Ondernemingsrecht
Artikel 2:9 BW, artikel 2:11 BW Bestuurdersaansprakelijkheid; uitbetalen van bestuurdersbeloning zonder dat…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 maart 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:865 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/ondernemingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-865
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 31 maart 2026
- Zaaknummer
- 200.347.713_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.C. van Schaick te Tilburg, mr. F.H.C. Aarts te Heerlen
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:865
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 2:9 BW, artikel 2:11 BW
Bestuurdersaansprakelijkheid; uitbetalen van bestuurdersbeloning zonder dat een op grond van de statuten van de rechtspersoon noodzakelijk besluit van de AVA tot vaststelling van de hoogte van de bezoldiging voorhanden is.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.713/01
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
1 [X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [Y] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
verweersters in het incident,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [X en Y]
en afzonderlijk als [X] en [Y] ,
advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [vestigingsplaats] (Duitsland),
3. [geïntimeerde 3],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonende te [vestigingsplaats] (Zwitserland),
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
eisers in het incident (appellanten 2 en 4),
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] ,
en afzonderlijk als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ,
advocaat: mr. F.H.C. Aarts te Heerlen,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 augustus 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [X en Y] als eiseressen in conventie, verweersters in (voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/390532 / HA ZA 23-134)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
de memorie van grieven, tevens wijziging van eis, met een productie;
-
de memorie van antwoord, tevens exceptie van onbevoegdheid, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens wijziging/vermeerdering van eis, met producties;
-
de memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident;
-
het arrest in incident van 17 juni 2025;
-
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties;
-
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
-
de bij H 12 formulier van 21 januari 2026 door [X en Y] toegezonden productie 20, die bij de mondelinge behandeling aan de processtukken is toegevoegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De beoordeling
In principaal en incidenteel hoger beroep
De vaststaande feiten in deze procedure
De rechtbank heeft in overweging 2.1. tot en met 2.23. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor de beoordeling relevant achtte. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht. In dit hoger beroep kan daarom van deze feiten worden uitgegaan. Aangevuld met een enkel ander tussen partijen vaststaand feit gaat het in dit hoger beroep om de volgende vaststaande feiten.
[geïntimeerde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [geïntimeerde 1] . Hij handelt tevens onder de naam van zijn eenmanszaak [eenmanszaak geïnt. 1] (hierna: [eenmanszaak geïnt. 1] ). [persoon A ] (hierna: [persoon A ] ) is bestuurder en aandeelhouder van [Z] B.V. (hierna: [Z] ). [geïntimeerde 4] is bestuurder en enig aandeelhouder van [geïntimeerde 3] . Hij handelt tevens onder de naam van zijn eenmanszaak [X management] (hierna: [X management] ).
[Y] is opgericht in 2011. Aandeelhouder van [Y] was toen [Y GmbH] waarin [geïntimeerde 2] en [persoon A ] de aandelen hielden. [Y] drijft een onderneming die zich bezighoudt met het aanbieden van exclusieve natuurvoedingssupplementen via een online webshop die met name gericht is op de Europese markt. Deze supplementen zijn afkomstig van een vennootschap naar Canadees recht, [X concept Inc.] . (hierna: [X concept Inc.] ). [X concept Inc.] is ontwikkelaar en producent van deze supplementen, waaronder het product LTO3. Op basis van een exclusieve distributieovereenkomst met [X concept Inc.] verkoopt [Y] in meerdere Europese landen het product LT03.
[X] is op 2 juli 2015 opgericht door [Z] en [geïntimeerde 1] . [Z] en [geïntimeerde 1] hielden vanaf de oprichting ieder 50% van de aandelen in [X] . Zij waren ook bestuurder van [X] . [X] heeft de aandelen van [Y GmbH] in [Y] overgenomen en is sinds 29 juli 2015 bestuurder en aandeelhouder van [Y] . [X concept Inc.] houdt sinds 17 december 2015 5% van de aandelen in [Y] en [X] 95%.
[geïntimeerde 4] verrichtte sedert 2015 werkzaamheden voor [Y] . Op 30 december 2016 is [geïntimeerde 3] als aandeelhouder in [X] toegetreden. Vanaf die datum houden [Z] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] respectievelijk 40%, 40% en 20% van de aandelen in [X] . Zij waren allen ook bestuurder van [X] en als zodanig gezamenlijk bevoegd om [X] te vertegenwoordigen.
Tussen [X] en respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [Z] bestond een (mondelinge) managementovereenkomst, een overeenkomst van opdracht, op grond waarvan laatstgenoemden werkzaamheden als bestuurder van [X] verrichtten. De werkzaamheden werden feitelijk uitgevoerd door [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en [persoon A ] . In artikel 16.9 van de statuten van [X] is opgenomen dat de bezoldiging en de verdere arbeidsvoorwaarden voor iedere bestuurder afzonderlijk worden vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA). Eenzelfde bepaling is opgenomen in artikel 14.5 van de statuten van [Y] .
[persoon A ] is in de periode 2015-2016 gedurende 15 maanden ziek geweest hetgeen van invloed op zijn inzet ten behoeve van [X] is geweest.
[Z] is in een AVA van [X] van 13 juni 2017 ontslagen als bestuurder van [X] . [Z] heeft zich tegen het besluit van de AVA verzet.
Op 29 september 2017 heeft [Z] een enquêteverzoek ingediend bij de
Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) en daarbij tevens onmiddellijke voorzieningen gevraagd. In haar beschikking van 6 april 2018 heeft de OK een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken in [X] en [Y] . Tegelijkertijd zijn alle bestuurders van [X] ( [Z] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] ) geschorst voor de duur van het geding.
In haar beschikking van 10 april 2018 heeft de OK [persoon B] (hierna: [persoon B] ) als onderzoeker benoemd. Ook heeft zij [persoon C] (hierna: [persoon C] ) als tijdelijk bestuurder van [X] benoemd.
Op 17 april 2019 hebben [X en Y] met [Z] en [X consulting] ( [X consulting] ) een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de VSO) waarbij deze partijen hebben vastgesteld dat het besluit betreffende het ontslag van [Z] nietig is en waarbij zij zijn overeengekomen dat [Z] met ingang van 1 januari 2019 vrijwillig aftreedt als statutair bestuurder van [X] . Op grond van de VSO is aan [Z] een vergoeding betaald.
Bij beschikking van 16 december 2019 heeft de OK geoordeeld dat uit het
onderzoeksverslag van [persoon B] blijkt van wanbeleid bij [X] en [Y] door het bestuur, bestaande uit [Z] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . De OK heeft bij wijze van voorlopige voorziening een commissaris bij [X en Y] benoemd (vooralsnog voor een periode van twee jaar) en de bij beschikking van 6 april 2018 getroffen onmiddellijke voorzieningen beëindigd. Op 17 december 2019 is J.G. [persoon E] (hierna: [persoon E] ) door de OK aangewezen als commissaris van [X en Y]
Bij beschikking van 22 juni 2020 heeft de OK de besluiten van de AVA van [X]
van 4 februari 2020 en 10 maart 2020 vernietigd ten aanzien van de vaststelling van budgetten inzake de vergoeding van door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] , respectievelijk
[eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management te verrichten management- en operationele werkzaamheden. Voorts heeft de [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aangewezen als tijdelijk beheerder van de aandelen van [X] .
[persoon E] heeft het adviesbureau [adviesbureau X] (hierna: [adviesbureau X] ) ingeschakeld om te adviseren over de bezoldiging van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [adviesbureau X] heeft op 22 augustus 2020 geoordeeld dat een totale beloning van € 141.800,00 per jaar voor de functie van statutair bestuurder als marktconform moet worden beschouwd. Onder totale beloning verstaat [adviesbureau X] een optelsom van alle in geld uitdrukbare arbeidsvoorwaarden, zoals salaris, variabele beloning, vakantiegeld, pensioenbijdrage van de werkgever et cetera, waarbij irrelevant is of deze beloningen worden uitgekeerd in loondienst of via vennootschappen.
Bij beschikking van 2 december 2020 heeft de OK [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] ontslagen als bestuurders van [X] vanwege voortgezet wanbeleid en heeft zij [persoon E] voor de duur van twee jaar benoemd als bestuurder van [X] , waarbij zijn benoeming als commissaris is beëindigd.
