Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Hoger beroep Arbeidsrecht

21 mei 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1712

Op 21 mei 2024 heeft de Gerechtshof 's-Hertogenbosch een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van arbeidsrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.327.098_01, bekend onder ECLI code ECLI:NL:GHSHE:2024:1712. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch. De betrokken advocaten waren mr. M.P Harten te Rotterdam en mr. J.L.J.M. van de Mortel te 's-Gravenhage.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
200.327.098_01
Datum uitspraak
21 mei 2024
Datum gepubliceerd
21 mei 2024
Vindplaatsen
  • AR-Updates.nl 2024-0765
  • VAAN-AR-Updates.nl 2024-0765
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.327.098/01

arrest van 21 mei 2024

in de zaak van

Veterinary Enterprises Europe B.V.,

gevestigd te

[vestigingsplaats]
,

appellante,

hierna aan te duiden als VEE,

advocaat: mr. M.P. Harten te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde]
,

wonende te

[woonplaats]
,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als

[geïntimeerde]
,

advocaat: mr. J.L.J.M. van de Mortel te 's-Gravenhage.

op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 maart 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen VEE als gedaagde en

[geïntimeerde]
als eiser.

1
Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9952183 \ CV EXPL 22-2375)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2
Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3
De beoordeling

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[geïntimeerde]
is op 1 oktober 2018 bij VEE in dienst getreden in de functie van Purchase en Sales Manager (eindverantwoordelijke onder directe leiding van de directie).

Bij brief van 30 juli 2021 aan

[persoon A]
(indirect bestuurder van VEE) heeft
[geïntimeerde]
betaling van zijn achterstallig salaris verzocht.

Namens

[persoon A]
heeft
[persoon B]
bij brief van 9 augustus 2021
[geïntimeerde]
verzocht om direct te melden waar de door
[persoon C]
(tot voor kort de zakenpartner van Rehbein) ontvreemde goederen ter waarde van plus minus € 350.000,-- zijn gebleven.

[geïntimeerde]
heeft zijn eerder gedane verzoek bij brief van 27 augustus 2021 herhaald.

De rechtsbijstandverlener van

[geïntimeerde]
heeft bij aangetekend schrijven van 8 september 2021 VEE verzocht om betaling van het achterstallig loon met bijbehorende specificatie. Bij brief van 17 september 2021 is een herinnering gestuurd.

Op 4 oktober 2021 heeft

[geïntimeerde]
zijn arbeidsovereenkomst met VEE met onmiddellijke ingang opgezegd.

Bij brief van 5 oktober 2021 heeft de rechtsbijstandverlener van VEE

[geïntimeerde]
bericht dat sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk en aangegeven dat aan
[geïntimeerde]
vele verwijten (onderverdeeld in 17 punten) kunnen worden gemaakt. Er zou een beëindigingsovereenkomst moeten worden opgesteld.

Bij brief van 7 oktober 2021 betwist de rechtsbijstandverlener

[geïntimeerde]
de gestelde verwijten, stelt dat het dienstverband inmiddels is beëindigd maar verzoekt om een concept vaststellingsovereenkomst. Partijen komen niet tot een nadere overeenstemming.

De procedure in eerste aanleg

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft

[geïntimeerde]
gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, VEE te veroordelen tot:

betaling aan

[geïntimeerde]
van het salaris over de maanden augustus en september 2021, te weten een bedrag van € 11.120,00 bruto

betaling aan

[geïntimeerde]
van de vaste toeslag voor de bijtelling, te weten een bedrag van € 1.707,24 bruto

betaling aan

[geïntimeerde]
van het vakantiegeld over de maanden juni 2021 tot en met september 2021, te weten een bedrag van € 1.779.20 bruto

betaling aan

[geïntimeerde]
van een dertiende maand, te weten een bedrag van € 4.170,00 bruto

uitbetaling aan

[geïntimeerde]
van de niet genoten vakantiedagen (13,75), te weten een bedrag van € 3.586,00 bruto

verstrekking van een specificatie ten aanzien van alle nabetalingen en een jaaropgave over het jaar 2021

betaling aan

[geïntimeerde]
van de wettelijke rente vanaf 16 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening over het onder a tot en met e gevorderde

betaling aan

[geïntimeerde]
van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het onder sub a tot en met e gevorderde (in totaal € 22.362,44 / 2 = € 11.181,22) of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag

betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 962,76

betaling van de kosten van deze procedure, daarin begrepen het salaris van de gemachtigde van

[geïntimeerde]
.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft

[geïntimeerde]
, kort samengevat, de nakoming van de betalingsverplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met VEE ten grondslag gelegd.

