Insolventierecht
Artikel 15b en c (lid 2) Fw ; in hoger beroep omzetting faillissementen in de schuldsaneringsregeling
ECLI:NL:GHSHE:2025:3096 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3096
Zaakgegevens
Op 6 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2025
- Datum publicatie
- 6 november 2025
- Zaaknummer
- 200.358.503_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen .
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3096
Samenvatting
Artikel 15b en c (lid 2) Fw ; in hoger beroep omzetting faillissementen in de schuldsaneringsregeling
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2801Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 november 2025deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2025:3096
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 6 november 2025
Zaaknummer : 200.358.503/01
Zaaknummers eerste aanleg : [insolventienummer 1] (insolventienummer [appellant] )
[insolventienummer 2] (insolventienummer [appellante] )
in de zaak in hoger beroep van:
1 [appellant]
en
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] en [appellante] ,
advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen .
5 Het tussenarrest
In het tussenarrest van 9 oktober 2025 heeft het hof de curator de gelegenheid gegeven tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat hij heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en wat de bevindingen van dat onderzoek zijn.
6 De verdere beoordeling
De curator heeft bij brief van 15 oktober 2025 verklaard de mogelijkheden tot een akkoord te hebben onderzocht. Volgens de curator zijn die mogelijkheden er niet. Het huidige boedelsaldo is niet eens voldoende voor betaling van het salaris van de curator. Daarnaast zijn geen derden gevonden die bereid of in staat zijn om een mogelijk akkoord (voor) te financieren. De curator blijft bij zijn eerder (in eerste aanleg bij brief van 13 augustus 2025 en ter zitting van dit hof) uitgebrachte (positieve) advies om het omzettingsverzoek van [appellant] en [appellante] te ondersteunen en hen toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank heeft de omzettingsverzoeken van [appellant] en [appellante] afgewezen op de grond dat niet voldoende aannemelijk is dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden aan het CJIB in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw). De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
[appellant] en [appellante] hebben tegen dat vonnis het volgende aangevoerd.
[appellant] en [appellante] hebben een onderneming (een bloemenzaak) gehad. In dat bedrijf waren naast hen nog vier werknemers actief die gebruik maakten van de verschillende voertuigen van het bedrijf. Met deze voertuigen zijn 19 overtredingen begaan die geresulteerd hebben in de (CJIB-)verkeersboetes. Op twee boetes na betreft het allemaal snelheidsovertredingen, soms van niet meer dan 6 km/u. Het bedrijf leverde op aanvraag ook bloemen af op locatie. Hiervan werd geen planning gemaakt of bijgehouden. Als een bestelling werd gedaan, werd deze afgeleverd door degene die op dat moment aanwezig en beschikbaar was. Het is volgens [appellant] dus onmogelijk om aan te wijzen wie welke boete heeft gereden heeft. [appellant] werkte zelf ook nog in loondienst en moest daarvoor naar [plaats] . Dit deed hij op de motor. De boetes die zeker door [appellant] zelf zijn veroorzaakt, zijn die van € 79,50, € 67,50, € 65,- en € 40,- en hebben dus betrekking op zeer geringe overtredingen. De vorderingen met de nummers [nummer 1] [nummer 2] [nummer 3] [nummer 4] en [nummer 5] [nummer 2] [nummer 6] [nummer 7] hebben betrekking op snelheidsovertredingen die door [appellant] zijn begaan ná het faillissement. Ook hier betreft het overschrijdingen van nog geen 6 km/u per uur. Deze vorderingen (na datum faillissement) zijn voldaan, omdat deze niet ter verificatie aangemeld kunnen worden in het faillissement. De meest recente overtredingen zijn gepleegd met een auto van uiterst beperkte waarde. [appellant] heeft goed opgelet dat hij geen overtredingen meer beging en werd toch tweemaal met boetes geconfronteerd. Na controle van de auto bleek dat de snelheidsmeter niet goed functioneerde. Dit is inmiddels (door de zoon van [appellant] en [appellante] ) gerepareerd, waarna geen overtredingen meer zijn begaan.
