Civiel recht overig
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij ook enige tijd hebben samengewoond. Door…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2573 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 september 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2573
Zaakgegevens
Op 23 september 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 23 september 2025
- Datum publicatie
- 23 september 2025
- Zaaknummer
- 200.350.043_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.W Dieleman te Middelburg, mr. D.J.A. Burlet te Oostburg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2573
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij ook enige tijd hebben samengewoond. Door die samenwoning kwam de uitkering van de vrouw uit hoofde van de Participatiewet te vervallen. In geschil is in welke mate de man moet bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding / vaste lasten gedurende de samenwoning.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.350.043/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,
tegen
[xx] Begeleiding B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan:
[persoon A] ,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg.
op het bij exploot van dagvaarding van 8 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 oktober 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als opposant en [xx] Begeleiding B.V. als geopposeerde.
De zaak in het kort
[appellant] en [persoon A] hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij ook enige tijd hebben samengewoond. Door die samenwoning kwam de uitkering van [persoon A] uit hoofde van de Participatiewet te vervallen. In geschil is in welke mate [appellant] moet bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding / vaste lasten gedurende de samenwoning.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10759998 CV EXPL 23-2749)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
de memorie van grieven met productie 4;
-
de memorie van antwoord met producties 5 tot en met 11;
-
de mondelinge behandeling gehouden op 29 augustus 2025.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- mr. Dieleman namens [appellant] ;
- mr. Burlet namens de bewindvoerder.
[appellant] is met kennisgeving vooraf niet verschenen. De bewindvoerder is ook niet verschenen.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3 De beoordeling
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
-
Bij beschikking van 23 mei 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, het bewind over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [persoon A] uitgesproken.
-
[appellant] en [persoon A] hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij van 6 april 2022 tot eind september 2022 hebben samengewoond.
-
Omdat [appellant] een Wajong-uitkering ontving, kwam door die samenwoning de uitkering van [persoon A] uit hoofde van de Participatiewet (PW-uitkering) te vervallen.
-
Hun aanvraag tot een aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet (aanvullende PW-uitkering tot aan de toen geldende bijstandsnorm voor samenwonenden/gehuwden) is afgewezen omdat de inkomsten van [appellant] door stortingen (van zijn ouders) op zijn bankrekening te hoog waren.
De procedure bij de rechtbank
In de onderhavige procedure vordert de bewindvoerder [appellant] te veroordelen tot betaling van € 2.403,70 uit hoofde van de kosten van de gezamenlijke huishouding, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en met bepaling dat [appellant] vanaf veertien dagen na de dag waarop het vonnis is uitgesproken de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd.
Aan deze vordering heeft de bewindvoerder, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Doordat [appellant] bij [persoon A] introk, had [persoon A] geen inkomen meer en verviel haar recht op bijzondere bijstand. [appellant] diende een bijdrage te leveren in de kosten van de gezamenlijke huishouding. Dit bedrag is destijds op basis van de vaste lasten berekend op € 913,54 per maand. Omdat [appellant] en [persoon A] er samen voor kozen het leefgeld van € 130,-- per maand niet meer aan [persoon A] te laten storten, werd de bijdrage van [appellant] verlaagd naar (913,54 -/- 130) € 783,54 per maand. [appellant] heeft niet over de gehele periode van samenwoning aan zijn bijdrageplicht voldaan. De totale achterstand over de maanden april tot en met september 2022 bedroeg € 4.701,24. [appellant] heeft inmiddels € 2.297,54 ingelost, zodat hij nog € 2.403,70 dient te voldoen.
Bij verstekvonnis van 30 augustus 2023, verbeterd bij vonnis van 1 november 2023, heeft de kantonrechter de vordering van de bewindvoerder toegewezen en is [appellant] veroordeeld in de kosten aan de kant van de bewindvoerder gevallen en tot op datum vonnis begroot op € 414,86, inclusief een bedrag van € 199,-- als salaris voor de gemachtigde(n).