3.2.3.

VEE heeft gemotiveerd verweer gevoerd en na indiening van de conclusie van antwoord, nog een reconventionele vordering ingesteld.

3.2.4.

Na een gehouden mondelinge behandeling en een door

[geïntimeerde]
genomen akte heeft de kantonrechter in het eindvonnis VEE veroordeeld om aan
[geïntimeerde]
te betalen:

- € 11.120,00 bruto aan loon over de maanden augustus 2021 en september 2021

- € 1.707,24 bruto aan vaste toeslag voor de bijtelling

- € 1.779.20 bruto aan vakantiebijslag over de maanden juni 2021 tot en met september 2021

- € 4.170,00 bruto aan een (gedeeltelijke) dertiende maand

- € 3.586,00 bruto aan niet genoten vakantiedagen

- de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 22 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening

- € 2.236,24 aan wettelijke verhoging en

- € 962,76 aan buitengerechtelijke incassokosten,

Voorts is VEE veroordeeld om aan

[geïntimeerde]
een specificatie ten aanzien van alle nabetalingen en een jaaropgave over het jaar 2021 te verstrekken en is zij in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en VEE is niet-ontvankelijk verklaard in de reconventie.

De omvang van het hoger beroep

3.3.1.

VEE heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. VEE heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van

[geïntimeerde]
en hem voorts te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen op grond van het bestreden vonnis reeds is voldaan met veroordeling van
[geïntimeerde]
in de proceskosten van beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

[geïntimeerde]
heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van VEE in de proces- en nakosten in beide instanties met de wettelijke rente hierover.

3.3.2.

Het hof stelt vast dat VEE geen grief heeft ingediend tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de reconventie. Evenmin is een grief gericht tegen het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 4 oktober 2021 door onmiddellijke opzegging door

[geïntimeerde]
is geëindigd.
[geïntimeerde]
heeft geen grief gericht tegen de latere ingangsdatum voor de wettelijke rente en de matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. Al deze beslissingen liggen in hoger beroep niet voor.

Grief 1: beroep op verrekening

3.4.1.

VEE stelt in grief 1 dat de vorderingen van

[geïntimeerde]
door verrekening met de vorderingen die VEE op
[geïntimeerde]
heeft, teniet zijn gegaan. De tegenvorderingen van VEE zien op de door
[geïntimeerde]
verschuldigde boetes nu hij bedingen uit de arbeidsovereenkomst (concurrentiebeding, nevenwerkzaamhedenbeding, geheimhoudingsbeding en relatiebeding) welbewust en stelselmatig heeft overtreden. Daarnaast stelt VEE dat
[geïntimeerde]
drie facturen heeft vervalst met als gevolg dat zij veel schade heeft geleden; zij wijst op een naheffingsaanslag van € 124.959,00 vermeerderd met een boete van 25%.

3.4.2.

[geïntimeerde]
betwist valse facturen te hebben opgemaakt. VEE heeft noch een kopie van de facturen noch van de aanslag overgelegd. Deze vordering is dan ook niet onderbouwd. Voorts wijst
[geïntimeerde]
op de toepasselijkheid van artikel 6:136 BW.

[geïntimeerde]
stelt verder dat VEE geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding nu de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar gedrag van VEE is geëindigd. Hij wijst op de mogelijkheid van de rechter om de bedingen te vernietigen en het feit dat VEE geen belang heeft bij handhaving. Er is nooit eerder een beroep op de bedingen gedaan.

3.4.3.

Het hof passeert het beroep op verrekening met toepassing van artikel 6:136 BW.

[geïntimeerde]
heeft het bestaan van de tegenvorderingen gemotiveerd betwist terwijl VEE zelf heeft aangegeven dat de hoogte van de vordering uit hoofde van de gestelde verschuldigde boetes niet precies bepaalbaar is, dat er nog onderzoeken lopen naar een groot aantal onregelmatigheden, dat er een aparte procedure jegens
[geïntimeerde]
zal worden gevoerd en zij heeft een bewijsaanbod gedaan waaronder het horen van getuigen. Het bestaan en de mogelijke omvang van de tegenvorderingen zijn niet eenvoudig vast te stellen.

3.4.4.

De grief slaagt niet en het hof passeert dan ook het gedane bewijsaanbod.