Ter zitting voeren appellanten aan dat in ieder geval op [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing kan worden verklaard, omdat zij geen enkele CJIB-boete op haar naam heeft staan (zij verwijzen naar productie 12 bij het beroepschrift).
Subsidiair doen [appellant] en [appellante] een beroep op de hardheidsclausule.
Zij hebben geen werknemers meer in dienst die overtredingen kunnen begaan die aan hen kunnen worden toegerekend. Zij zijn doordrongen van het feit dat ook geringe verkeersovertredingen niet kunnen en doen er alles aan om deze niet meer te begaan. Dat blijkt ook uit de inspanning die gepleegd is om de oude auto tijdens het rijden de juiste snelheid te laten aangeven, zodat geen snelheidsovertredingen meer worden begaan. Er zijn daarna ook geen overtredingen meer gepleegd.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.
Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Nu [appellante] geen enkele CJIB-schuld heeft (gehad), is het hof van oordeel dat voor haar niets aan een toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
Voor [appellant] ligt dat anders. Met betrekking tot de (openstaande) CJIB-schulden, die reeds naar hun aard niet te goeder trouw zijn, zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep diverse overzichten overgelegd: een overzicht van 10 februari 2025 (bijlage 10 bij het omzettingsverzoek eerste aanleg), een overzicht van 12 juni 2025 (productie 6 bij het beroepschrift), een overzicht van 21 augustus 2025 (productie 10 bij het beroepschrift) en een ongedateerd overzicht van betalingen (productie 11 bij het beroepschrift). Ondanks de nadere toelichting van [appellant] ter zitting, is voor het hof nog steeds niet duidelijk wie welke snelheidsovertredingen heeft begaan ( [appellant] zelf of iemand van het toenmalige personeel) en of de data betrekking hebben op het tijdstip van de overtreding of op het tijdstip van de boeteoplegging. Wel blijkt uit de diverse overzichten dat [appellant] zowel voor als na het faillissement met zijn motor verkeersovertredingen heeft begaan, zelfs méér dan door hem aangevoerd. De boetes van datum na faillissement zijn er in ieder geval 5, maar mogelijk ook 7. Alleen die boetes zijn voldaan. De boetes van datum voor faillissement (uit 2024) zijn niet betaald. Het hof is dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.
Het hof acht echter wel voldoende aannemelijk dat [appellant] (en [appellante] ) de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft (hebben) gekregen. De thans nog openstaande schuld aan het CJIB is gering, mede gelet op de totale schuldenlast (die volgens de curator ongeveer
€ 80.000,- bedraagt). [appellant] en [appellante] hebben sinds 14 januari 2024 hulp van de beschermingsbewindvoerder. Zowel deze beschermingsbewindvoerder als de curator hebben ter zitting verklaard dat [appellant] hard werkt en zich optimaal inspant om geld voor de crediteuren te verdienen. Volgens de curator voldoen [appellant] en [appellante] aan de spaarverplichtingen in de faillissementen en sparen zij op dit moment zelfs € 1.000,- per maand. De curator ondersteunt het omzettingsverzoek. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof reden om de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw toe te passen en, naast [appellante] , ook [appellant] toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
Op grond van het voorgaande zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd en zal het verzoek van [appellant] en [appellante] tot het opheffen van hun faillissementen onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsnog worden toegewezen.
Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.
7 De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van 19 augustus 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg,
en opnieuw rechtdoende:
heft op het op 14 januari 2025 ten aanzien van [appellant] uitgesproken faillissement;
heft op het op 28 januari 2025 ten aanzien van [appellante] uitgesproken faillissement;
verstaat dat de rechtbank de faillissementskosten vaststelt;
verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:
[appellant]
en
[appellante] ,
beiden wonende aan [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, kennis geeft van deze uitspraak in verband met de opheffing van de faillissementen en de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.