Verbintenissenrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Hoger beroep · Verbintenissenrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 maart 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:957 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 maart 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2021-957
Zaakgegevens
Op 30 maart 2021 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 maart 2021
- Datum publicatie
- 30 maart 2021
- Zaaknummer
- 200.283.579_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L.R.G.M Spronken te 's-Hertogenbosch, mr. A Ester te Zwijndrecht
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2021:957
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Warsteiner Benelux B.V.
Procesgang
Uitspraak · 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:4114Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 maart 2021deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2021:957
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.283.579/01
arrest van 30 maart 2021
in de zaak van
Warsteiner Benelux B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: Warsteiner,
advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,
tegen
1 Delftsestraat Exploitatie B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als: Delftsestraat c.s.,
advocaat: mr. A. Ester te Zwijndrecht,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 augustus 2020, gewezen tussen Warsteiner als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en Delftsestraat c.s. als eisers in conventie, verweerders in reconventie.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351454 / HA ZA 19-674)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 11 december 2019.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
de memorie van grieven met producties;
-
de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;
-
de memorie van antwoord in het incidenteel appel, tevens houdende een verzoek tot verwijzing naar een ander gerechtshof ex artikel 62B RO.
Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest.
3 De beoordeling
In haar laatste memorie heeft Warsteiner verzocht om de zaak te verwijzen naar een ander hof omdat het bestreden vonnis is gewezen door mr. Z.D. van Heesen-Laclé die destijds RIO/rechter-plaatsvervanger was bij de rechtbank, maar thans RHIO/raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof.
Op grond van artikel 62b Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) kan het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.
Volgens het Zaakverdelingsreglement van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, gepubliceerd in Staatscourant 2020 nr. 33889, worden zaken waarbij eigen medewerkers zijn betrokken conform het “Protocol rechtszaak eigen medewerker” van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, verwezen naar het gerechtshof Den Haag. Uit dit Protocol blijkt dat het moet gaan om gevallen waarin een medewerker van het hof privé (direct of indirect) betrokken is bij een zaak. In deze zaak is geen sprake van persoonlijke betrokkenheid, maar van professionele betrokkenheid. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62b Wet RO en dat het verzoek om verwijzing naar een ander hof zal worden afgewezen.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 13 april 2021 voor beraad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2021 voor beraad, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 maart 2021.
griffier rolraadsheer