Insolventierecht

In hoger beroep alsnog toewijzing wsnp op grond van de hardheidsclausule

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 oktober 2025
Datum publicatie
9 oktober 2025
Zaaknummer
200.358.949_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2800
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

In hoger beroep alsnog toewijzing wsnp op grond van de hardheidsclausule

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 9 oktober 2025

Zaaknummer : 200.358.949/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/436611 / FT RK 25-439

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, gemeente Sluis.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 september 2025.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2025, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen, op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren en de zaak verder te verwijzen naar de rechtbank voor voortzetting van de schuldsaneringsregeling.

2.2.

Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van de Wijnckel;

- mw. [beschermingsbewindvoerder] , de beschermingsbewindvoerder.

2.4.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 augustus 2025;

- de aanvullende gronden met producties (waaronder de stukken van de eerste aanleg), ingestuurd bij formulier van 25 september 2025.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsanerings-regeling uit te spreken. Uit de crediteurenlijst bij het verzoekschrift ex artikel 284 Fw (Faillissementswet) blijkt een totale schuldenlast van € 42.840,75, waaronder twee schulden aan het CJIB (wegens rijden onder invloed en onverzekerd rijden). Uit de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw blijkt dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden omdat er onvoldoende aflossingsmogelijkheden zijn.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Ook heeft de rechtbank op de voet van artikel 288 lid 2 aanhef en sub c in de afwijzing mee laten wegen dat [appellant] een schuld heeft die voortvloeit uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw (rijden onder invloed), welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiending van het verzoekschrift. De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft het volgende aangevoerd.

3.3.1.

De schuld aan het CJIB betreft een boete vanwege rijden onder invloed van € 303,88 (uit 2022) en een boete wegens onverzekerd rijden van € 580,23 (uit 2023), bij elkaar opgeteld is dat € 884,11. Deze schuld is door de beschermingsbewindvoerder volledig voldaan uit de aanwezige reserves (productie 3: schuldoverzicht en betalingsbewijs). Ter zitting van dit hof heeft [appellant] verklaard dat hij éénmaal onder invloed heeft gereden. Die boete bedroeg toen ongeveer € 700,-. De schuld wegens onverzekerd rijden valt niet [appellant] , maar de vorige beschermingsbewindvoerder te verwijten. [appellant] werd tweemaal van de weg gehaald, niet wetende wat er aan de hand was. Later bleek dat de toenmalige beschermingsbewindvoerder de verzekeringspremies niet had betaald. [appellant] is bij die beschermingsbewindvoerder weggegaan (inmiddels bestaat dat kantoor niet meer).

3.3.2.

[appellant] heeft zijn auto laten overschrijven op naam van zijn schoonvader, met als doel mogelijke beslaglegging te voorkomen. De auto betreft een Opel Meriva, bouwjaar 2007, ter waarde van ongeveer € 1.000,-. Een beslaglegging en openbare verkoop van de auto, zou meer kosten met zich brengen dan dat de auto zal opleveren. In die zin zijn volgens [appellant] de schuldeisers niet benadeeld en is geen relevant verhaalsobject aan het verhaal onttrokken. Bovendien kunnen schuldeisers nog steeds beslag leggen op de auto, omdat deze weliswaar bij de RDW op naam van de schoonvader is geregistreerd, maar juridisch en economisch gezien eigendom van [appellant] is gebleven. [appellant] voert aanvullend aan dat hij de auto nodig heeft voor het vervoer van zijn zoon naar het ziekenhuis (om de drie weken). Daarnaast is een eigen auto in [regio] noodzakelijk omdat er geen (goed) openbaar vervoer is. Het bezit van een eigen auto vergroot de kansen van [appellant] op de arbeidsmarkt, hetgeen ook in het belang van de schuldeisers is te achten.

3.3.3.

[appellant] solliciteert naar een baan, maar tot op heden zonder succes. Hij is bouwvakker en heeft last van een scheve ruggenwervel, waardoor hij niet kan tillen. Zijn echtgenote ontvangt een Wajong uitkering. [appellant] blijft hoop houden dat hij snel een betaalde baan vindt en daarmee een aanvang kan maken met het aflossen op de schulden in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.3.4.