In diezelfde beschikking heeft de OK de besluiten van de AVA van [Y] van
23 juli 2020 over de beloning van [eenmanszaak geïnt. 1] , de betaling van € 108.000,00 aan [eenmanszaak geïnt. 1]
en de vaststelling van de beloning van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] voor operationele
adviesdiensten vernietigd, voor zover deze besluiten niet nietig zijn vanwege het ontbreken
van voorafgaande goedkeuring door de AVA van [X] . Ook heeft de OK overwogen dat het [persoon E] vrijstaat om ten behoeve van de operationele werkzaamheden met betrekking tot de onderneming (vennootschappen van) [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 4] en/of [persoon A ] in te schakelen indien met hen overeenstemming kan worden bereikt over de daarbij in acht te nemen voorwaarden waaronder de voor die werkzaamheden verschuldigde vergoeding.
Op 6 oktober 2021 heeft [persoon E] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] tevergeefs gesommeerd
tot terugbetaling van een bedrag van € 108.000,00 dat aan [eenmanszaak geïnt. 1] was overgeboekt op
23 juli 2020.
Bij beschikking van 23 december 2021 is de OK tot de conclusie gekomen dat de
verhoudingen tussen [Z] en haar mede aandeelhouders duurzaam zijn ontwricht en dat
het in de rede ligt om te komen tot een ontvlechting tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3]
enerzijds en [Z] anderzijds door middel van ontbinding en vereffening van [X] .
Het verzoek van [persoon E] om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk te veroordelen tot
betaling van € 108.000,00 aan [Y] heeft de OK afgewezen op de grond dat [eenmanszaak geïnt. 1] geen partij in de OK-procedure is.
Op 15 februari 2022 heeft [persoon E] namens [X en Y] (terug-)betaling gevorderd
van een bedrag van € 437.410,00 van [geïntimeerde 1] en [eenmanszaak geïnt. 1] en van een bedrag van € 399.990,12 van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] Management. Het betreffen - volgens [persoon E] -
onverschuldigd door [X] dan wel [Y] verrichte betalingen ter zake management- en consultancywerkzaamheden ten behoeve van [X en Y] over de periode 2017 tot en met 2020. Aan deze sommaties is geen gevolg gegeven.
Bij beschikking van 23 mei 2022 heeft de OK [persoon E] ontheven uit zijn functie van
bestuurder en [persoon F] (Hierna: [persoon F] ) aangewezen tot (opvolgend) bestuurder van
[X] .
Bij exploot van 9 augustus 2022 heeft [persoon F] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] gesommeerd
tot terugbetaling van in totaal een bedrag van € 945.400,20. Ook aan deze sommatie is geen gevolg gegeven.
Nadat de voorzieningenrechter bij vonnis van 23 november 2022 de vordering tot betaling van voormeld bedrag had afgewezen, hebben [X en Y] deze bodemprocedure aanhangig gemaakt.
Bij beschikking van 23 november 2023 heeft de OK de aanstelling van [persoon D] tot
beheerder van de aandelen van [X] en de aanstelling van [persoon F] tot bestuurder van
[X] verlengd tot 31 december 2025.
Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de OK onder andere beslist tot ontbinding van [X] , onder de opschortende voorwaarde van de uitvoering van de voorgenomen aandelenoverdrachten zoals vastgelegd in de ondertekende overeenkomsten die als bijlage 5 en 6 bij het verzoekschrift van [X] en [Y] van 10 oktober 2025 zijn overgelegd, per het moment van passeren van de leveringsakte waarmee alle aandelen in [Y] worden overgedragen door [X] aan [Z] , zoals voorzien in de genoemde bijlage 6, met dien verstande dat de ontbinding niet eerder zal ingaan dan de datum waarop de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. [persoon F] is benoemd als vereffenaar vanaf het moment dat de ontbinding is ingetreden.
De procedure in eerste aanleg bij de rechtbank
In deze procedure vorderden [X en Y] (in conventie) - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 411.395.07 aan [X] en
€ 534.005,13 aan [Y] met wettelijke rente vanaf de datum van de onttrekkingen;
b) [geïntimeerde 1] te veroordelen om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder a
genoemde bedragen een bedrag van € 205.810,08 aan [X] terug te betalen en een
bedrag van € 339,600 aan [Y] vermeerderd met wettelijke rente;
c) [geïntimeerde 2] te veroordelen om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder b
genoemde bedragen een bedrag van € 71.200,00 terug te betalen aan [X] en een bedrag
van € 339.600,00 terug te betalen aan [Y] vermeerderd met wettelijke rente;
d) [geïntimeerde 3] te veroordelen om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder a
genoemde bedragen een bedrag van € 205.584,99 terug te betalen aan [X] en een
bedrag van € 194.405,13 aan [Y] vermeerderd met wettelijke rente;
e) [geïntimeerde 4] te veroordelen om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder d
genoemde bedragen een bedrag van € 54.200,00 terug te betalen aan [X] en een bedrag
van € 194.405,13 aan [Y] vermeerderd met wettelijke rente;
f) [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten.
Aan deze vordering hebben [X en Y] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Tussen de aandeelhouders en (gewezen) bestuurders van [X en Y] zijn geschillen
ontstaan die hebben geleid tot verschillende procedures bij de OK. Uit de beschikkingen van
de OK blijkt dat er betalingen aan (dan wel ten behoeve van) [geïntimeerden] zijn verricht ter
zake management- en consultancy werkzaamheden, waarvoor geen rechtsgrond bestond;
ofwel omdat er géén besluit van de AVA van [X en Y] aan de betalingen ten grondslag
lag, ofwel omdat het desbetreffende besluit nietig was of door de OK is vernietigd. Al de beslissingen in deze beschikkingen hebben ten aanzien van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] gezag van gewijsde. Nu aan de betalingen nimmer een rechtsgeldig besluit ten grondslag heeft gelegen, is al hetgeen gepresteerd is onverschuldigd betaald en dient dit terugbetaald te worden.
Voor de omvang van haar vorderingen verwijzen [X en Y] naar het door hen als productie 9 in eerste aanleg bij conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie overgelegde overzicht, waarin drie periodes zijn te onderscheiden. [X en Y] vorderen, op grond van onverschuldigde betaling, terugbetaling door [geïntimeerden] van alle betalingen die zijn gedaan ten titel van bestuurdersvergoeding, voor zover deze het bedrag van € 8.000,00 per maand per bestuurder te boven gaan. [X en Y] betrekken dit bedrag van € 8.000,00 per maand niet bij de vorderingen omdat zij dit zien als een redelijke tegenprestatie voor de werkzaamheden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] ten behoeve van [X en Y] hebben verricht.
Voorts vorderen [X en Y] ook alle verrichte betalingen ter zake van directievoering en kosten van eigen rechtsbijstand terug van [geïntimeerden] De OK heeft ten aanzien van deze betalingen overwogen dat deze materieel zijn te beschouwen als bezoldiging in de zin van de statuten van [X] en [Y] en dat alleen de AVA’s van [X] en [Y] bevoegd zijn de omvang daarvan vast te stellen.
Dat er betalingen feitelijk zijn gedaan aan de eenmanszaken van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] , [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management, doet niet af aan het feit dat het hier gaat om betalingen als beloning voor de bestuurders [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Ook deze betalingen dienen door [geïntimeerden] . als onverschuldigd gedaan, te worden terugbetaald. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben het er als bestuurder van [X] en (indirect van) [Y] toe geleid dat zonder rechtsgrond in de perioden 1 tot en met 3 betalingen van meer dan € 8.000,00 per maand zijn gedaan aan hun respectieve eenmanszaken, terwijl die geen contractuele relatie hadden met [X] en/of [Y] .
Daarnaast stellen [X en Y] zich op het standpunt dat de (terug)betalingsverplichting (ook)
volgt uit artikel 2:9 BW. De OK heeft met gezag van gewijsde vastgesteld in haar beschikking van 16 december 2019 dat sprake is van ‘collectief wanbeleid’ van het bestuur van [X en Y] Daarmee staat vast dat er sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Hen valt ter zake van de wijze van hun taakvervulling persoonlijk een ernstig verwijt te maken. De onttrekkingen zijn tevens aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [X en Y]
[geïntimeerden] vorderden (in (voorwaardelijke) reconventie) - samengevat - indien zij in conventie zouden worden veroordeeld tot terugbetalingen:
a. a) bepaling door de rechtbank van het gebruikelijke dan wel redelijke loon per maand (ex
artikel 7:405 lid 2 BW) voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 maart 2018 en de
periode van 2 januari 2020 tot en met 1 december 2020, met dien verstande dat dit wordt
gesteld op € 11.816,66 per maand voor de bestuurderswerkzaamheden conform het
[adviesbureau X] -rapport, vermeerderd met een redelijk loon voor operationele werkzaamheden
die niet waren inbegrepen in het [adviesbureau X] -rapport;
b) veroordeling van [X en Y] tot betaling van dit loon aan [geïntimeerden] onder verrekening met hetgeen reeds aan [geïntimeerden] is betaald;
c) bepaling door de rechtbank van het gebruikelijke c.q. redelijke loon (ex artikel 7:405 lid 2
BW) voor de periode van anderhalf jaar voor 1 januari 2017 waarin [geïntimeerde 1]
werkzaamheden voor [X] heeft verricht, inclusief het werk van [Z] , in dier voege
dat dat primair bepaald wordt op € 108.000,00 en subsidiair op het bedrag van een redelijk
loon;
d) veroordeling van [X] tot betaling van het loon onder c aan [geïntimeerde 1] ;
e) veroordeling van [X en Y] in de proceskosten.
Aan deze vordering hebben [geïntimeerden] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
[geïntimeerden] hebben recht en belang bij de vaststelling door de rechtbank van het gevorderde redelijke loon ex artikel 7:405 BW over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 maart 2018 en 2 januari 2020 tot en met 1 december 2020 en de veroordeling van [X en Y] tot betaling van dit loon. Dit redelijke loon dient ook bepaald te worden voor de periode van anderhalf jaar voor 1 januari 2017 waarin [geïntimeerde 1] ook het bestuurderswerk en operationele werk van [Z] heeft verricht. Dit loon dient primair te worden bepaald op een bedrag van € 108.000,00 zoals [geïntimeerde 1] en [Z] reeds waren overeengekomen, subsidiair op een bedrag van het redelijke loon.
Zowel [X en Y] als [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen elkaars vordering. Die verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
In het bestreden eindvonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank als volgt op de vorderingen van [X en Y] en [geïntimeerden] beslist.
In conventie:
veroordeelt [eenmanszaak geïnt. 1] om aan [Y] te betalen een bedrag van € 108.250,10
vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2022 tot aan de
dag van voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde 1] om aan [X] te betalen een bedrag van € 41.718,77
vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2022 tot aan de
dag van voldoening;
veroordeelt [eenmanszaak geïnt. 1] om aan [X] te betalen een bedrag van € 91.782,03 vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2022 tot aan de
dag van voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde 3] om aan [X] te betalen een bedrag van € 42.560,03
vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2022 tot aan de
dag van voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde 4] Management om aan [X] te betalen een bedrag van € 47.652,05
vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 augustus 2022 tot aan de
dag van voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van € 11.751,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel
6:119 BW over de proceskosten (inclusief nakosten) als deze niet binnen veertien dagen na
aanschrijving zijn betaald;
In reconventie:
bepaalt het redelijke loon per maand ex artikel 7:405 lid 2 BW voor de periode 1 januari
2017 tot en met 30 maart 2018 en de periode van 2 januari 2020 tot en met 1 december 2020
op een bedrag van € 11.816,66 per maand per bestuurder voor de bestuurderswerkzaamheden, inclusief de operationele werkzaamheden (van [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 3] );
compenseert de proceskosten van partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten
draagt;
In conventie en in reconventie:
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aan deze beslissingen heeft de rechtbank, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
- Vast staat dat de betalingen van [X en Y] aan [geïntimeerden] in de perioden 1 en 3
bestuurdersbezoldigingen en onkostenvergoedingen betroffen. Ook staat vast dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] , nadat [Z] op 13 juni 2017 als bestuurder was ontslagen, in strijd met de
statuten aanzienlijke verhogingen van hun maandelijkse vergoedingen van gemiddeld
€ 8.000.00 naar zo'n € 13.000,00 à € 14.000,00 per maand hebben doorgevoerd zonder dat
de AVA daartoe had besloten (zie punt 4.6. onder (iii) van de OK beslissing van 16 december 2019). Dit is in strijd met artikel 16.9 van de statuten van [X] .
- Het ontbreken van een bezoldigingsbesluit van de AVA, terwijl dit wel nodig was, maakt deze betalingen in beginsel onverschuldigd, tenzij er een grondslag voor de betalingen is gelegen in een redelijk loon boven de € 8.000,00 per maand, waarvan [X en Y] zelf stellen dat dit bedrag akkoord is (rov. 4.8.).
- Tussen partijen staat niet ter discussie dat de beslissing van de OK dat er geen rechtsgeldig AVA-besluit omtrent de bezoldigingen is geweest, (alleen) ten aanzien van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] gezag van gewijsde heeft (rov. 4.9.).
- De rechtbank is van oordeel dat [X en Y] met de VSO met [Z] geen afstand van recht jegens [geïntimeerden] heeft gedaan en dat er ook geen sprake is van rechtsverwerking (rov. 4.11.).
* Periode 1: de periode voor de schorsing door de OK van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als
bestuurder van [X en Y] (de periode tot 6 april 2018):
- De rechtbank oordeelt dat voor deze periode geldt dat de redelijkheid en billijkheid zich niet tegen toekenning van een bestuurdersbeloning verzetten, mits de bestuurdersbeloning niet duidelijk de maatstaf van artikel 7:405 lid 2 BW overtreft (rov. 4.16.). Anderzijds is er ook geen reden om het redelijke loon vast te stellen op een lager bedrag dan € 141.800.00 per jaar (€ 11.816,66 per maand). Daarvoor hebben [X en Y] te weinig gesteld. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag wat een redelijk loon is, het advies van [adviesbureau X] volgt (rov. 4.22.).
- Reiskosten betaald aan [geïntimeerde 4] Management van € 343,23 zijn niet te duiden als bezoldiging als bedoeld in de statuten en niet onverschuldigd betaald (rov. 4.25.).
* Periode 2: de periode dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geschorst waren als bestuurder en
[persoon C] als bestuurder van [X] optrad:
- De rechtbank oordeelt dat het [persoon C] op grond van de beslissing van de OK van 6 april 2018 vrijstond om [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] bij de bedrijfsvoering te (blijven) betrekken op de door hem te bepalen, daaraan te stellen voorwaarden, kennelijk op grond van een overeenkomst met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Daarbij is niet relevant dat er is betaald aan de consultancy vennootschappen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] , voor werkzaamheden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Gebleken is dat de bestuurder van [X en Y] daarmee heeft ingestemd. Hieruit volgt ook dat het aan [persoon C] was om de hoogte van de bezoldiging of beloning van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] te bepalen. Dat deze beloning via de rechtspersoon plaatsvond, maakt dit niet anders. De betalingen die in deze periode aan [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management zijn verricht, betreffen geen bestuurdersbezoldigingen, nu [geïntimeerde 1] noch [geïntimeerde 3] op dat moment bestuurder van [X] waren. De rechtbank onderschrijft het standpunt van [geïntimeerden] dat voor deze bezoldigingsbeslissingen van [persoon C] geen AVA-beslissingen nodig waren (rov. 4.29.). De door [X en Y] gevorderde bedragen van € 150.000,00 respectievelijk € 139.500.00 zijn niet onverschuldigd betaald (rov. 4.31.).
* Periode 3: de periode na de schorsing, toen [persoon E] als commissaris was benoemd en
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] weer als bestuurders van [X en Y] optraden, tot aan hun ontslag
als bestuurder van [X en Y] door de OK op 2 december 2020:
- Periode 3 is vergelijkbaar met periode 1, in die zin dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] (weer) als bestuurders van [X] optraden, zonder dat er een rechtsgeldig besluit door de AVA was genomen over hun bestuurdersbezoldiging. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 4.15. tot en met 4.22. oordeelt de rechtbank dat de bestuurdersvergoedingen, voor zover deze een bedrag van € 11.816,66 per maand te boven gaan, onverschuldigd zijn betaald (rov . 4.36.)
- De reiskosten, juridische kosten, de vertaalkosten en de niet gespecificeerde kosten vallen niet onder bezoldiging en zijn niet onverschuldigd betaald (rov. 4.39. en 4.40.)
* Betaling van € 108.000,00 aan [eenmanszaak geïnt. 1] . Compensatievergoeding of management fee
vanwege ziekte [persoon A ] .
