Burgerlijk procesrecht
Niet-ontvankelijk omdat dagvaarding te laat is betekend.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 maart 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1112 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/hoger-beroep-kort-geding/ecli-nl-ghshe-2018-1112
Zaakgegevens
Op 13 maart 2018 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 13 maart 2018
- Datum publicatie
- 13 maart 2018
- Zaaknummer
- 200.229.037_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Hoger beroep kort gedingHoger beroep kort gedingHet gerechtshof beoordeelt opnieuw een spoedzaak waarin de voorzieningenrechter al een voorlopig oordeel gaf.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.N van Wensen te Lage Zwaluwe, mr. A el Aqde te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1112
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijk omdat dagvaarding te laat is betekend.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:9776Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 maart 2018deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2018:1112
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.229.037/01
arrest van 13 maart 2018
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A. el Aqde te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 oktober 2017, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, door de voorzieningenrechter gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/238413 / KG ZA 17-384)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
-
de rolbeslissing van 2 januari 2018;
-
de akte uitlaten van [appellante] ;
-
de antwoordakte uitlaten van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3 De beoordeling
Bij genoemde rolbeslissing is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gegeven dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv voor een vonnis in kort geding voorgeschreven termijn van vier weken. In haar akte stelt [appellante] zich kort gezegd op het standpunt dat de appeldagvaarding wel tijdig is betekend. Verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225 stelt [appellante] dat de dag van het vonnis niet meetelt bij het berekenen van de termijn, zodat de vier wekentermijn aanvangt op dinsdag 3 oktober 2017. De “daarmee overeenstemmende dag” vier weken later is dinsdag 31 oktober 2017. Nu de dagvaarding is betekend op 31 oktober 2017 is deze dus op tijd.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Op grond van artikel 339 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak.
In de onderhavige zaak dateert het vonnis waarvan beroep van maandag 2 oktober 2017. De termijn van vier weken begint derhalve op 3 oktober 2017 (als eerste dag) en eindigt aan het eind van de dag op maandag 30 oktober 2017 (als achtentwintigste dag). Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op dinsdag 31 oktober 2017, is de appeldagvaarding te laat uitgebracht en is het hoger beroep niet-ontvankelijk (HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225). Het hof is van oordeel dat [appellante] het voormeld arrest van de Hoge Raad van 1 september 2017 onjuist uitlegt.
Naar het oordeel van het hof zijn in de onderhavige zaak geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikt te handhaven appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv.
De conclusie is dat [appellante] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief.
4 De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan griffierecht en op € 447,-- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 maart 2018.
griffier rolraadsheer