Insolventierecht

Alsnog toewijzing in hoger beroep van verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Geen…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 oktober 2025
Datum publicatie
30 oktober 2025
Zaaknummer
200.359.198_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. B.H.S. Brinkman te Heerlen.
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3015
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Alsnog toewijzing in hoger beroep van verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Geen aanleiding voor eerdere ingangsdatum zoals bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 30 oktober 2025

Zaaknummer : 200.359.198/01

Zaaknummer eerste aanleg : NL:TZ:2500470:R-RK

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman te Heerlen.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Bij beroepschrift met producties 1 tot en met 3, ontvangen op 15 september 2025, heeft [appellante] verzocht het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 9 september 2025 met bovengenoemd zaaknummer te vernietigen en haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.

1.2.

Omdat over de goederen die aan Van Rijn toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder (mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna: de beschermingsbewindvoerder) opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Brinkman, gehoord. De beschermingsbewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het procesdossier in eerste aanleg, ontvangen op 26 september 2025;

- de namens [appellante] overgelegde brief van de beschermingsbewindvoerder van 20 oktober 2025;

- de namens [appellante] overgelegde loonstroken, ontvangen op 21 oktober 2025.

2 De procedure in eerste aanleg

2.1.1.

[appellante] heeft de rechtbank op 6 juni 2025 primair om vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a lid 1 Faillissementswet (Fw) en subsidiair om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met een eerdere ingangsdatum (1 juni 2024) verzocht.

2.1.2.

Uit de crediteurenlijst, behorende bij de verklaring ex artikel 285 Fw, blijkt een totale schuldenlast van € 24.371,26. Hiervan ziet een bedrag van € 1.082,14 op een preferente schuld en een bedrag van € 23.289,12 op concurrente schulden, waaronder een huurvordering van [crediteur] van € 17.147,91. Het minnelijke traject is mislukt, omdat [crediteur] de aangeboden minnelijke regeling heeft geweigerd.

2.2.

Bij vonnis van 9 september 2025 heeft de rechtbank zowel het primaire verzoek als het subsidiaire verzoek van [appellante] afgewezen.

Aan de afwijzing van het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft de rechtbank in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is geworden dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de schulden minder ver waren opgelopen of een hoger bedrag was gespaard om de schuldeiser aan te bieden als [appellante] niet parttime maar fulltime had gewerkt, en geoordeeld dat [appellante] in zoverre niet te goeder trouw heeft gehandeld.

Ten slotte heeft de rechtbank, ten overvloede, overwogen dat het bestedingspatroon van [appellante] twijfels oproept over haar financiële stabiliteit.

3 De beoordeling in hoger beroep

3.1.

[appellante] komt tegen voornoemd vonnis op voor zover daarbij haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen. [appellante] voert in haar beroepschrift en ter zitting het volgende aan. Er is sprake van een situatie waarbij het aannemelijk is geworden dat [appellante] haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Dit wordt ten eerste aangetoond door de substantiële bedragen op de beheerrekening en de spaarrekening van [appellante] . Daarnaast heeft [appellante] , na ontvangst van de beslissing van het UWV waarin haar een WW-uitkering werd toegekend, gesolliciteerd en is zij op sollicitatiegesprekken geweest. Zij laat hiermee zien dat zij haar verplichtingen serieus neemt en haar verantwoordelijkheid neemt. Nadat uiteindelijk bleek dat zij pas na twee maanden kon beginnen met werken bij het restaurant, heeft [appellante] zich ingespannen om op andere wijze inkomsten uit arbeid te verkrijgen. Inmiddels heeft zij een detacheringsovereenkomst gesloten met [uitzendbureau 1] en wordt zij te werk gesteld bij [BV] BV te [vestigingsplaats] (hierna: [BV] ) voor 40 uur per week. Verder komt [appellante] al geruime tijd uit met het door de bewindvoerder verstrekte leefgeld.

3.2.

De beschermingsbewindvoerder heeft het hof bij brief van 20 oktober 2025 het volgende bericht. [appellante] heeft zich actief ingezet om binnen de door de rechtbank gestelde termijn van twee weken een arbeidsovereenkomst met een nieuw te openen restaurant aan te leveren. Toen dit niet tot het gewenste resultaat leidde, heeft [appellante] ervoor gekozen om actief te solliciteren op ander werk. Dit heeft geleid tot een baan bij [BV] . Gelet op de serieuze houding van [appellante] ten aanzien van haar schulden, verzoekt de beschermingsbewindvoerder het hof met klem het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen. [appellante] is zich bewust van haar verplichtingen en toont zich bereid en in staat om deze na te komen, aldus de beschermingsbewindvoerder.

Toelatingstoets

3.3.

Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat [appellante] :

  1. niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden;

  2. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest; en

  3. de uit te schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank [appellante] met name verwijt dat zij het afgelopen jaar niet fulltime heeft gewerkt (30 uur per week), terwijl zij wel een fulltime arbeidsovereenkomst had, dat zij sinds mei 2025 niet heeft gewerkt, terwijl niet is gebleken dat zij heeft gesolliciteerd, en dat zij niet binnen de gestelde termijn een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling ter zitting dat zij een nieuwe baan had bij een restaurant voor 36 uur per week. Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is dat [appellante] de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

3.5.

In hoger beroep is echter gebleken dat [appellante] vrij snel na het aflopen van de aan haar gegeven termijn alsnog erin is geslaagd een baan te vinden. Zij heeft ter onderbouwing daarvan een detacheringsovereenkomst met [uitzendbureau 2] B.V./ [uitzendbureau 1] overgelegd. Deze detacheringsovereenkomst heeft als ingangsdatum 8 september 2025 en is in eerste instantie aangegaan voor de duur van 28 dagen. Op basis hiervan is [appellante] te werk gesteld bij [BV] . [appellante] heeft daarnaast loonstroken van [uitzendbureau 2] B.V. over de weken 37, 38, 40 en 41 van 2025 overgelegd en ter zitting heeft haar advocaat een screenshot van de loonstrook over week 39 laten zien. Uit deze loonstroken volgt dat [appellante] de meeste weken rond 39 uur heeft gewerkt, dus nagenoeg fulltime. [appellante] heeft ter zitting verklaard dat de arbeidsovereenkomst inmiddels met 28 dagen is verlengd. De loonstrook over week 41 (6 tot en met 12 oktober 2025) bevestigt ook dat [appellante] na ommekomst van de eerste 28 dagen nog steeds via het uitzendbureau werkzaam is bij [BV] . [appellante] heeft verder verklaard het op haar werk naar haar zin te hebben. Zij verwacht dat bij blijvende tevredenheid van [BV] over haar werk de detacheringsovereenkomst steeds zal worden verlengd tot maximaal een jaar en dat daarna zal worden bezien of [BV] haar rechtstreeks in dienst zal nemen.

Daarnaast blijkt uit het saldo van de spaarrekening van [appellante] (ten tijde van de mondelinge behandeling € 4.385,00) dat [appellante] goed spaart. Ook staat er een substantieel bedrag op de beheerrekening (ten tijde van de mondelinge behandeling

€ 2.114,00), waarvan de lopende kosten worden voldaan. De beschermingsbewindvoerder heeft in haar brief van 20 oktober 2025 ook aangegeven dat [appellante] haar verplichtingen goed nakomt.

Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan.

3.6.

Wellicht kan [appellante] worden verweten dat zij in het verleden niet altijd verstandige keuzes heeft gemaakt. [appellante] heeft ter zitting ook erkend dat zij wat de betaling van de huur betreft er op een gegeven moment met de pet naar heeft gegooid. Hierdoor is de aanzienlijke huurschuld van € 17.147,91, het grootste deel van de totale schuldenlast, ontstaan. Daar staat tegenover dat zij al op zeer jonge leeftijd op zichzelf was aangewezen en te kampen heeft gehad met de nodige tegenslagen, waaronder haar oogziekte. Mede gelet op wat hiervoor onder 3.5 is overwogen, is voldoende gebleken dat [appellante] met behulp van de beschermingsbewindvoerder haar leven redelijk op de rit heeft gekregen en haar bestedingspatroon nu voldoende op orde heeft. [appellante] heeft ter zitting ook een gemotiveerde houding laten zien. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellante] haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Dit geldt temeer, nu [appellante] ook daarin zal worden begeleid door de beschermingsbewindvoerder.

3.7.

Nu overige afwijzingsgronden niet zijn gebleken, kan [appellante] naar het oordeel van het hof worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.8.

Op grond van het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toewijzen. [appellante] verzoekt op grond van artikel 349a lid 1 Fw de schuldsaneringsregeling in te laten gaan op 1 juni 2024. In dat verband is namens haar ter zitting aangevoerd dat zij al vanaf die datum zoveel mogelijk heeft gespaard. Het hof kan echter niet vaststellen of dit daadwerkelijk het geval is, omdat de overgelegde afschriften van de spaarrekening van [appellante] niet verder teruggaan dan april 2025. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de schuldsaneringsregeling eerder te laten ingaan dan vanaf de dag van deze uitspraak.

3.9.

Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling met ingang van 30 oktober 2025 van toepassing ten aanzien van:

[appellante] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 en

wonende op het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] ,

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, N.W.M. van den Heuvel en T. van Malssen en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.

.