Belastingrecht
Dividendbelasting. Belanghebbende verricht diensten voor buitenlandse pensioenfondsen, bestaande uit het…
ECLI:NL:GHSHE:2026:882 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-882
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 1 april 2026
- Zaaknummer
- 23/1078 tot en met 23/1092
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:882
Samenvatting
Dividendbelasting.
Belanghebbende verricht diensten voor buitenlandse pensioenfondsen, bestaande uit het verkrijgen van aandelen en dividendrechten en optreden als bewaarder. [de bank] treedt op als sub-bewaarder. Tussen belanghebbende en [de bank] is een overeenkomst gesloten, waarin belanghebbende [de bank] vrijwaart van iedere belasting die [de bank] verplicht is te betalen. [de bank] heeft namens de pensioenfondsen teruggaafverzoeken dividendbelasting ingediend met toepassing van een Bijzondere overeenkomst met de inspecteur. De inspecteur heeft vervolgens naheffingsaanslagen opgelegd aan
[de bank]. Deze naheffingsaanslagen zijn betaald, waarbij belanghebbende gelden aan [de bank] ter beschikking heeft gesteld. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan [de bank] opgelegde naheffingsaanslagen.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet bezwaar en beroepsgerechtigde is. De bezwaarschriften zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 23 juni 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:4323Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:882
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1078 tot en met 23/1092
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 juni 2023, nummers BRE 20/8814 tot en met 20/8828 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft vijftien naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd aan [de bank] (hierna: [de bank] ). Tevens is bij beschikking telkens belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam] , namens belanghebbende, [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende verleent diensten aan (onder meer) in de Verenigde Staten gevestigde pensioenfondsen. Die diensten bestaan onder andere uit het op instructie van en namens de pensioenfondsen verkrijgen van aandelen en dividendrechten als ‘execution only broker’ en bewaarder. [de bank] trad daarbij op als sub-bewaarder.
[de bank] heeft namens verschillende pensioenfondsen teruggaafverzoeken dividendbelasting ingediend. Bij het indienen van de teruggaafverzoeken namens de pensioenfondsen heeft [de bank] gebruikt gemaakt van een Bijzondere Overeenkomst met de Belastingdienst. Deze teruggaafverzoeken zijn door de inspecteur gehonoreerd.
Tussen belanghebbende en [de bank] is een ‘Global Clearing and Custody Agreement’ gesloten (de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst is belanghebbende verplicht [de bank] te vrijwaren voor iedere belasting die [de bank] verplicht is te betalen.
Met dagtekening 7 februari 2020 zijn aan [de bank] de naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslagen houden verband met teruggaafverzoeken die [de bank] heeft ingediend namens pensioenfondsen die klant zijn van belanghebbende. [de bank] heeft deze naheffingsaanslagen betaald. Belanghebbende heeft daarvoor betalingsmiddelen verstrekt aan [de bank] .
Bij brieven van 18 maart 2020 is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aan [de bank] opgelegde naheffingsaanslagen (de bezwaren).
Bij uitspraken op bezwaar van 26 augustus 2020 zijn de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens de inspecteur belanghebbende niet beroepsgerechtigd is en daarom ook niet bezwaargerechtigd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren?
2. wordt het recht op toegang tot de rechter geschonden?
3. is sprake van schending van het recht op een eerlijk proces?
4. is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht?
5. handelt de inspecteur in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6. heeft de inspecteur artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschonden?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en terugwijzing van het geschil naar de inspecteur. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. Ontvankelijkheid bezwaren
Op grond van artikel 7:1, lid 1, Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij de bestuursrechter in te dienen, bezwaar te maken alvorens beroep in te stellen. Op grond van artikel 26a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan het beroep slechts worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd.
Vaststaat dat de belastingaanslag niet aan belanghebbende is opgelegd maar aan [de bank] . [de bank] is daarom degene die bezwaar kon maken tegen de opgelegde naheffingsaanslagen en niet belanghebbende.
Op grond van artikel 26, lid 2, AWR kan mede beroep worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.
