Insolventierecht
Verzoek tot vaststellen eerdere ingangsdatum WSNP (artikel 349a Fw) op grond van afdrachten in voorafgaand…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 mei 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:1441 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-1441
Zaakgegevens
Op 22 mei 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 22 mei 2025
- Datum publicatie
- 22 mei 2025
- Zaaknummer
- 200.350.443_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1441
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek tot vaststellen eerdere ingangsdatum WSNP (artikel 349a Fw) op grond van afdrachten in voorafgaand faillissement en/of afdrachten in het faillissement voorafgaand loonbeslag en minnelijk traject. Zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad over dit onderwerp in een andere zaak.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.350.443/01
Zaaknummer eerste aanleg : [nummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Als vervolg op het door dit hof op 13 maart 2025 gewezen tussenarrest.
5 Het tussenarrest van 13 maart 2025
Bij dat tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de afdrachten die [appellante] heeft gedaan tijdens het aan het schuldsaneringstraject voorafgaande faillissement, niet kwalificeren als aflossingen gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw, op grond waarvan een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden vastgesteld, als bedoeld in artikel 349a, eerste lid Fw.
Verder heeft het hof [appellante] opgedragen om meer informatie aan te leveren over de afdrachten die zouden zijn gedaan tijdens het buitengerechtelijke akkoord en in het kader van gelegde beslagen, zodat het hof kan beoordelen of deze afdrachten wel kunnen leiden tot een eerdere ingangsdatum. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van de brief met producties 5 t/m 11 van de advocaat van [appellante] , ontvangen op 26 maart 2025.
7 De verdere beoordeling
Het hof is inmiddels ambtshalve bekend geworden dat in een andere zaak bij het hof een vergelijkbaar feitencomplex aan de orde is, te weten de situatie dat er een faillissement aan de wettelijke schuldsanering vooraf is gegaan. In die zaak heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad, waaronder de vraag of de afdrachten die tijdens het aan de schuldsanering voorafgaande faillissement zijn gedaan ook kunnen worden aangemerkt als een eerste aflossing gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw, zoals bedoeld in artikel 349a Fw en zoals bedoeld door de Hoge Raad in het arrest van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913). Nu bij [appellante] hetzelfde vraagstuk aan de orde is, is het hof van oordeel dat ook de behandeling van deze zaak moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen door de Hoge Raad.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.
8 De uitspraak
Het hof:
houdt iedere verdere beslissing aan tot 20 november 2025 PRO FORMA.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, L.G.J.M. van Ekert en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.