- Uit de beschikking van de OK van 23 december 2021 (rov. 3.17.) leidt de rechtbank af dat aan de betaling van € 108.000,00 een besluit van de AVA van [Y] van 23 juli 2020 ten grondslag ligt, welk besluit door de OK in zijn beschikking van 2 december 2020 is vernietigd. Op grond van artikel 2:16 BW is de uitspraak echter voor een ieder bindend, ook voor niet bij de procedure betrokken partijen, nu de OK een besluit van de AVA van [Y] heeft vernietigd en deze vennootschap partij in het geding is geweest. [geïntimeerde 1] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de door haar ontvangen beloning (die zij naar eigen zeggen kreeg op basis van functie en niet op basis van tijdsbesteding) niet genoeg was en dit geen redelijke beloning was voor het geheel aan werkzaamheden die zij in de bewuste periode heeft verricht. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de betaling van [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] van € 108.000,00 onverschuldigd is verricht (rov. 4.43.-4.45.).
* Overigens ten aanzien van de grondslag van de vorderingen van [X en Y] :
- [X en Y] leggen aan de vorderingen tevens ten grondslag dat er sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] (artikel 2:9 BW) en dat de
onttrekkingen zijn aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [X en Y] Zoals hiervoor is overwogen is een aantal door [X en Y] aan [geïntimeerden] betaalde
bestuurdersvergoedingen onverschuldigd betaald, zodat de rechtbank aan deze grondslag niet
toekomt. Voor zover de bestuurdersvergoedingen (en overige vergoedingen) niet
onverschuldigd zijn betaald, is er een grondslag voor deze betalingen, zoals de betaling van
een redelijk loon op grond van artikel 7:405 lid 2 BW. De gestelde onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerden] (hetgeen door [geïntimeerden] overigens gemotiveerd wordt betwist), doet hier niet aan af (rov. 4.46.).
De procedure in hoger beroep bij het hof
[X en Y] hebben in principaal hoger beroep acht grieven aangevoerd en de eis gewijzigd en vermeerderd in die zin dat de vorderingen van [X en Y] als geformuleerd in het petitum onder 1a tot en met 1e als volgt worden gelezen:
a. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] moeten, uit hoofde van onrechtmatige daad, hoofdelijk worden veroordeeld om een bedrag van € 427.395,07 te betalen aan [X] en een bedrag van € 534.005,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de onttrekkingen tot de dag der algehele voldoening, en daarnaast
b. moet [geïntimeerde 1] worden veroordeeld om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder a genoemde bedragen een bedrag van € 213.810,08 aan [X] terug te betalen en een bedrag van € 339.600,00 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van deze betalingen tot de dag der algehele voldoening;
en
c. moet [geïntimeerde 2] worden veroordeeld om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder b genoemde bedragen een bedrag van € 79.200,00 terug te betalen aan [X] en een bedrag van € 339.600,00 terug te betalen aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van deze betalingen tot de dag der algehele voldoening;
en
d. moet [geïntimeerde 3] worden veroordeeld om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder a genoemde bedragen een bedrag van € 213.584,99 terug te betalen aan [X] en een bedrag van € 194.405,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf de datum van ontvangst van deze betalingen tot de dag der algehele voldoening;
en
e. moet [geïntimeerde 4] worden veroordeeld om, uit hoofde van onverschuldigde betaling, van de onder d genoemde bedragen een bedrag van € 62.200,00 terug te betalen aan [X] en een bedrag van € 194.405,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van deze betalingen tot de dag der algehele voldoening.
[X en Y] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van de gewijzigde vordering. De wijziging bestaat daarin dat de grondslag onrechtmatige daad nadrukkelijk is vermeld en dat een bedrag van € 16.000,00 meer wordt gevorderd dan in eerste aanleg (€ 945.400,20), doordat [X en Y] toen over het hoofd hebben gezien dat er over december 2020 geen aanspraak op enige vergoeding kan worden gemaakt.
[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep vijf grieven aangevoerd en de eis gewijzigd in die zin dat de eis als volgt komt te luiden:
In voorwaardelijke reconventie:
Ten aanzien van [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management:
Voor de periode tot 11 maart 2020:
1. Voor zoveel enige vordering van [Y] jegens [eenmanszaak geïnt. 1] en/of [geïntimeerde 4] management zou worden toegewezen, voor de geleverde prestatie het op de gebruikelijke wijze berekende loon, dan wel een redelijk loon, zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW te bepalen, met veroordeling van [Y] tot betaling van dit bedrag aan [eenmanszaak geïnt. 1] respectievelijk [geïntimeerde 4] Management;
Voor de periode vanaf 12 maart 2020:
2. Voor zoveel enige vordering van [X] jegens [eenmanszaak geïnt. 1] en/of [geïntimeerde 4] management zou worden toegewezen, voor de geleverde prestatie het op de gebruikelijke wijze berekende loon, dan wel een redelijk loon, zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW te bepalen, met veroordeling van [X] en/of [Y] tot betaling van dit bedrag aan [eenmanszaak geïnt. 1] respectievelijk [geïntimeerde 4] Management;
In reconventie
Ten aanzien van [geïntimeerde 1] :
3. [X] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 1] van het op de gebruikelijke wijze berekende loon dan wel het redelijke loon, zoals bedoeld in 7:405 lid 2 BW, zulks voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 maart 2018, voor de periode 1 april 2018 t/m 1 januari 2020 en voor de periode 2 januari 2020 t/m 1 december 2020, in dier voege dat het gebruikelijk loon wordt gesteld op € 11.816,66 per maand, conform het Berenschotrapport, waarbij voor die laatste periode geldt dat daarop in mindering kan worden gebracht het bedrag van € 84.000,00, zijnde de reeds ontvangen bestuurdersvergoeding;
Ten aanzien van [geïntimeerde 3] :
4. [X] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 3] van het op de gebruikelijke wijze berekende loon dan wel het redelijke loon, zoals bedoeld in 7:405 lid 2 BW, zulks voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 maart 2018, voor de periode 1 april 2018 t/m 1 januari 2020 en voor de periode 2 januari 2020 t/m 1 december 2020, in dier voege dat het gebruikelijk loon wordt gesteld op € 11.816,66 per maand, conform het [adviesbureau X rapport] , waarbij voor die laatste periode geldt dat daarop in mindering kan worden gebracht het bedrag van € 84.000,00, zijnde de reeds ontvangen bestuurdersvergoeding;
Ten aanzien [geïntimeerde 1] of [eenmanszaak geïnt. 1] terzake de Kompensationsausfall van € 108.000,00:
5. [X] of [Y] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 1] of [eenmanszaak geïnt. 1] van het bedrag van € 108.000,00; subsidiair voor de geleverde prestatie het op gebruikelijke wijze berekende loon dan wel een redelijk loon te bepalen, op de voet van artikel 7:405 lid 2 BW, met bepaling dat [geïntimeerde 1] zich mag verhalen op het terzake reeds door [Y] aan [eenmanszaak geïnt. 1] voldane bedrag.
De wijziging van eis is door [geïntimeerden] als volgt toegelicht. In eerste aanleg is in de processtukken duidelijk onderscheid gemaakt tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] enerzijds en [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management anderzijds. In de destijds geformuleerde reconventionele eis is dat onderscheid minder duidelijk. [geïntimeerde 1] in [geïntimeerde 3] hebben in 2020 een bedrag van € 84.000,00 aan bestuurdersvergoeding ontvangen. Het bedrag voor [geïntimeerde 3] lijkt hoger, maar het tabblad 4 bevat twee “vervuilingen” van facturen die zien op vergoeding voor in 2016 geleverde diensten, namelijk factuur 202001-2 ter hoogte van € 3.600,00 exclusief BTW en factuur 202001-3 ter hoogte van € 13.200,00 exclusief BTW.
De bevoegdheid van het hof en het toepasselijke materiele recht
Het hof constateert dat het hof in het arrest in incident gemotiveerd heeft beslist over de bevoegdheid van het hof om zowel van de vorderingen tegen de in Nederland gevestigde partijen als die tegen de in een ander EU-land woonplaats hebbende partijen. Het hof is aldus bevoegd in deze zaak. Het hof constateert voorts dat partijen geen grief hebben gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat het geschil tussen partijen dient te worden beoordeeld naar Nederlands recht. Ook het hof zal het geschil beoordelen naar Nederlands recht.
De wijzigingen van eis van partijen
Het hof constateert dat partijen geen processuele bezwaren tegen de wederzijdse wijzigingen van eis hebben aangevoerd. Het hof acht de wijzigingen ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde, zodat recht wordt gedaan op de gewijzigde vorderingen.
De kern van het debat tussen partijen in hoger beroep op grond van hun grieven
Het debat tussen partijen in hoger beroep laat zich op grond van de wederzijdse grieven als volgt samenvatten.
