Personen- en familierecht
Vervangende toestemming plaatsing van de kinderen op een peuterspeelzaal. Het hof is van oordeel dat de vrouw…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2746 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep-kort-geding/ecli-nl-ghshe-2025-2746
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2025
- Datum publicatie
- 7 oktober 2025
- Zaaknummer
- 200.350.089_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep kort gedingHoger beroep kort gedingHet gerechtshof beoordeelt opnieuw een spoedzaak waarin de voorzieningenrechter al een voorlopig oordeel gaf.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. I.P.M.J Nelemans, mr. E.C.A.E Verschuren
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2746
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervangende toestemming plaatsing van de kinderen op een peuterspeelzaal.
Het hof is van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar vordering.
Dit gelet op de feitelijke ontwikkelingen na het bestreden vonnis, de beslissing van de rechtbank in de bodemzaak, het feit dat de kinderen thans binnen de zorgtijd van iedere ouder naar de door die ouder gekozen peuterspeelzaal gaan en dit bovendien geen gevolgen heeft voor de zorgregeling.
Gezien de proceshouding van de vrouw veroordeelt het hof haar in de proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie-en Jeugdrecht
zaaknummer 200.350.089/01
arrest van 7 oktober 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. I.P.M.J. Nelemans,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 juli 2025 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , onder zaaknummer C/02/428327 / KG ZA 24-538 gewezen vonnis in kort geding van 9 december 2024.
Analoog aan het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland, locatie [A] , hierna te noemen: de raad.
Het gaat in deze zaak om beslissingen over de minderjarige kinderen:
-
[persoon A] (hierna: [persoon A] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;
-
[persoon B] (hierna: [persoon B] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .
Hierna tezamen te noemen: de kinderen.
5 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 8 juli 2025, waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast.
Het hof verleent verder akte ten aanzien van:
-
het H3-formulier met producties 1 en 2 van de advocaat van de man van 1 augustus 2025;
-
het H12-formulier met productie van de advocaat van de vrouw van 7 augustus 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025.
Verschenen zijn:
-
de vrouw, bijgestaan door mr. Nelemans;
-
de man, bijgestaan door mr. R. van Kerkhof (als waarnemer van mr. Verschuren);
-
de raad, vertegenwoordigd door T. Joustra.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op
bovenvermelde stukken en de stukken van de procedure de eerste aanleg.
6 De beoordeling
De feiten
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Tijdens de inmiddels verbroken relatie van partijen zijn [persoon A] en [persoon B] geboren.
De man heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
Medio zomer 2023 is de vrouw met de kinderen bij haar moeder in [A] gaan wonen. De vrouw woont nu in [B] . De man woont nog in [C] .
Op 30 augustus 2023 heeft de man een bodemprocedure (zaaknummer C/02/413452 FA RK 23-4103) aanhangig gemaakt betreffende onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Blijkens het vonnis in kort geding van 13 september 2023 zijn partijen de volgende voorlopige regeling overeengekomen. [persoon A] en [persoon B] verblijven voorlopig gedurende zes weken steeds van zaterdag 9:00 uur tot maandag 18:00 uur bij de man. Na deze zes weken zal deze voorlopige zorgregeling worden uitgebreid in die zin dat [persoon A] en [persoon B] dan telkens in de ene week van zaterdag 9:00 tot en met dinsdag 18:00 uur bij de man zullen verblijven. In de andere week zullen [persoon A] en [persoon B] telkens van maandag 9:00 uur tot woensdag 18:00 uur bij de man verblijven.
Daarbij heeft de man toegezegd dat hij gedurende de omgangsdagen zelf voor de kinderen zal zorgen. De ouder bij wie de kinderen verblijven, brengt de kinderen telkens naar de andere ouder.
Tevens hebben partijen voorlopig met elkaar afgesproken dat elk van hen één kind op zijn of haar adres ingeschreven krijgt en dat de ouder waar betreffend kind staat ingeschreven het beheer over zijn of haar paspoort zal krijgen.
De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
In eerste aanleg heeft de man, in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
I. de toestemming van de vrouw te vervangen voor de inschrijving van de kinderen voor deelname aan de peuterspeelgroep/voorschool [D] te [C] of (als de toestemming te laat komt) bij [E] te [C] ;
II. althans dusdanige (voorlopige) beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van de kinderen geraden acht.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man in conventie en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man in diens vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie heeft de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd aan haar toestemming te verlenen de kinderen in te schrijven iedere week op woensdagmiddag en vrijdagochtend bij peuterspeelzaal “ [F] ” in [B] en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
Bij het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis van 9 december 2024 heeft de voorzieningenrechter aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming verleend om [persoon A] en [persoon B] in te schrijven voor deelname aan de peuterspeelgroep/voorschool [D] te [C] , de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde (waaronder de vordering in reconventie van de vrouw) afgewezen.
De dagvaardingsprocedure in hoger beroep
In de onderhavige procedure vordert de vrouw om het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden:
primair:
I. de vorderingen van de man af te wijzen;
subsidiair:
II. aan haar toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven iedere week op woensdagmiddag en vrijdagochtend bij peuterspeelzaal “ [F] ” te [B] ;
primair en subsidiair
III. de man te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, een bedrag voor salaris van de gemachtigde van de vrouw daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente op de voet van artikel 6:119 BW indien en voor zover de man niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen door het hof te wijzen arrest aan deze proceskostenveroordeling heeft voldaan, tot de dag van de algehele voldoening.
De man voert verweer en weerspreekt de vorderingen van de vrouw. Hij concludeert bij memorie van antwoord om de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep van de vrouw af te wijzen als ongegrond dan wel onbewezen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, zijnde de griffierechten alsmede de eigen bijdrage Raad voor de Rechtsbijstand.
De motivering van de beslissing in hoger beroep
Het hof overweegt als volgt.
De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen. Haar grieven betreffen de motivering en beslissing van de voorzieningenrechter inzake het spoedeisend belang, de aan de man verleende vervangende toestemming om [persoon A] en [persoon B] in te schrijven voor deelname aan de peuterspeelgroep/voorschool [D] te [C] en de proceskosten.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar subsidiaire vordering onder II. en haar primaire en subsidiaire vordering onder III. ingetrokken. Het hof zal haar in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. De hiermee samenhangende grieven kunnen onbesproken blijven.
De vrouw handhaaft haar primaire vordering onder I en daarmee grief I en VI. Volgens haar kan het oordeel van de rechtbank dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering niet in stand blijven en zijn ten onrechte de vorderingen van de man in de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg toegewezen. Volgens de vrouw is er geen dringende reden dat de kinderen op korte termijn sociale vaardigheden moeten ontwikkelen in de vorm van een inschrijving op een voorschool. Ook vindt zij dat er geen sprake is van zodanige urgentie dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De door de man gestelde deadline van 14 december 2024 leidde niet tot een spoedeisend belang. Bovendien is het in het belang van de kinderen dat ze pas na afloop van de bodemprocedure, wanneer er duidelijkheid is over een duurzame zorg- en contactregeling, bij een voorschool worden ingeschreven.
De man heeft de grief van de vrouw gemotiveerd weersproken.
Uit de stukken volgt dat [persoon A] en [persoon B] sinds medio januari 2025 naar de peuterspeelgroep /voorschool [D] (hierna: [D] ”) te [C] gaan.
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2025 in voornoemde bodemprocedure (zaaknummer C/02/4 13452 FA RK 23-4103), voor zover thans van belang, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaald en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij de man en de kinderen contact hebben met elkaar: in de ene week van zaterdag 9:00 uur tot dinsdag 18:00 uur en in de andere week van zondag 18:00 uur tot woensdag 18:00 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen verbleven hen naar de ouder brengt bij wie zij gaan verblijven. De rechtbank heeft verder aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming verleend om [persoon A] en [persoon B] in te schrijven op woensdagmiddag en vrijdagochtend bij peuterspeelzaal “ [F] ”. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw toegewezen, omdat feitelijk geen geschil voorligt, omdat wijziging van de peuterspeelgroep van [C] naar [B] niet aan de orde is, nu de man geen bezwaar heeft tegen inschrijving op de peuterspeelzaal in [B] en de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling geen gevolgen heeft voor de huidige deelname van de kinderen aan [D] .
De uitspraak leidt ertoe dat [persoon A] en [persoon B] op het moment dat ze bij de man verblijven conform voornoemde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken naar [D] gaan en wanneer ze bij de vrouw verblijven naar de peuterspeelzaal “ [F] ” gaan. Uit de door partijen in de onderhavige procedure over en weer overgelegde verslagen volgt dat de kinderen het op beide locaties goed doen. Dit wordt ook over en weer door partijen erkend. Namens de raad is tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat, nu gebleken is dat [persoon A] en [persoon B] het goed doen, het beter is om de huidige situatie te handhaven en daarin geen wijziging aan te brengen totdat ze naar de basisschool gaan.
Gelet op de feitelijke ontwikkelingen na het bestreden vonnis, de beslissing van de rechtbank in de bodemzaak, het feit dat de kinderen thans binnen de zorgtijd van iedere ouder naar de door die ouder gekozen peuterspeelzaal gaan en dit bovendien geen gevolgen heeft voor de zorgregeling, heeft de vrouw - naar het oordeel van het hof - geen belang meer bij haar primaire vordering onder I. Het hof zal deze vordering dan ook afwijzen.
Proceskosten
De man voert aan dat de rechtbank in de bodemprocedure heeft aangegeven dat er geen sprake meer is van een geschil tussen partijen omdat beide ouders in beginsel binnen hun zorgtijd gebruik kunnen maken van een door hen gekozen peuterspeelzaal. Desondanks heeft de vrouw haar hoger beroep gehandhaafd en wordt de man nodeloos met proceskosten geconfronteerd. De man vordert daarom de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
De betwisting van de vrouw komt erop neer dat zij wel degelijk een reden had om de onderhavige procedure voort te zetten omdat ze alsnog een juridische toets wilde ten aanzien van de spoedeisendheid van de vordering van de man in de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg.
Het hof stelt vast dat de omstandigheden na het hoger beroep van de vrouw zodanig zijn gewijzigd door de uitspraak van de bodemrechter en door de feitelijke situatie dat de kinderen al geruime tijd naar [D] in [C] gaan en het daar goed doen, de vrouw feitelijk geen belang meer had bij handhaving van haar hoger beroep. Het hof ziet in de proceshouding van de vrouw en het handhaven van haar vordering inzake het spoedeisend belang aanleiding om haar te veroordelen in de gevorderde proceskosten.
Deze kosten worden aan de zijde van de man vastgesteld op:
de griffierechten: € 362,--;
de eigen bijdrage Raad voor de Rechtsbijstand € 951,--.
7 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [A] , van 9 december 2024;
verklaart de vrouw in haar subsidiaire vordering onder II. en haar primaire en subsidiaire vordering onder III. niet-ontvankelijk;
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de man op € 362,-- aan griffierechten en op € 951,-- (de eigen bijdrage RvR);
verklaart dit arrest tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.J. Peters, A.M. Bossink en M.A. Stammes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.
griffier rolraadsheer