Vaststaat echter dat er geen inkomens- of vermogensbestanddelen van belanghebbende zijn begrepen in de naheffingsaanslagen. Het betreft immers dividenden die zijn ontvangen door de pensioenfondsen en niet dividenden die zijn ontvangen door belanghebbende.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende niet bezwaar- en beroepsgerechtigd is. Het enkele feit dat belanghebbende op grond van de overeenkomst verplicht is [de bank] te vrijwaren voor iedere belasting die [de bank] verplicht is te betalen, maakt niet dat daardoor de mogelijkheid van het indienen van een rechtsmiddel ontstaat.
Het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 faalt omdat in de onderhavige situatie, belanghebbende dient [de bank] te vrijwaren voor de door [de bank] verschuldigde belasting op basis van een overeenkomst tussen belanghebbende en [de bank] , niet vergelijkbaar is met de in dat arrest aan de orde zijnde situatie. In die zaak was de feitelijk parkeerder ook belastingplichtig voor de verschuldigde parkeerbelasting en kon dan ook aansprakelijk worden gesteld door de leasemaatschappij. In dat geval onderkende de Hoge Raad een leemte in de rechtsbescherming en daarom kon ook de feitelijk parkeerder rechtsmiddelen instellen.
Ook in de zaak die heeft geleid tot het arrest Hoge Raad 11 augustus 2017, was - anders dan in onderhavige zaak - sprake van een situatie dat een aanslag op grond van artikel 64 AWR aan de exploitant van een vakantiepark was opgelegd, maar dat de belasting is verschuldigd door de forens. Deze kon dan ook op grond van artikel 26a, lid 2, AWR rechtsmiddelen aanwenden.
Ten slotte faalt ook het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, aangezien het in die zaak ging om een zogenoemde WOZ-derdenbeschikking waarvoor een specifieke wettelijke bepaling geldt.
Het hof is dan ook van oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
2. en 3. Recht op toegang tot de rechter geschonden c.q. is sprake van schending van het recht op een eerlijk proces?
Belanghebbende stelt dat met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar de toegang tot de rechter is geschonden dan wel dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces.
Het hof verwerpt deze standpunten. Tegen de naheffingsaanslagen kan bezwaar worden gemaakt door de beroepsgerechtigde. Dat is belanghebbende in dit geval echter niet. Voor zover belanghebbende het niet eens is met het feit dat zij op grond van de contractuele verhoudingen [de bank] dient te vrijwaren, kan zij dat aanvechten bij de civiele rechter.
4. Inbreuk op het eigendomsrecht?
Ook de stelling van belanghebbende dat de inspecteur een inbreuk maakt op haar eigendomsrecht, verwerpt het hof. De betaling van de door [de bank] verschuldigde belasting vloeit namelijk voort uit de contractuele verhoudingen tussen haar en [de bank] . De inspecteur is daarin geen partij. Er is dus geen sprake van enig handelen van de inspecteur jegens belanghebbende en het staat de inspecteur evenmin vrij om buiten de wettelijke bepalingen belanghebbende het recht op bezwaar en beroep toe te kennen.
5. Strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Het recht op bezwaar en beroep is vastgelegd in wetten in formele zin. Het staat de inspecteur en ook de rechter niet vrij om hiervan af te wijken. Evenmin is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een beroep op het evenredigheidsbeginsel zou slagen. Daarbij komt dat belanghebbende zich kan verweren tegen de betaling uit hoofde van de vrijwaring in een civiele procedure.
6. Schending van artikel 8:42 Awb?
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en daarmee artikel 8:42 Awb heeft geschonden. Belanghebbende wijst daarbij op het feit dat de inspecteur op enig moment heeft aangegeven intern navraag te doen naar de mogelijkheid van het opleggen van naheffingsaanslagen aan de pensioenfondsen, maar dat stukken daarover ontbreken in het dossier. Voorts wijst belanghebbende op het niet overleggen van de bijzondere overeenkomst tussen de inspecteur en [de bank] .
De vraag of het de inspecteur vrijstaat om een naheffingsaanslag op te leggen aan [de bank] en niet aan de pensioenfondsen, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, aangezien belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. De daarmee samenhangende vraag of artikel 8:42 Awb is geschonden, behoeft daarom ook geen behandeling.
Tussenconclusie
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep ongegrond;
-
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.