[X en Y] betogen dat [geïntimeerden] primair op grond van artikel 2:9 BW jo 2:11 BW hoofdelijk dienen te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 427.395,07 aan [X] en een bedrag van € 534.005,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de betalingen. Zij leggen hieraan ten grondslag dat de OK met gezag van gewijsde heeft beslist dat sprake is van wanbeleid van de (indirecte) bestuurders in [X] en [Y] , met name omdat betalingen ten titel van bezoldiging zijn verricht aan [geïntimeerden] zonder dat rechtsgeldige besluiten van de AVA over de bestuurdersbezoldiging voorhanden waren. Onder verwijzing naar de beslissingen van de OK is het standpunt van [X en Y] dat ook betalingen ten titel van reiskosten, vertaalkosten, juridische kosten en niet gespecificeerde kosten onder ‘bezoldiging en verdere arbeidsvoorwaarden’ als bedoeld in de statuten vallen en zonder rechtsgrond zijn betaald. Het voorgaande geldt volgens [X en Y] voor de periode 1 van 1 januari 2017 tot 6 april 2018, per welke datum de OK de bestuurders heeft geschorst, voor de periode 2 van 6 april 2018 tot 16 december 2019, per welke datum de OK de schorsing van de (resterende) bestuurders heeft opgeheven, en voor de periode 3 van 16 december 2019 tot 2 december 2020, per welke datum de OK de (resterende) bestuurders heeft ontslagen. [X en Y] hebben bij de vordering rekening gehouden met de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] in deze perioden wel werkzaamheden ten behoeve van [X en Y] hebben verricht en nemen het standpunt in dat het daarom redelijk is een bedrag van € 8.000,00 per maand niet terug te vorderen. Er is geen rechtsgrond op grond waarvan [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 4] enige vordering jegens [X en Y] geldend kunnen maken, aldus [X en Y]
[geïntimeerden] voeren allereerst aan dat bij de beoordeling onderscheid moet worden gemaakt tussen bestuurderswerkzaamheden en operationele diensten. De managementovereenkomsten met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] zien op eerstgenoemde werkzaamheden. De Rahmenvereinbarungen met [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management zien op laatstgenoemde werkzaamheden. [geïntimeerden] betogen dat [geïntimeerde 1] of [eenmanszaak geïnt. 1] in periode 1 recht heeft op een bedrag van € 108.000,00 als overeengekomen tegenprestatie voor de bestuurderswerkzaamheden die [geïntimeerde 1] of [eenmanszaak geïnt. 1] ter vervanging van de in die periode wegens ziekte afwezige [Z] ( [persoon A ] ) hebben verricht. [geïntimeerden] betogen voorts dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als tegenprestatie voor de door hen in de perioden 1 tot en met 3 verrichte (bestuurders)werkzaamheden recht hebben op een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:405 BW ten bedrage van € 11.816,66 per maand, conform het [adviesbureau X rapport] . De grondslag daarvoor is primair de managementovereenkomst, dan wel zaakwaarneming, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Ook in periode 2 bestond dat recht op voormeld redelijk loon omdat de managementovereenkomst in die periode doorliep. [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management zijn geen partij in de OK-procedures. Zij hebben in de periode tot 11 maart 2020 op grond van de Rahmenvereinbarung met [Y] operationele diensten verleend, niet zijnde bestuurderswerkzaamheden, en zij hebben recht op het gehele overeengekomen en gefactureerde loon, althans een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW. Die Rahmenvereinbarung is door OK-bestuurder [persoon C] bekrachtigd en met diens instemming zijn de verleende diensten gefactureerd. In de periode vanaf 11 maart 2020 is [X] de partij bij de Rahmenvereinbarung. Indien [eenmanszaak geïnt. 1] of [geïntimeerde 4] Management tot betaling van een bedrag aan [X en Y] worden veroordeeld maken zij hun recht geldend, aldus [geïntimeerden]
De beoordeling door het hof
Het hof overweegt dat indien de primaire grondslag van [X en Y] voor hun vordering onder a. feitelijk en juridisch deugdelijk is, de hoogte van het toe te wijzen bedrag afhankelijk is van de vraag of en in hoeverre de verweren van [geïntimeerden] - resulterend in (voorwaardelijke) reconventionele vorderingen - op een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag berusten. Het hof overweegt voorts dat indien de vordering onder a. van [X en Y] toewijsbaar is, aan beoordeling van de vordering voor het overige, die is gebaseerd op onverschuldigde betaling, ondanks de bewoordingen ‘daarnaast’ in de vordering van [X en Y] niet wordt toegekomen omdat de vordering onder a. op grond van artikel 2:9 BW jo 2:11 BW verder strekt dan de vordering op grond van onverschuldigde betaling, zoals [X en Y] terecht vermelden in nummer 9 van de memorie van grieven.
Het hof overweegt voorts dat voor de beoordeling in deze zaak een aantal uit wet of jurisprudentie volgende maatstaven van belang is. Dit betreft de volgende.
Enkele relevante rechtsbronnen
Artikel 2:9 BW luidt als volgt.
1. Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.
2. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is aan de orde indien aan de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, ( [partijnaam] / [partijnaam] )) en (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:12008:BC4959, ( [partijnaam] )). Bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Van een ernstig verwijt is in beginsel sprake indien is gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen. De bestuurder kan echter feiten en omstandigheden aanvoeren op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het schenden van de statutaire bepalingen geen ernstig verwijt oplevert (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, ( [partijnaam] )).
Artikel 2:11 BW luidt als volgt.
De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
Nu de bestuurders van [X] , te weten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] , in Nederland gevestigde rechtspersonen zijn en Nederlands recht van toepassing is, is artikel 2:11 BW, indien aan de orde, van toepassing op de indirecte bestuurders van die rechtspersonen, zijnde [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] .
De Hoge Raad overwoog in zijn beschikking van 8 april 20025 (ECLI:NL:HR:2005:AS5010) over de betekenis van beslissingen van de OK in andere procedures het volgende.
“Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 27 september 2000, nr. OK 80, NJ 2000, 653, heeft geoordeeld, houdt het in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête twee afzonderlijke procedures in (in HR 6 juni 2003, nr. R 02/078, NJ 2003, 486 ook aangeduid als: twee fasen). Wat betreft de tweede procedure, waarin de ondernemingskamer, indien uit het verslag van de door haar benoemde onderzoekers van wanbeleid is gebleken (art. 2:355 BW), de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen kan treffen, heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466, overwogen dat de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is - behoudens cassatie - bindend is, ook in andere procedures, voor diegenen die in de tweede procedure zijn verschenen en òfwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd òfwel daartegen verweer hebben gevoerd, zonder dat daarmee tevens is vastgesteld of en in hoeverre dit wanbeleid aan die individuele verweerder kan worden verweten en deze daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld (rov. 5). De Hoge Raad overwoog tevens dat het begrip "wanbeleid" in art. 2:355 BW kennelijk betrekking heeft op wanbeleid van de rechtspersoon, en dat wanbeleid van de organen van een rechtspersoon of degenen die daarvan deel uitmaken, aan de rechtspersoon moet worden toegerekend (rov. 7.4).
Deze overwegingen dienen als volgt te worden verstaan. Indien personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke, op art. 6:74 en/of art. 6:162 en/of art. 2:138/248 BW gebaseerde, procedure, is de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is - behoudens cassatie - weliswaar bindend voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar dit impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid. De door de ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen (HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010).”
Voormelde beschikking geldt ook voor vorderingen die op artikel 2:9 BW zijn gebaseerd, hetgeen blijkens de inhoud van hun processtukken ook het standpunt van partijen is.
Artikel 2:16 lid 1 BW luidt als volgt.
De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of derdenverzet, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Herroeping komt ieder lid of aandeelhouder toe.
