussen € 9,00 en € 109,00 per uur. Aangezien belanghebbende deze post niet met nadere stukken heeft onderbouwd, stelt het hof de verletkosten van belanghebbende vast op het laagste tarief. De zitting bij de rechtbank vond plaats om 9.30 uur. Dat belanghebbende een hele dag niet heeft kunnen werken, acht het hof daarom niet reëel. Het hof stelt de tegemoetkoming vast op een bedrag aan verletkosten van belanghebbende van zes verleturen maal € 9 per uur is € 54.

4.33.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016 en de daarbij behorende rentebeschikkingen;

  • verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar 2017 bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar 2017, met uitzondering van de beslissing over de kostenvergoeding;

  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.913;

  • vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2017 dienovereenkomstig;

  • vermindert de beschikking belastingrente 2017 evenredig;

  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt;

  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 2.919,84.

De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E. Royakkers B.J. Rubbens

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Bijlage: schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs van de uitnodiging voor de zitting

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:808. Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158. Artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082, Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379. Zie artikel 3.20, lid 1, letter a, Wet IB 2001. Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160. Hoge Raad 29 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5346 en Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989. De auto heeft een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016. Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.5. 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt voor beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.