Grief 2: niet verrichten van arbeid voor rekening van

[geïntimeerde]

3.5.1.

In grief 2 betoogt VEE dat het niet meer kunnen verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van

[geïntimeerde]
moet blijven nu als gevolg van zijn handelen – verwezen wordt naar het vervalsen van facturen en de ontvreemding van diergeneesmiddelen – VEE zich genoodzaakt zag om zijn bevoegdheden in te trekken en hem grotendeels te ontheffen van zijn werkzaamheden.

3.5.2.

[geïntimeerde]
betwist zich aan onregelmatigheden zoals door VEE gesteld, te hebben schuldig gemaakt.

3.5.3.

Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de volgende overweging van de kantonrechter:

“(…) Verder overweegt de kantonrechter dat in artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Kortom, ook als een werknemer (zoals

[geïntimeerde]
) de overeengekomen arbeid gedeeltelijk niet heeft verricht, geldt als uitgangspunt dat een werkgever (zoals VEE) toch verplicht is het volledige loon te voldoen. Dat is slechts anders als de werkgever (VEE) aantoont dat het gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van werknemer (
[geïntimeerde]
) behoort te komen. VEE stelt dat dit het geval is, omdat zij zich genoodzaakt zag om diverse bevoegdheden van
[geïntimeerde]
in te trekken als gevolg van een ontvreemding van dierengeneesmiddelen door
[geïntimeerde]
.
[geïntimeerde]
betwist echter gemotiveerd dat hij iets te maken heeft met deze vermeende ontvreemding. In dat licht heeft VEE naar het oordeel van de kantonrechter niet aan haar stelplicht voldaan wat betreft het punt dat het gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van
[geïntimeerde]
als werknemer behoort te komen. Dat brengt mee dat de kantonrechter vasthoudt aan het uitgangspunt dat VEE als werkgever toch verplicht is het volledige loon te voldoen, ook al heeft
[geïntimeerde]
de overeengekomen arbeid (mogelijk) gedeeltelijk niet verricht.(…)”

VEE beperkt zich in deze grief tot een herhaling van haar stelling in eerste aanleg aangevuld met het verwijt dat

[geïntimeerde]
facturen zou hebben vervalst. Zij geeft niet aan waarom de bovenstaande overweging van de kantonrechter onjuist zou zijn. Zij laat ook na haar verwijten te onderbouwen. Daar komt bij dat door VEE niet is betwist dat
[geïntimeerde]
bereid was om zijn werkzaamheden te blijven verrichten maar daartoe grotendeels niet kon overgaan omdat VEE hem dat belette.

3.5.4.

Grief 2 slaagt naar het oordeel van het hof dan ook niet.

Grief 3: de vakantiedagen

3.6.1.

VEE stelt dat de kantonrechter ten onrechte de vordering uit hoofde van niet genoten vakantiedagen heeft toegewezen.

[geïntimeerde]
heeft in de maanden augustus en september 2021 geen werkzaamheden verricht en geen vakantiedagen opgebouwd. Daarnaast stelt VEE dat de opgebouwde vakantiedagen waren opgenomen. Bij akte zou daarvan een overzicht in het geding worden gebracht, hetgeen VEE heeft nagelaten.

3.6.2.

[geïntimeerde]
betwist dat hij in de maanden augustus en september 2021 niet zou hebben gewerkt en betwist dat de opgebouwde vakantiedagen waren opgenomen.

3.6.3.

Grief 3 slaagt naar het oordeel van het hof niet.

[geïntimeerde]
heeft bij dagvaarding in eerste aanleg onder punt 18 zijn vordering uit hoofde van niet genoten vakantiedagen onderbouwd. Deze stellingen zijn door VEE onvoldoende betwist, temeer nu het op de weg van VEE ligt om een vakantiedagenadministratie bij te houden.

Grief 4: de matiging van de verhoging

3.7.

Grief 4, gericht tegen de veroordeling tot betaling van de wetttelijke verhoging, heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

Slotsom

3.8.

Geen van de grieven slaagt zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. VEE zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

4
De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt VEE in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van

[geïntimeerde]
op € 1.780,00 aan griffierecht en op € 1.571,00 aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 178,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 270,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat de bedragen van € 1.780,00 en € 1.571,00 binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en het bedrag van € 178,00 binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel het bedrag van € 270,00 vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, M. van der Schoor en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 mei 2024.

griffier rolraadsheer

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158