De perioden 1, 2 en 3: beoordeling van de vordering van [X en Y] en de verweren c.q. (voorwaardelijke) reconventionele vordering van [geïntimeerden]
Het hof komt nu toe aan de beoordeling van de vordering van [X en Y] Het hof constateert dat [X en Y] ter toelichting op hun primaire vordering vermelden dat zij bij het bepalen van de hoogte van hun op artikel 2:9 BW gegronde vordering jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben betrokken dat aan ieder een bedrag van € 8.000,00 per maand toekomt als tegenprestatie voor in de perioden 1 tot en met 3 door hen ten behoeve van [X en Y] verrichte werkzaamheden op de grond dat [X en Y] dit ‘redelijk’ achten. Het hof constateert ook dat [X en Y] het standpunt innemen dat het aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] is te stellen dat en op welke gronden zij een vordering op [X en Y] hebben en dat [X en Y] als mogelijke grondslag ongerechtvaardigde verrijking noemen. [geïntimeerden] stellen ook daadwerkelijk dat hun vorderingen jegens [X en Y] toekomen en wel tot een hoger bedrag dan € 8.000,00 per maand. Het hof begrijpt het standpunt van [X en Y] , bezien in het licht van de bij artikel 2:9 BW aan te leggen beoordelingsmaatstaf, aldus dat [X en Y] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen ernstig verwijt maken voor zover zij een bedrag van € 8.000,00 per maand ten titel van bezoldiging of loon anderszins hebben gekregen. Het hof begrijpt de stellingen van [X en Y] voorts aldus dat voor zover [geïntimeerden] het standpunt innemen dat aan hen een hoger bedrag dan € 8.000,00 aan bezoldiging of loon anderszins toekomt, het aan hen is daartoe een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag te stellen. Dit standpunt is juist.
[X en Y] betogen onder verwijzing naar de hierboven vermelde jurisprudentie dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] een ernstig verwijt is te maken van de omstandigheid dat zij in strijd met de statuten zichzelf hebben bezoldigd dan wel zijn bezoldigd zonder dat een besluit van de AVA ter bepaling van de bezoldiging voor de bestuurders voorhanden was, een en ander voor zover die bezoldiging een bedrag van € 8.000,00 te boven ging.
Het hof overweegt ten aanzien van de perioden 1 en 3 het volgende. De OK heeft beslist dat alle besluiten betreffende bestuurdersbezoldiging nietig zijn dan wel dat dergelijke besluiten zijn vernietigd, ook het besluit met betrekking tot het bedrag van € 108.000,00, welke beslissingen op grond van artikel 2:16 BW jegens een ieder bindend zijn nu [X] en [Y] partij in de desbetreffende procedures zijn geweest. De uitbetaalde bezoldiging voor de bestuurders berust aldus niet op de daartoe noodzakelijke besluiten tot vaststelling van de (hoogte van de) bezoldiging van de AVA. De beslissing dat sprake is van wanbeleid in [X en Y] heeft gezag van gewijsde op de wijze zoals in rov. 3.9.4. aangehaalde beschikking van de Hoge Raad ( [partijnaam] ) is uiteengezet. De door de OK aan die beslissing ten grondslag gelegde feiten hebben dat niet. Het hof ziet evenwel in hetgeen [geïntimeerden] in deze procedure tegen de stellingen van [X en Y] hebben aangevoerd, onder andere over het onderscheid tussen bestuurderswerkzaamheden en operationele werkzaamheden en de Rahmenvereinbarung, geen aanleiding anders te oordelen dan de OK heeft gedaan. De ook in de onderhavige procedure aangevoerde argumenten van [geïntimeerden] heeft de OK gemotiveerd beoordeeld. Het hof neemt de overwegingen van de OK op dit punt over. Deze overwegingen, die zijn gebaseerd op de bevindingen en conclusies in het verslag van OK-onderzoeker [persoon B] (productie 13 van [X en Y] ) luiden als volgt.
“(iii) [geïntimeerden] hebben, nadat [Z] als bestuurder was ontslagen, in strijd met de
statuten aanzienlijke verhogingen van hun maandelijkse vergoedingen (bezoldigingen) van
gemiddeld € 8.000 naar zo’n € 13.000 a € 14.000 per maand doorgevoerd zonder dat de
aandeelhoudersvergadering daartoe had besloten. Dat tijdens het bestuur van [persoon C] na een
benchmark onderzoek soortgelijke vergoedingen (circa € 12.000 per maand) aan [geïntimeerde 1]
c.s. zijn betaald doet hier niet aan af. De stelling van [geïntimeerden] dat de vergoeding aan
hun Duitse entiteiten past in het outsourcing-principe en door de onderzoeker ten onrechte
als bestuursbezoldiging wordt gekwalificeerd wordt door de Ondernemingskamer
verworpen. [geïntimeerden] hebben niet weersproken dat sprake is van een vaste forfaitaire
vergoeding die is afgestemd op de financiële ruimte c.q. het variabel bedrijfsresultaat van
[X] en dat deze vergoeding juist niet past in het outsourcing-principe, waarbij wordt
ingekocht tegen - in principe - de meest gunstige prijs. Verder staat - gelet op de
omschrijving op de facturen - vast dat door [geïntimeerden] bestuurswerkzaamheden worden
verricht waarvoor geen afzonderlijke vergoeding is/wordt betaald. Naar het oordeel van de
Ondernemingskamer moet dan ook worden aangenomen dat alle vergoedingen c.q.
betalingen onder die omstandigheden, in ieder geval materieel zijn te beschouwen als
“bezoldiging en verdere arbeidsvoorwaarden” in de zin van artikel 14 lid 5 van de statuten
van [Y] en “bezoldiging” in de zin van artikel 16 lid 9 van de statuten van [X] ter zake waarvan alleen de aandeelhoudersvergadering van [Y] respectievelijk [X] bevoegd is om de omvang daarvan vast te stellen.”
Over de advocaatkosten (juridische kosten) van [persoon G] heeft de OK overwogen dat niet valt in te zien op welke gronden de kosten ten behoeve van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] aan [X en Y] in rekening kunnen worden gebracht. [geïntimeerden] hebben het hof in deze procedure ook geen deugdelijke grondslag aangereikt, zodat voor vergoeding van deze kosten door [X en Y] een deugdelijke grondslag ontbreekt. Dat geldt ook voor de reiskosten, vertaalkosten en ongespecificeerde kosten. Steekhoudende argumenten die de conclusie rechtvaardigen dat deze betaalde posten werkzaamheden betreffen die niet onder bestuurderswerkzaamheden inclusief operationele werkzaamheden vallen als bedoeld in voormelde beslissing van de OK hebben [geïntimeerden] niet aangereikt, althans onvoldoende gemotiveerd.
Het hof overweegt voorts, voor zover [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [Z] ( [persoon A ] ) de juridische aangelegenheden op zich nam en zij daarmee mogelijk bedoelen te bepleiten dat hun het ontbreken van bezoldigingsbesluiten van de AVA niet is aan te rekenen, het volgende. Artikel 2:9 BW gaat ervan uit dat het bestuur van een rechtspersoon als collectief bestuurt. Tenzij er meerdere bestuursorganen zijn, is de bestuurstaak als geheel opgedragen aan alle bestuurders. Dat betekent dat alle bestuurlijke aangelegenheden tot de werkkring van ieder der bestuurders behoort. Als er meerdere bestuurders zijn, zoals in dit geval, is elke bestuurder afzonderlijk gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien er sprake is van een tekortkoming die een ernstig verwijt oplevert en aan ten minste één van de bestuurders te wijten is, dan zijn in beginsel alle bestuurders jegens de rechtspersoon voor de gehele schade hoofdelijk aansprakelijk, tenzij, hetgeen is gesteld noch gebleken, de tekortkoming een bestuurstaak betreft die bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders is toebedeeld. De omstandigheid dat een bestuur een onderlinge taakverdeling hanteert, doet niet af aan dit uitgangspunt van collegiaal bestuur, te weten dat het bestuur gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de aan dat bestuur als geheel opgedragen taak.
[geïntimeerden] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat van het hierboven in 3.9.2. vermelde beginsel uit het arrest van de Hoge Raad in ‘Berghuizer Papierfabriek’ in hun geval dient te worden afgeweken. Het hof onderschrijft het standpunt van [X en Y] dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling waarvan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] een ernstig verwijt treft. Het hof overweegt onder verwijzing naar de motivering die de OK aan de beslissing tot nietigheid dan wel vernietiging van de desbetreffende besluiten ten grondslag heeft gelegd (zie 3.12. hierboven) dat het verhogen van de bezoldiging voor de bestuurders van een bedrag van (gemiddeld) € 8.000,00 naar een veel hogere forfaitaire vergoeding die is afgestemd op de financiële ruimte c.q. het variabel bedrijfsresultaat van [X] , zonder dat daaraan de statutair voorgeschreven besluiten van de AVA ten grondslag liggen, een veronachtzaming van de ook door de oprichters zelf gekozen taakverdeling tussen de organen van de vennootschap en de daarvan deel uitmakende personen inhoudt. Het gevolg daarvan is dat die organen, in dit geval in het bijzonder de AVA, wordt gefrustreerd de bezoldiging en winstbestemming te bepalen met inachtneming van de beginselen van good governance, dit alles ten faveure van uitsluitend de bestuurders [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Het hof verwerpt, evenals de rechtbank en met dezelfde motivering, het betoog van [geïntimeerden] dat de vaststellingovereenkomst die [X en Y] op 17 april 2019 hebben gesloten met [Z] in de weg staat aan het doen van een beroep op de nietigheid van en het ontbreken van bezoldigingsbesluiten. Er zijn geen aanknopingspunten geboden die de uitleg rechtvaardigen dat [X en Y] bij die vaststellingsovereenkomst worden geacht met [geïntimeerden] te zijn overeengekomen dat de nietigheid van betalingen tegen hen niet zou worden ingeroepen.