Subsidiair doet [appellant] een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Sinds 2008 hebben hij en zijn echtgenote hulp gezocht bij het oplossen van de schuldensituatie. In eerste instantie is een adviseur getroffen die een oplichter bleek te zijn, waardoor de schuldensituatie alleen nog maar ernstiger werd. In 2017 is een beschermingsbewind ingesteld en wist de beschermingsbewindvoerder de nodige orde in de chaos te brengen. Ook hebben [appellant] en zijn echtgenote, nadat in 2008 de eerdere schuldsaneringspoging was mislukt, hulp gezocht bij de schuldhulpverlener mw. [schuldhulpverlener] . Met haar hulp is geprobeerd tot een minnelijk akkoord met alle schuldeisers te komen, wat helaas niet is gelukt. De huidige beschermingsbewindvoerder houdt de hand op de knip en waakt ervoor dat er geen nieuwe schulden ontstaan. [appellant] en zijn echtgenote ontvangen wekelijks leefgeld. Er is nu sprake van een stabiele woon- en inkomenssituatie.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.2.

Ingevolge artikel 288 lid 2 aanhef en sub c wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling evenwel afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid (Fw), ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen.

3.5.3.

De schuld aan het CJIB is naar zijn aard als niet te goeder trouw te kwalificeren, danwel valt onder de afwijzingscategorie van artikel 288 lid 2 aanhef en sub c Fw (dat geldt voor het rijden onder invloed). Het hof acht echter wél voldoende aannemelijk dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw), op grond van het volgende.

3.5.4.

Sinds 1 januari 2021 hebben [appellant] en zijn echtgenote hulp van de huidige beschermingsbewindvoerder, mevrouw [beschermingsbewindvoerder] . Mevrouw [beschermingsbewindvoerder] heeft ter zitting van dit hof verklaard dat (de goederen van) zowel [appellant] als zijn echtgenote onder bewind staan bij haar en dat het contact met het gezin goed verloopt. [appellant] solliciteert actief en stuurt zijn sollicitatiebewijzen naar haar door. Het sparen gaat ook goed. Op 28 oktober a.s. wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van de echtgenote van [appellant] bij de rechtbank behandeld. Zij kon vanwege gezondheidsklachten niet aanwezig zijn bij de zitting van de rechtbank op 26 augustus 2025. Volgens mevrouw [beschermingsbewindvoerder] is [appellant] heel erg geschrokken van de verkeersboete wegens dronken rijden. Dat zal hij niet meer doen. [appellant] heeft zijn auto nodig voor zijn zoontje en voor zijn sollicitaties. De auto is inderdaad ongeveer € 1.000,- waard en is verzekerd. De achterliggende gedachte om de auto op naam van de schoonvader te zetten was niet om de schuldeisers te benadelen, aldus de beschermingsbewindvoerder.

Deze verklaring van de beschermingsbewindvoerder bevestigt dat de persoonlijke situatie van [appellant] zich ten goede heeft gekeerd. Daarbij betrekt het hof in de beoordeling van de hardheidsclausule dat de schuld aan het CJIB, afgezet tegen de totale schuldenlast, niet substantieel is te noemen en inmiddels is afbetaald. Het rijden onder invloed is eenmalig geweest en voorts acht het hof het aannemelijk dat het onverzekerd rijden aan de toenmalige beschermingsbewindvoerder valt toe te rekenen doordat die de premies niet had betaald. De auto van [appellant] is gezien de geringe waarde geen relevant verhaalsobject meer. Gezien deze omstandigheden concludeert het hof dat de vroegere instabiele situatie van [appellant] (en zijn gezin), waarin ook onvoldoende steun en hulpverlening aanwezig was, nu onder controle is gebracht.

3.5.

Op grond van het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toewijzen.

3.6.

Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling met ingang van 9 oktober 2025 van toepassing ten aanzien van:

[appellant] ,

wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, J.B. Smits en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.