Bij verzetdagvaarding is [appellant] in verzet gekomen van het verstekvonnis. [appellant] vorderde, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- zijn verzet tegen het verstekvonnis van 30 augustus 2023 gegrond te verklaren;
- voormeld verstekvonnis te vernietigen;
- van de bij het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling te worden ontheven;
en opnieuw beslissend:
-
de bewindvoerder niet-ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen van de bewindvoerder in de verstekzaak af te wijzen;
-
de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van het verzet, alsmede in de wettelijke rente over die kosten voor zover deze niet door de bewindvoerder zijn voldaan binnen veertien dagen nadat in deze zaak vonnis is gewezen met bepaling dat de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad is.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter:
- het verzet tegen het verstekvonnis van 30 augustus 2023, verbeterd bij vonnis van 1 november 2023, ongegrond verklaard;
- [appellant] veroordeeld in de kosten van het verzet, aan de zijde van de bewindvoerder tot op heden begroot op € 204,--;
- dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De kantonrechter heeft daartoe als volgt overwogen:
‘4.4 Gezien de feitelijke gang van zaken tussen partijen is de kantonrechter van oordeel dat er tussen partijen (stilzwijgend) een afspraak tot stand is gekomen inhoudende dat [appellant] een bijdrage in de gezamenlijke huishouding zou voldoen van € 783,54 per maand. Immers, [appellant] en [persoon A] zijn gaan samenwonen terwijl voor [appellant] bekend was dat dit samenwonen consequenties zou hebben voor de bijstandsuitkering van [persoon A] . Ook wist [appellant] dat [persoon A] onder bewind was gesteld. [appellant] en [persoon A] hebben niet vooraf bij de bewindvoerder informatie ingewonnen of vooraf financiële afspraken gemaakt. Door onder deze omstandigheden bij [persoon A] in te trekken heeft [appellant] de verplichting op zich genomen om financieel (geheel) voor de voldoening van de vaste lasten te zorgen. Dat [appellant] en [persoon A] ervan uitgingen dat [persoon A] nog een aanvullende uitkering zou krijgen, maakt die verplichting slechts anders in het geval [persoon A] ook daadwerkelijk een aanvullende uitkering zou ontvangen. Dat is niet het geval geweest.
[appellant] heeft niet weersproken dat hij tijdens het samenleven met [persoon A] nog stortingen op zijn rekening ontving. Van de bewindvoerder kan, anders dan [appellant] stelt, niet worden verwacht bezwaar en beroep in te stellen tegen een afwijzing van een aanvullende uitkering als er geen aanwijzingen zijn dat bezwaar dan wel beroep enige kans van slagen heeft. [appellant] heeft - gelet op de gestelde stortingen - onvoldoende onderbouwd waarom moet worden aangenomen dat er enige kans van slagen was.
Ook nadat bleek dat [persoon A] geen recht meer had op enige uitkering, hebben [appellant] en [persoon A] de samenwoning (nog enige tijd) voortgezet. Onvoldoende gemotiveerd is betwist dat de bewindvoerder, nadat zij bekend werd met het samenwonen, [appellant] en [persoon A] , hen heeft voorgelicht over de hoogte van de vaste lasten en welk bedrag door [appellant] aan de bewindvoerder moest worden betaald om deze lasten te kunnen voldoen. Uit het feit dat [appellant] dit bedrag eenmalig aan de bewindvoerder heeft voldaan, blijkt dat hij van deze verplichting op de hoogte was. Dat hij mogelijk niet exact wist hoe dit bedrag was opgebouwd, doet daaraan niet af. Dat, anders dan [appellant] hoopte, uiteindelijk bleek dat de aanvullende bijstand niet werd toegekend, maakt niet dat [appellant] toch voor een deel van zijn verplichting bevrijd zou zijn. Ook het feit dat [appellant] andere gezamenlijk uitgaven tijdens de samenleving heeft betaald, verandert niet zijn verplichting om de vaste lasten te voldoen.’
De procedure in hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Hij vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- zijn verzet gegrond te verklaren en de vordering van de bewindvoerder af te wijzen met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure in beide instanties, alsmede in de wettelijke rente over die kosten voor zover deze niet door de bewindvoerder zijn voldaan binnen 14 dagen nadat in deze zaak arrest is gewezen en daarbij het nasalaris advocaat te begroten op € 205,--, te verhogen met € 68,--, wanneer de bewindvoerder niet binnen 14 dagen aan de kostenveroordeling heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden met bepaling dat de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad is.
De bewindvoerder heeft de grieven van [appellant] weersproken. Zij vordert het bestreden vonnis – eventueel onder verbetering en/of aanvulling van gronden – te bekrachtigen, onder afwijzing van het door [appellant] gevorderde met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, met bepaling dat vanaf veertien dagen na de dag waarop het arrest is uitgesproken de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd.
Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.
Door middel van deze grieven betwist [appellant] dat de bewindvoerder met hem de (stilzwijgende) afspraak heeft gemaakt dat hij € 783,54 per maand zou betalen. Nimmer heeft hij een berekening van dat bedrag gezien of het verzoek gehad dat bedrag te betalen. Hij was ook niet bekend met de consequenties van zijn verblijf bij [persoon A] op haar bijstandsuitkering. Het regelen van die uitkering lag op de weg van de bewindvoerder. Onjuist is dat hij de verplichting op zich had genomen om geheel voor de vaste lasten van [persoon A] te zorgen. Zijn Wajong uitkering (voor een alleenstaande) is daartoe ook niet toereikend. Uit de omschrijvingen bij de bijschrijvingen (prod. 4) blijkt dat een bedrag van € 388,-- was afgesproken en dat hij het er niet mee eens was dat € 783,54 moest worden betaald. Na juli 2022 heeft hij geen betalingen meer gedaan, omdat hij in juli dubbel had betaald en niet meer de middelen had om extra te betalen.
De bewindvoerder heeft de grieven weersproken.