Het hof verwerpt het betoog van [geïntimeerden] dat zij op grond van artikel 7:405 lid 2 BW in de perioden 1 en 3, als ook in de periode van ziekte van [persoon A ] , recht hebben op een hoger bedrag per maand dan het bedrag van € 8.000,00, te weten een bedrag van € 11.816,66,. Artikel 7:405 lid 2 BW bepaalt dat indien de opdrachtgever loon aan de opdrachtnemer is verschuldigd doch de hoogte niet door partijen is bepaald, de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon is verschuldigd. Het systeem van deze wettelijke regeling is dat de wet voorop stelt dat partijen afspraken maken omtrent het loon. Indien dit wordt nagelaten, schrijft artikel 7:405 lid 2 BW voor dat het gebruikelijke loon en bij gebreke van toepasselijke gebruiken een redelijk loon wordt bepaald.
De stelplicht en bewijslast in verband met het beroep op artikel 7:405 lid 2 BW rusten op [geïntimeerden]
Het standpunt van [X en Y] houdt in dat aan de bestuurders, voordat zij onenigheid kregen een bedrag van (gemiddeld) € 8.000,00 per maand als bezoldiging werd uitbetaald. In het rapport van OK-onderzoeker [persoon B] is dit ook als bevinding vermeld. De OK en de rechtbank hebben dit in hun beslissingen eveneens vastgesteld. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde grief staat dit ook in hoger beroep vast. Het hof kan dit niet anders begrijpen dan dat de partijen bij de managementovereenkomst een afspraak hebben gemaakt over de hoogte van het loon. De omstandigheid dat de AVA op dit punt geen besluit heeft genomen brengt weliswaar mee dat partijen bij de managementovereenkomst aan die afspraak geen uitvoering hadden mogen geven, maar dat doet er niet aan af dat verbintenisrechtelijk een afspraak over de hoogte van het loon is gemaakt. Dat betekent dat er geen grond is voor het bepalen van een gebruikelijk of redelijk loon. Voor het in aanmerking nemen van een redelijk loon van € 11.816,66 is dan geen grond. Op de gestelde overeenkomst met [persoon C] voor de periode 2 waarin de bestuurders waren geschorst gaat het hof hierna in.
[geïntimeerden] hebben het hof geen feiten en omstandigheden aangereikt die hun aanspraak op een hoger bedrag dan € 8.000,00 voor de periode 1 en 3 kunnen rechtvaardigen. De Rahmenvereinbarung geldt niet als zodanig omdat die door [Y] met [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management is gesloten terwijl de door die partijen verrichte operationele werkzaamheden moeten worden geduid als werkzaamheden waarvoor voormelde bestuurdersbezoldiging van € 8.000,00 geldt. Ook de omstandigheid dat [persoon E] of [persoon C] destijds een hogere bezoldiging in overweging namen maakt niet dat er grond is een hoger loon dan € 8.000,00 te bepalen. Het is mede door het gedrag van [geïntimeerden] dat het niet tot besluitvorming in de AVA - met inachtneming van good governance - over een hogere bezoldiging is gekomen, zo volgt uit de beschikkingen van de OK.
Het hof overweegt naar aanleiding van de vraag of [geïntimeerden] voor periode 2 op deugdelijke gronden betogen dat er recht is op een hoger bedrag dan het bedrag van € 8.000,00 per maand voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] het volgende. Gedurende periode 2 waren [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] op grond van de door de OK in haar uitspraak van 6 april 2018 gegeven beslissing geschorst als bestuurder van [X] . De OK heeft in die uitspraak overwogen dat in hun plaats een derde (hof: [persoon C] ) tot bestuurder van [X] zal worden benoemd en dat deze bestuurder zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak in verband met de bedrijfsvoering van de onderneming naar eigen inzicht kan doen bijstaan door (één der) partijen op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. Deze uitspraak van de OK legt het hof als volgt uit. De beslissing van de OK tot schorsing van de bestuurders brengt mee dat de bestuurders niet langer de hun bij de wet en de statuten van [X] gegeven bevoegdheden als bestuurder kunnen uitoefenen. Dit brengt mee dat zij hun verbintenisrechtelijke verplichtingen op grond van de (mondelinge) managementovereenkomst niet kunnen nakomen. De OK heeft geen beslissing gegeven over de gevolgen van de schorsing als statutair bestuurder voor de managementovereenkomst op het punt van de bezoldiging van de geschorste bestuurders. Daartoe zou de OK ook niet bevoegd zijn. Maar los daarvan geldt dat het betalen van loon op grond van de managementovereenkomst aan de geschorste bestuurders in strijd zou zijn met de statuten van [X] nu die een AVA-besluit ter vaststelling van de bezoldiging voorschrijven, hetgeen ontbreekt. De OK heeft wel - en daartoe is zij ook bevoegd - beslist dat de OK-bestuurder de geschorste bestuurders kan inschakelen - uit de aard der zaak in een andere hoedanigheid dan als statutair bestuurder - ten behoeve van de bedrijfsvoering van de onderneming. Dat heeft de OK-bestuurder ook gedaan.
Anders dan [X en Y] betogen zien de beslissingen van de OK met betrekking tot wanbeleid en met betrekking tot de nietigheid of vernietiging van besluiten niet op handelingen van [geïntimeerden] in de periode 2. Uit de overwegingen van de OK volgt dat de beslissing dat van voortgezet wanbeleid sprake is, is gebaseerd op tijdens periode 3 door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geïnitieerde besluiten. De enige overweging die op periode 2 ziet is opgenomen in de beschikking van de OK van 16 december 2019. De OK overwoog in verband met de verhoging van de bezoldiging na het ontslag van [Z] : “Dat tijdens het bestuur van [persoon C] na een benchmark onderzoek soortgelijke vergoedingen (circa € 12.000 per maand) aan [geïntimeerden] zijn betaald doet hier (hof: het verhogen van de bezoldiging zonder AVA-besluit) niet aan af.” Uit de overwegingen van de OK volgt dat de geschorste bestuurders in periode 2 wel werkzaamheden ten behoeve van [X en Y] mochten verrichten, als dat maar geen werkzaamheden betreffen die tot de taak van de statutaire bestuurder behoren, indien OK-bestuurder [persoon C] daartoe het besluit nam over de werkzaamheden en de ter beschikking te stellen vergoeding. Nu de managementovereenkomst is gesloten in verband met het statutair bestuurderschap is voor de beloning voor werkzaamheden een andere overeenkomst met de OK-bestuurder nodig. De managementovereenkomst ‘loopt dus niet door’, zodat die niet de grondslag kan zijn voor recht op loon voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] in periode 2.
[geïntimeerden] hebben gesteld dat met [persoon C] een overeenkomst is gesloten. Zij spreken over voortzetting van de Rahmenvereinbarung die op operationele werkzaamheden ziet en die is gesloten met [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management. [geïntimeerden] beroepen zich daarbij op de door hen overgelegde e-mail van [persoon C] van 19 december 2018 (productie 3 van [geïntimeerden] ) die luidt als volgt.
“Was die Vergütungen betrifft steil Ich nur fest das es bei der Umsatz in 2014 noch
Vergütungen gab von 96.000 pp die man vielleicht als Freundenpreis kann verstehen.
Ich verstehe ihre Freundenpreis nicht in diesen Rahmenvertrage die in Juni 2017
abgeschlossen sind. Dann nehme Ich doch an das Umsatz und Gewinn Richtung schon klar
war.
Sie werden, ein wenig abhangig von Ihre Dezember Rechnungen ungefähr 170.000 pro
Person abrechnen in 2018. Das ist fast 20% höher als die 144.000 und 77% höher wie in
2015.
Ich kann zwar mit Mühe noch diese Abrechnungen akzeptieren und verteidigen zum Beispiel
gegenüber der OK, weil das wird kommen.
Ich werde deswegen vorschlagen das Ich weiterhin so lange Ich interim Geschaftsführer bin,
die vorliegende Rahmenvereinbarungen akzeptiere und weiter gelten lass.
Davon ausgehend das ein geschontes Ergebnis von 450-500.000 euro erreichbar ist werde
Ich auch eine Erhöhung der Tagessatz von 10% auf 1100 euro ab 1.1.2019 akzeptieren.”
Het hof constateert op grond van de door [geïntimeerden] overgelegde e-mails (productie 4 van [geïntimeerden] ) dat aan [persoon C] de maandelijkse declaraties van [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management ter goedkeuring werden voorgelegd en dat [persoon C] de betalingen goedkeurde.
Het hof legt de door [geïntimeerden] gestelde afspraken tussen [persoon C] en [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management als volgt uit. [persoon C] heeft blijkens voormeld e-mailbericht als bestuurder van [X en Y] werkzaamheden opgedragen tegen een beloning zoals die ook in de Rahmenvereinbarung was vermeld. Daarmee heeft [persoon C] een nieuwe overeenkomst gesloten met het oog op diens ondersteuning bij zijn bestuurderstaak. De enige voorwaarde die in voormelde e-mail is vermeld is een bepaald ondernemingsresultaat om een verhoging van 10% op het bedrag van € 1.000,00 per dag (maximaal € 15.000,00 per maand) te accepteren. [X en Y] hebben niet, althans niet gemotiveerd, gesteld dat aan voormelde voorwaarde niet is voldaan. Noch in de e-mails waarin declaraties aan [persoon C] werden voorgelegd, noch nadien heeft [persoon C] er blijk van gegeven dat de declaraties niet aan de door hem in zijn e-mail van 19 december 2018 gestelde voorwaarde voldeden. [X en Y] hebben, onder verwijzing naar het door [persoon C] aan de OK gezonden verweerschrift van 22 augustus 2019 (productie 14 van [X en Y] ) gesteld dat [persoon C] de overeenkomst onder andere voorwaarden is aangegaan dan de zojuist door het hof vermelde. Zij wijzen op de volgende passage.
“De Bestuurder heeft, op grond van de hierboven geciteerde ovw. 3.7 in de Beschikking, aan
[geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 2] voorgesteld om vooralsnog terug te gaan naar basisvergoeding van bijvoorbeeld EUR 8.000 per maand (nu dat voor hen in het verleden voldoende was) en een hogere beloning afhankelijk te maken van de bedrijfsresultaten en wel op zodanige wijze dat aan hen bij een succesvolle bedrijfsvoering per saldo een beloning van ten minste EUR 12.000 per maand zou toekomen (...).
(...). De Bestuurder heeft uiteindelijk door middel van (verre van eenvoudige) benchmarking geoordeeld dat een marktconforme beloning in ieder geval op EUR 12.000 per maand ligt en daarom deze uitbetaald, onder de voorwaarde dat het geschoonde bedrijfsresultaat op niveau zou blijven en zolang de Bestuurder in functie is (voor daarna zouden nieuwe afspraken moeten worden gemaakt).”
Het hof overweegt dat de voorwaarde die [persoon C] in zijn verweerschrift noemt een geheel andere is dan die welke hij in voormelde e-mail noemt. Dat in afwijking van die e-mail voorwaarden aan de beloning voor werkzaamheden zijn verbonden conform het verweerschrift van [persoon C] is door [X en Y] op geen enkele wijze nader gemotiveerd. Niet is toegelicht wanneer en hoe [persoon C] van de e-mail afwijkende afspraken met hen heeft gemaakt. Dat was gelet op de duidelijke tekst van de e-mail wel van hen te vergen. Nu zij dit hebben nagelaten verwerpt het hof de stelling van [X en Y] als onvoldoende gemotiveerd. Het hof constateert dat [X en Y] in hoger beroep een beroep op vernietiging van de door [persoon C] gesloten overeenkomst hebben gedaan op grond van wilsgebreken. Dit beroep is echter niet nader met feiten en omstandigheden gemotiveerd. Het hof verwerpt dit beroep daarom als onvoldoende gemotiveerd.
Uit het voorgaande volgt dat [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management over periode 2 op grond van een overeenkomst met [persoon C] recht hebben op een hoger bedrag dan € 8.000,00 per maand. De voorwaarde waaronder de vorderingen 1 en 2 zijn ingesteld wordt vervuld, zoals volgt uit de beoordeling van het hof met betrekking tot de perioden 1 en 3. Het hof begrijpt de voorwaardelijke vorderingen in reconventie onder 1 en 2 gelet op de in de memorie van [geïntimeerden] gegeven toelichting daarop aldus dat [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] Management aanspraak maken op behoud van alle op grond van de overeenkomst in periode 2 uitbetaalde bedragen en dat de vordering van [X en Y] over deze periode wordt afgewezen. Dat laatste zal het hof doen, zodat er voor een veroordeling tot betaling door [X en Y] wat betreft periode 2 geen grond is.
De voorgaande beoordeling van het hof leidt tot de volgende slotsom
Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van [X en Y] op grond van artikel 2:9 BW jo 2:11 BW jegens [geïntimeerden] toewijsbaar is voor zover het de perioden 1 en 3 betreft. Dit betekent dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerden] De wettelijke rente over het gevorderde is toewijsbaar op de wijze zoals [X en Y] dat in hun vordering hebben vermeld. Voor zover het de periode 2 betreft is de vordering niet toewijsbaar omdat niet is komen vast te staan dat geen grondslag voor de betalingen aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] aanwezig is. Voor een vordering op grond van onverschuldigde betaling is dan evenmin grond. Voor toewijzing van de (voorwaardelijke) reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] is geen grond. Voor de vorderingen 1 en 2 niet omdat de betalingen in periode 2 aan [eenmanszaak geïnt. 1] / [eenmanszaak geïnt. 1] en [geïntimeerde 4] door hen mogen worden behouden en er in periode 3 geen grond is voor betalingen aan [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 4] . Voor de vorderingen 3 tot en met 5 niet omdat daar geen grondslag voor is. Het hof overweegt nog dat het voorbij gaat aan de wijziging van eis voor zover [geïntimeerden] spreekt over ‘vervuilingen’ omdat [geïntimeerden] deze desgevraagd ter zitting niet heeft kunnen verduidelijken. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw recht doen op de gewijzigde vorderingen van partijen.
De vordering van [X en Y] over de perioden 1 en 3 betreft dan gelet op het schema in nummer 46 van de memorie van grieven van [X en Y] de volgende betalingen:
- € 134.610,08 periode 3 aan [X]
- € 79.200,00 periode 3 aan [X]
- € 151.384,99 periode 3 aan [X]
- € 62.200,00 periode 3 aan [X]
In totaal € 427.395,07
- € 57.500 periode 1 aan [Y]
- € 49.405,13 periode 1 aan [Y]
- € 132.100,00 periode 3 aan [Y]
- € 5.500,00 periode 3 aan [Y]
In totaal € 244.505,13
In totaal is toewijsbaar een bedrag van € 427.395,07 aan [X] en een bedrag van € 244.505,13 aan [Y] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de data van iedere afzonderlijke betaling.
Het hof zal [geïntimeerden] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de kosten van het principale en incidentele hoger beroep veroordelen. Ook zal het hof [geïntimeerden] alsnog in de kosten in eerste aanleg in reconventie veroordelen nu voor een compensatie van kosten zoals de rechtbank heeft gedaan gelet op de uitkomst van het hoger beroep geen grond is. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie handhaaft het hof.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie zullen worden vastgesteld op € 2.714,00 voor salaris advocaat (2 punten x € 2.714,00 x ½).
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [X en Y] zullen vastgesteld worden op:
-
Explootkosten € 112,37
-
Griffierechten € 6.561,00
-
Salaris advocaat € 22.476,00 (2 punten principaal hoger beroep, 1 punt (2 punten x ½ ) incidenteel hoger beroep, 1 punt incident x tarief € 5.619,00)
-
Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 29.338,37
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het bestreden vonnis van 28 augustus 2024 en opnieuw recht doende:
veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van in totaal € 427.395,07 aan [X] en een bedrag van in totaal € 244.505,13 aan [Y] , steeds te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van de betalingen in de perioden 1 en 3 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie tot een bedrag van € 11.751,48 en in reconventie tot een bedrag van € 2.714,00, en in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 29.338,37, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
wijst het meer of anders gevorderde af;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, M. van der Schoor en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2026.
griffier rolraadsheer