Zo [appellant] al niet bekend was met de consequenties van zijn verblijf bij [persoon A] op haar bijstandsuitkering, betekent dit nog niet dat hij geen verantwoording dient te dragen voor de gevolgen die de samenwoning achteraf blijkt te hebben. Als bewindvoerder is zij voor een voldongen feit geplaatst toen [persoon A] haar de mededeling deed dat zij samenwoonde met [appellant] . Na die mededeling is [persoon A] op haar uitnodiging, samen met [appellant] , bij haar op kantoor gekomen om de gevolgen van de samenwoning te bespreken. Tijdens dat gesprek heeft zij de kosten met [persoon A] en [appellant] doorgenomen en besproken dat [appellant]
verantwoordelijk werd voor de vaste lasten, omdat door zijn inkomen het inkomen van
[persoon A] weg zou vallen en er enkel nog sprake zou zijn van huurtoeslag. In haar e-mail van 7 april 2022 (prod. 5) aan [persoon A] staan de vaste lasten benoemd. Omdat er toen nog van werd uitgegaan dat [persoon A] aanvullende bijstand van € 400,-- per maand zou ontvangen, is aan [appellant] het verzoek gedaan om € 388,-- per maand over te maken naar de beheerrekening. [appellant] heeft dit ook meermaals gedaan. De stelling van [appellant] dat er geen afspraken zijn gemaakt over het voldoen van de kosten van de huishouding is dus aantoonbaar onjuist. De discussie is ontstaan toen de aanvullende bijstand niet werd toegekend en aan [appellant] , via [persoon A] (door de verbale en schriftelijke agressie van [appellant] jegens haar was besloten het contact enkel nog via [persoon A] te laten verlopen), te kennen is gegeven dat zijn bijdrage hierdoor zou worden verhoogd naar € 783,54 (prod. 7). [appellant] heeft hiervan kennis genomen en er ook naar gehandeld. Op 22 juli 2022 heeft hij een bedrag van € 740,-- en een bedrag van € 43,54 voldaan (prod. 4), derhalve in totaal precies het bedrag dat hij moest voldoen. Uit de overschrijving volgt dat hij contact en een overzicht wenst. Als een samenwonende partner geen inkomsten heeft, dient de partner met inkomsten de kosten van de huishouding te voldoen. [appellant] heeft de beslissing genomen om bij [persoon A] in te trekken en met haar een gezamenlijk huishouden te voeren. [appellant] heeft daarom de verplichting financieel (geheel) voor de voldoening van de vaste lasten zorg te dragen.
Het hof overweegt als volgt.
Van het bestaan van een (stilzwijgende) afspraak tussen de bewindvoerder en [appellant] heeft krachtens art. 150 Rv de bewindvoerder de stelplicht en, indien daaraan is voldaan en de stellingen genoegzaam zijn betwist, ook de bewijslast. De bewindvoerder beroept zich op haar e-mailberichten van 7 april en 2 juni 2022 aan [persoon A] (prod. 5 en 7) en de betaling door [appellant] van de afzonderlijke bedragen van € 740,-- en € 43,54. [appellant] heeft het bestaan van de afspraak dat hij een bijdrage van € 783,54 zou moeten betalen, betwist. Hij beroept zich op de maandelijkse overboekingen van € 388,-- met de omschrijving ‘zoals afgesproken’. Dat de afspraak was dat [appellant] een bijdrage van € 388,-- zou voldoen, is ter zitting bevestigd door de advocaat van [appellant] . De e-mailberichten van 7 april en 2 juni 2022 waarop de bewindvoerder zich beroept, zijn alleen gericht aan [persoon A] . Daaruit kan de instemming van [appellant] niet worden afgeleid. Weliswaar heeft [appellant] eenmalig op 22 juli 2022 een bedrag van € 783,54 overgemaakt, maar dit bedrag is in twee delen overgemaakt, het gaat vergezeld van een omschrijving ‘wil je contact opnemen met ons’, waaruit geenszins een toezegging van [appellant] valt af te leiden, terwijl daarna iedere betaling is gestopt en bovendien [appellant] eerder alleen maandelijkse betalingen deed van € 388,-- met de omschrijving ‘zoals afgesproken’. Aldus is sprake van een voldoende gemotiveerde betwisting van het bestaan van de afspraak dat [appellant] een bijdrage van € 783,54 per maand zou voldoen. Overig bewijs van die afspraak heeft de bewindvoerder niet aangeboden. Dit betekent dat de grieven van [appellant] slagen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen.
Proceskosten
Het hof zal, gelet op de aard van de procedure ( [appellant] en [persoon A] zijn voormalige levensgezellen), de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4 De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 oktober 2024;
verklaart het verzet van [appellant] tegen het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, op 30 augustus 2023 gewezen vonnis (hersteld bij vonnis van 1 november 2023) gegrond en vernietigt het verstekvonnis;
wijst alsnog af de vordering van de bewindvoerder;
compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en R.W.J. van Veen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer