Verbintenissenrecht
Meerdere geschillen tussen recreatiepark en de VvE van de kavels/chalets in het park over de uitleg van de…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2681 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 september 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2681
Zaakgegevens
Op 30 september 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 september 2025
- Datum publicatie
- 30 september 2025
- Zaaknummer
- 200.325.521_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.A.C.J van Kessel te Boxtel, mr. R.A.C.J van Kessel te Boxtel, mr. T. Vink te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2681
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Meerdere geschillen tussen recreatiepark en de VvE van de kavels/chalets in het park over de uitleg van de beheerovereenkomst, onder meer over onderhoud, de doorberekening van kosten voor elektriciteit en water en over de hoogte van de VvE-bijdragen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.325.521/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
Vereniging van Eigenaren Resort de Molenheide,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna: de VvE,
advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel,
en
[persoon A] ¸
wonende te [woonplaats] ,
gevoegde partij aan de zijde van de VvE,
hierna: [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel,
tegen
Comfort Parcs [xx] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: Comfort Parcs,
advocaat: mr. T. Vink te Amsterdam.
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 30 mei 2023 en 16 juli 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/363009 / HA ZA 20-622 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8 Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 16 juli 2024, waarbij [woonplaats] in het incident is toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de VvE en waarbij is verstaan dat de procedure voor wat betreft de door de VvE ingestelde vorderingen in de memorie van grieven met 1, 2 en 4 geduid, met ingang van 16 april 2024 is geschorst;
-
de memorie van antwoord met producties;
-
de bij H-formulier van 2 april 2025 door de VvE toegezonden producties 13 tot en met 17, de bij H-formulier van 4 april 2025 door Comfort Parcs toegezonden producties 64 tot en met 67 en de bij H-formulier van 11 april 2025 door de VvE toegezonden productie 18, welke producties partijen bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht.
-
het proces-verbaal van de op 15 april 2025 gehouden mondelinge behandeling;
-
de H-formulieren waaruit blijkt dat partijen geen (nadere) minnelijke regeling hebben bereikt en dat zij arrest hebben gevraagd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9 De beoordeling
de feiten
Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de vaststaande feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.12 van het bestreden vonnis, welke feiten ook voor het hof uitgangspunt vormen. Het gaat in dit geding om het volgende.
Comfort Parcs is eigenaar en beheerder van Resort de Molenheide, een recreatiepark met chalets waarvan de meeste zijn verkocht aan particulieren. Een aantal voorzieningen op het park, en ook de infrastructuur, zijn in eigendom gebleven van Comfort Parcs.
De VvE is opgericht teneinde de belangen te behartigen van de eigenaars van een kavel op het park. Alle eigenaars van een kavel zijn ingevolge een kettingbeding bij aankoop van de kavel verplicht lid van de VvE.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Comfort Parcs en de VvE is in 2004 een beheerovereenkomst tot stand gekomen (productie 2 bij inleidende dagvaarding), waaraan alle parkbewoners zijn gebonden.
In de beheerovereenkomst is bepaald dat Comfort Parcs zorgdraagt voor het beheer van het park (artikel 1), waaronder in ieder geval worden verstaan taken, diensten en leveringen met betrekking tot de algemene verzorging, de terreinverlichting, speel- en centrumvoorzieningen en het openluchtzwembad (artikel 2).
In artikel 4 van de beheerovereenkomst is bepaald dat groot onderhoud, zoals herbestrating, vervanging van infrastructurele voorzieningen, waaronder het openluchtzwembad en dergelijke, niet onder het in de eerdere artikelen omschreven beheer valt. Dit groot onderhoud, alsmede al die werkzaamheden die van overheidswege of door nutsbedrijven worden voorgeschreven, worden door toedoen van de beheerder (Comfort Parcs) uitgevoerd en aan de vereniging in rekening gebracht.
Artikel 5 van de beheerovereenkomst bepaalt dat elektriciteit, water en gas door de beheerder (Comfort Parcs) worden geleverd via een eigen distributienet van het resort, alsook dat het verbruik wordt geregistreerd door middel van tussenmeters in meterkasten – die zich bevinden op de centrale voorzieningen of op de kavels en die ongeacht de standplaats eigendom blijven van Comfort Parcs – en dat de eigenaren hun medewerking moeten verlenen voor het vestigen van een opstalrecht voor zover dat nodig of wenselijk is.
Artikel 6 van de beheerovereenkomst luidt: "Voor de levering van elektriciteit, water, gas en CAI-signaal zullen de tarieven worden gehanteerd, zoals die gelden voor particulierenkleinverbruikers in de gemeente waarin het resort is gelegen, alsmede de daarbij van toepassing zijnde vastrechttarieven. (…)"
In artikel 11 van de beheerovereenkomst is bepaald dat de kosten van het onderhoud aan en de vervanging van de meterkasten en tussenmeters in de servicevergoeding voor de vaste kosten zijn begrepen.
Artikel 13 van de beheerovereenkomst luidt:
"De vereniging is voor de vaste kosten van het hiervoor omschreven beheer aan de beheerder een vaste servicevergoeding verschuldigd. De vaste servicevergoeding bedraagt per een niet bij de beheerder in eigendom zijnde kavel vierhonderd zestig euro (€ 460,00) exclusief omzetbelasting per kalenderjaar (...).
Bij gewijzigde relevante regelgeving kan het bedrag eenzijdig door de beheerder worden verhoogd."
In 2021 bedroeg de vaste servicevergoeding als bedoeld in artikel 13 van de beheerovereenkomst in totaal ruim € 189.000,-.
Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de wijze waarop de in 2004 tot stand gekomen beheerovereenkomst moet worden uitgelegd en toegepast.
Op 22 mei 2018 hebben partijen een overeenkomst gesloten ter vaststelling van hun over en weer uit de beheerovereenkomst volgende verplichtingen voor wat betreft de jaren 2015 en 2016. Deze vaststellingsovereenkomst behelst onder meer een voorwaardelijke kwijtschelding door Comfort Parcs van een schuld van de VvE van € 245.000,- wegens in 2015 en 2016 te weinig betaalde kosten ingevolge de beheerovereenkomst.
In de vaststellingsovereenkomst is verder bepaald dat partijen zo spoedig mogelijk in onderling overleg vaststellen welke activiteiten/werkzaamheden ingevolgde de beheerovereenkomst onder het begrip onderhoud vallen (en dus voor rekening van Comfort Parcs komen) en welke activiteiten/werkzaamheden onder het begrip groot onderhoud vallen (en dus voor rekening van de VvE komen), en dat daartoe een aanvulling op de beheerovereenkomst wordt gemaakt. Een dergelijke aanvulling is evenwel nooit tot stand gekomen.
Comfort Parcs heeft het park aan de gemeente [A] verkocht en op 2 april 2024 geleverd.
het geschil in eerste aanleg
De VvE heeft vorderingen ingesteld tegen Comfort Parcs die, na eiswijziging, bestonden uit 21 onderdelen in totaal. Comfort Parcs heeft daartegen verweer gevoerd.
In het hiernavolgende houdt het hof de nummering aan die de VvE in haar akte wijziging van eis van 8 juni 2021 heeft gebruikt.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank:
-
Comfort Parcs veroordeeld om € 1.883,67 aan de VvE te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, ter zake van de kosten die de VvE heeft gemaakt voor het doorspuiten van het riool (vordering 13 en 14);
-
voor recht verklaard dat vanaf 2017 heeft te gelden dat het totale door Comfort Parcs in rekening te brengen elektriciteitstarief per kWh (inclusief vaste kosten) niet hoger mag zijn dan het totale tarief dat een gemiddeld [xx] gezin met eenzelfde verbruik betaalt (het tweede deel van vordering 15);
-
Comfort Parcs veroordeeld tot betaling van € 382,98 aan de VvE, vermeerderd met wettelijke rente, als bijdrage voor de afvoer van huisvuil van twee chalets (vordering 20).
De volgende vorderingen van de VvE heeft de rechtbank niet toegewezen (de vorderingen zijn afgewezen of de VvE is daarin niet-ontvankelijk verklaard):
- vorderingen 1 tot en met 4, ertoe strekkende dat Comfort Parcs op de voet van artikel 2 van de beheerovereenkomst (achterstallig) onderhoud moet verrichten en daarmee verband houdende kosten moet betalen;
- vordering 5 ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat parkbewoners zonder voorafgaande toestemming van Comfort Parcs zonnepanelen mogen plaatsen en dat Comfort Parcs moet meewerken aan de daarmee verband houdende vervanging of aanpassing van de elektriciteitsmeter op kosten van Comfort Parcs;
- vordering 6 tot veroordeling van Comfort Parcs om dagelijks van 9.00 tot 19.00 uur tenminste één medewerker op de receptie aanwezig te laten zijn;
- vordering 7 tot veroordeling van Comfort Parcs om de horecagelegenheid dagelijks (behalve op maandag) geopend te houden van 17.00 tot 21.00 uur;
- vordering 8 tot veroordeling van Comfort Parcs tot vergoeding van de door de VvE gedragen kosten van het vervangen van de vijverpomp ten bedrage van € 4.365,34;
- vorderingen 9 tot en met 12 die ertoe strekken om Comfort Parcs te verplichten jaarlijks inzichtelijk te maken welk regulier onderhoud is verricht en welke kosten daarmee verband hielden, en een addendum bij de beheerovereenkomst tot stand te brengen waarin wordt vastgelegd wat onder regulier onderhoud valt (en dus voor rekening komt van Comfort Parcs) en wat onder het begrip groot onderhoud valt (en dus voor rekening komt van de VvE).
- het eerste deel van vordering 15, ertoe strekkende om voor recht te verklaren dat het tarief dat is vastgesteld door de rechtbank bij vonnis van 17 mei 2018 in de kwestie [yy] (rov. 6.1 en 6.2), bekrachtigd bij arrest van dit hof van 24 maart 2020, een all-in
tarief is waarin reeds alle prijscomponenten zijn verdisconteerd;
- vordering 16, strekkende tot een verklaring voor recht dat Comfort Parcs betreffende de (jaarlijkse) waterprijzen die zij in rekening brengt aan de parkbewoners hetzelfde tarief dient te hanteren als de [xx] gezinnen betalen conform de tarievenregeling van Brabantwater.
- vordering 17, ertoe strekkende voor recht te verklaren dat hetgeen de parkbewoners tot op heden aan Comfort Parcs hebben betaald betreffende de waterprijzen, onverschuldigd is betaald voor zover deze prijzen de tarievenregeling van Brabantwater te boven zijn gegaan;
- vordering 18, strekkende tot een verklaring voor recht dat de VvE geen huur verschuldigd is voor het gebruik van de milieustraat;
- vordering 19 tot strekkende betaling van € 8.834,95, te vermeerderen met wettelijke rente en met € 581,80 per maand, ter zake van de maandelijkse bijdrage die Comfort Parcs als eigenaar van een aantal kavels verschuldigd is.
het geschil in hoger beroep
Bij memorie van grieven tevens houdende verandering van eis heeft de VvE vijf grieven aangevoerd. De VvE concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar – in hoger beroep gewijzigde – vorderingen, met dien verstande dat zij haar vorderingen met betrekking tot achterstallig parkonderhoud (1 tot en met 4), openingstijden van de receptie (6), openingstijden van de horeca (7) en de huurbetalingen voor de milieustraat (18) in hoger beroep niet handhaaft.
Comfort Parcs heeft de grieven bestreden.
In het tussenarrest van 16 juli 2024 is verstaan - het hof houdt de in eerste aanleg gebezigde nummering aan - dat de vorderingen 5 (zonnepanelen) en 9 tot en met 12 (inzichtelijk maken van de onderhoudskosten en het addendum) zijn geschorst. Hierop behoeft dus niet te worden beslist.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is een schikking tot stand gekomen met betrekking tot vordering 8 (de vijverpomp), in die zin dat partijen zijn overeengekomen dat zij de kosten van de vervanging van de vijverpomp delen. Hierop behoeft dus niet te worden beslist.
Ten aanzien van de VvE-bijdragen (vordering 19) hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij nog zouden proberen om een schikking te bereiken, maar partijen hebben nadien op de rol laten weten dat dat niet is gelukt.
Thans resteren ter beoordeling in hoger beroep derhalve nog de in eerste aanleg afgewezen vorderingen die betrekking hebben op het elektriciteitstarief (15), de waterprijzen (16) en de achterstallige VvE-bijdragen (19). Alleen de grieven 4 en 5 en de gewijzigde vordering van de VvE met betrekking tot de achterstallige VvE-bijdragen en de toelichting daarbij behoeven daarom nog behandeling.
Elektriciteitstarief
Met grief 4 betoogt de VvE dat de rechtbank ten onrechte het eerste deel van vordering 15 heeft afgewezen, namelijk dat deel waarbij de VvE heeft gevorderd "voor recht te verklaren dat het tarief in de verklaring voor recht zoals door de rechtbank bij vonnis van 17 mei 2018 afgegeven in de kwestie [yy] (rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2) en door het hof bekrachtigd bij arrest van 24 maart 2020, een all-in tarief betreft waarin reeds alle prijscomponenten zijn verdisconteerd". De VvE heeft deze vordering in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat zij deze vordering aanvult met: "inclusief de post vermindering energiebelasting (heffingskorting)".
Het gaat hier om het vonnis van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch (rechtbank Oost-Brabant), van 17 mei 2018, zaaknummer 6305407 \ CV EXPL 17-6716, gewezen tussen [yy] en Comfort Parcs, en het in het hoger beroep van dat vonnis gewezen arrest van dit hof van 24 maart 2020, zaaknummer 200.242.651/01. In die zaken is geoordeeld dat artikel 6 van de beheerovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat het all-in-tarief (€ 0,15 per kWh in 2014 tot en met 2016, het tarief dat een gemiddeld particulier huishouden in [xx] betaalt voor elektriciteit) geldt voor de levering van elektriciteit tot aan het chalet en dat Comfort Parcs geen aanvullende kosten mag rekenen voor het transport van de elektriciteit over het eigen distributienetwerk van het park.
In het bestreden vonnis is het hiervoor geciteerde deel van de vordering afgewezen omdat genoemde uitspraken zien op de rechtsverhouding tussen Comfort Parcs en een (voormalige) individuele parkbewoner ( [yy] ) en het volgens de rechtbank niet aan haar is om in de onderhavige zaak tussen de VvE en Comfort Parcs een algemene beslissing te geven over de uitleg van het oordeel van de kantonrechter en het hof in die specifieke zaken.
Partijen zijn het er inmiddels over eens - zie rechtsoverweging 5.79.3 van het bestreden vonnis, punt 7 van de spreekaantekeningen van mr. Van Kessel en punt 6 van de spreekaantekeningen van mr. Vink - dat het oordeel van kantonrechter en hof in de zaak [yy] ook heeft te gelden voor alle overige en huidige kaveleigenaren, die immers aan dezelfde beheerovereenkomst zijn gebonden als (destijds) [yy] . Er kan daarom worden uitgegaan van de precedentwerking van dat vonnis en dat arrest voor het onderhavige geschil. Dat betekent dat, zoals in die uitspraken is bepaald, in het onderhavige geschil het tarief per kWh voor de levering van elektriciteit moet aansluiten bij (gelijk moet zijn aan) het tarief dat een gemiddeld [xx] gezin daarvoor betaalt en dat dat tarief niet mag worden vermeerderd met de gemiddelde kosten die Comfort Parcs moet maken voor de instandhouding van haar eigen distributienetwerk in het park (rechtsoverweging 4.5 e.v. van dat vonnis en rechtsoverweging 3.7 e.v. van dat arrest).
Eenzelfde uitleg van artikel 6 van de beheerovereenkomst heeft naar het oordeel van het hof - anders dan Comfort Parcs als verweer heeft aangevoerd - te gelden voor de zogenaamde heffingskorting (de vermindering van de energiebelasting). In eerste aanleg heeft de VvE als productie 87 bij akte van 8 juni 2021 het in haar opdracht opgestelde 'Adviesrapport Tariefonderzoek elektriciteit Resort De Molenheide' van Eco2Advies van 29 januari 2016 in het geding gebracht. Het adviesrapport had tot doel om een onderbouwd oordeel mogelijk te maken over het tarief voor levering van elektriciteit dat door de (voormalig) beheerder van Resort De Molenheide werd berekend aan haar bewoners, zo staat in de inleiding van het rapport vermeld.
Op bladzijde 12 van het rapport wordt de heffingskorting uitdrukkelijk meegenomen als component voor de berekening van het tarief dat een gemiddelde [xx] particulier per jaar betaalt voor elektriciteit.
Op bladzijde 14 van het rapport staat als conclusie vermeld: "Een gemiddeld particulier huishouden in [xx] betaalde in 2014 ca. € 0,1543/ kWh exclusief BTW voor elektriciteit. In dit bedrag zijn alle componenten meegenomen, inclusief de heffingskorting."
Comfort Parcs heeft de inhoud en deugdelijkheid van het rapport als zodanig niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De conclusie moet naar het oordeel van het hof zijn dat het totale door Comfort Parcs in rekening te brengen energietarief per kWh niet hoger mag zijn dan het totale tarief dat een gemiddeld [xx] gezin met eenzelfde verbruik betaalt per kWh, inclusief de vaste kosten en inclusief de heffingskorting. Het eerste deel van vordering 15 is derhalve toewijsbaar in de enigszins aangepaste vorm zoals in het dictum bepaald (toegespitst op het onderhavige geschil), met inbegrip van de bij wijziging van eis toegevoegde zinsnede. Grief 4 slaagt in zoverre.
Het watertarief
De VvE heeft gevorderd om voor recht te verklaren dat:
- Comfort Parcs betreffende de (jaarlijkse) waterprijzen die zij in rekening brengt aan de
parkbewoners hetzelfde tarief dient te hanteren als de [xx] gezinnen betalen conform de tarievenregeling van Brabant Water (vordering 16);
- hetgeen de parkbewoners tot op heden aan Comfort Parcs hebben betaald betreffende de
waterprijzen, onverschuldigd is betaald voor zover deze prijzen de tarievenregeling van Brabant Water te boven zijn gegaan (vordering 17).
In het bestreden vonnis is de VvE niet-ontvankelijk verklaard in deze vorderingen, omdat de VvE volgens de rechtbank niet heeft voldaan aan de vereisten die artikel 3:305a BW stelt om een collectieve actie te kunnen starten en de VvE geen eigen belang heeft bij de vorderingen. Hiertegen is grief 5 gericht.
Grief 5 faalt voor zover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de VvE in vordering 17. De beheerovereenkomst is gesloten tussen enerzijds Comfort Parcs en anderzijds de VvE. De individuele leden van de VvE zijn geen partij bij de beheerovereenkomst. Niet kan worden gezegd dat de VvE een eigen belang heeft bij de vordering. Aan de VvE zelf wordt geen water geleverd. Weliswaar is de VvE, zoals zij heeft aangevoerd, gemachtigd tot het voeren van de onderhavige procedure door middel van een procesvolmacht, maar die volmacht is niet afgeven door de individuele leden van de VvE. De VvE kan daarom niet worden geacht de vordering te hebben ingesteld namens die individuele leden. Ook heeft de VvE niet aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank omtrent de eisen van artikel 3:305a BW onjuist is.
Grief 5 slaagt voor zover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de VvE in vordering 16. De VvE is partij bij de beheerovereenkomst en heeft daarom een eigen belang bij een uitspraak over de uitleg van artikel 6 van die overeenkomst. Daaraan doet niet af, zoals Comfort Parcs heeft aangevoerd, dat Brabantwater uitsluitend levert aan de parkbewoners.
De vordering heeft dezelfde grondslag als de hiervoor behandelde en toewijsbaar geachte vordering tot levering van elektriciteit, namelijk artikel 6 van de beheerovereenkomst. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil - zie punt 35 van de memorie van antwoord - dat levering van water, evenals de levering van elektriciteit, dient plaats te vinden tegen de tarieven die een [xx] gezin betaalt. Evenmin is in geschil dat Brabant Water de enige leverancier van water is in [xx] . De vordering is derhalve toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde verklaring voor recht in tijd zal worden begrensd tot de verkoop van het park aan de gemeente.
Achterstallige VvE-bijdragen
De VvE vorderde in eerste aanleg veroordeling van Comfort Parcs tot betaling van € 8.834,95, te vermeerderen met wettelijke rente en met een bedrag van € 581,80 voor iedere maand of gedeelte van een maand dat Comfort Parcs de percelen nog in eigendom heeft of heeft gehad na 1 juni 2021.
De VvE heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Comfort Parcs eigenaar is van tien kavels op het park (genoemd in punt 153 van de inleidende dagvaarding) en dat Comfort Parcs op grond van de statuten verplicht lid is en een bijdrage aan de VvE is verschuldigd van € 581,80 per maand voor de tien kavels. Comfort Parcs is echter vanaf januari 2020 in gebreke gebleven de bijdragen te voldoen, aldus de VvE.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld (rechtsoverweging 5.105 van het bestreden vonnis) dat het verweer van Comfort Parcs dat zij de betaling van de VvE-bijdragen mag opschorten totdat de VvE de huur van de milieustraat aan Comfort Parcs zou voldoen, slaagt. De rechtbank heeft de vordering daarom afgewezen.
In hoger beroep heeft de VvE aangevoerd (bladzijde 21 van de memorie van grieven) dat zij de huurtermijnen voor de milieustraat inmiddels, op 31 maart 2023, heeft voldaan en dat Comfort Parcs daarom niet langer gerechtigd is de VvE-bijdragen op te schorten. De VvE heeft haar vordering vermeerderd. Zij vordert nu veroordeling van € 11.794,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2023 (twee weken nadat de VvE haar huurachterstand had ingelost en er dus geen rechtsgrond meer voor de opschorting bestond) en te vermeerderen met een bedrag van € 581,80 voor iedere maand of gedeelte van een maand dat Comfort Parcs de percelen nog in eigendom heeft of heeft gehad na 27 februari 2024.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de VvE als productie 17 een overzicht in het geding gebracht van de achterstanden op 31 maart 2025. Daaruit blijkt een achterstand van € 9.735,25.
Comfort Parcs heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling productie 67 in het geding gebracht. Daaruit blijken de betalingen van VvE-bijdragen die Comfort Parcs in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 5 april 2024 heeft gedaan, namelijk 19 betalingen van € 581,80 in de jaren 2022, 2023 en 2024 en één betaling van € 9.430,26 op 31 augustus 2022, derhalve in totaal € 20.484,46.
Ter mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen afgesproken: "Ten aanzien van de vaststelling van de door Comfort Parcs te betalen VvE-bijdragen zullen de boekhouders van partijen binnen vier weken na heden bijeenkomen om het overzicht te verifiëren van betaalde bedragen en verrekende bedragen over en weer. Partijen zullen het hof uiterlijk op de rol van 10 juni 2025 informeren of de boekhouders overeenstemming hebben bereikt."
Partijen zijn hierover niet tot overeenstemming gekomen.
Het hof overweegt dat de VvE aan haar vordering tot betaling van de VvE-bijdragen ten grondslag heeft gelegd dat Comfort Parcs vanaf januari 2020 is opgehouden de bijdragen aan de VvE te betalen. Vanaf januari 2020 tot de levering van het park aan de gemeente begin april 2024 (vier jaar en drie maanden later) zijn 51 termijnen verschenen. 51 termijnen x € 581,80 = € 29.671,80. Dit bedrag is Comfort Parcs in totaal verschuldigd geworden.
Uit de door Comfort Parcs in het geding gebrachte productie 19, die door de VvE niet is betwist, blijkt dat zij in totaal € 20.484,46 heeft betaald. Andere betalingen zijn het hof niet gebleken. Het verschil tussen beide bedragen, € 9.187,34, is naar het oordeel van het hof als hoofdsom toewijsbaar.
Comfort Parcs heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente, zodat deze kan worden toegewezen zoals gevorderd. Gelet op de levering van het park aan de gemeente kan een veroordeling tot betaling van toekomstige termijnen achterwege blijven.
Gelet op de voorgaande overwegingen slagen de grieven 4, 5 (gedeeltelijk) voor zover hierboven vermeld. De desbetreffende vorderingen zullen worden toegewezen zoals in het dictum bepaald, bovenop de al in eerste aanleg toegewezen vorderingen. Ook de gewijzigde eis ter zake de achterstallige VvE-bijdragen wordt (gedeeltelijk) toegewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis geheel vernietigen en nieuwe beslissingen geven.
In de uitkomst van de procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, met inbegrip van de kosten van het incident.
10 De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Comfort Parcs om aan de VvE te betalen een bedrag van € 1.883,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 661,57 met ingang van 30 juli 2019, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.222,10 met ingang van 9 september 2020 (vorderingen 13 en 14 ter zake van de kosten van de riolering);
veroordeelt Comfort Parcs om aan de VvE te betalen een bedrag van € 382,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2021 totdat Comfort Parcs de vordering heeft voldaan, ter zake van afvalbijdragen (vordering 20);
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in haar vordering 15 voor zover die vordering is gebaseerd op artikel 3:305a BW;
verklaart voor recht dat het tarief in de verklaring voor recht zoals door de rechtbank bij vonnis van 17 mei 2018 afgegeven in de kwestie [yy] (rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2) en door het hof bekrachtigd bij arrest van 24 maart 2020, een all-in tarief betreft waarin reeds alle prijscomponenten zijn verdisconteerd, inclusief de post vermindering energiebelasting / heffingskorting (vordering 15);
verklaart voor recht dat Comfort Parcs betreffende de (jaarlijkse) waterprijzen die zij in rekening brengt aan de parkbewoners hetzelfde tarief dient te hanteren als de [xx] gezinnen betalen conform de tarievenregeling van Brabantwater (vordering 16);
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in haar vordering 17, ertoe strekkende voor recht te verklaren dat hetgeen de parkbewoners aan Comfort Parcs hebben betaald betreffende de waterprijzen, onverschuldigd is betaald voor zover deze prijzen de tarievenregeling van Brabantwater te boven zijn gegaan;
veroordeelt Comfort Parcs om aan de VvE te betalen een bedrag van € 9.187,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2023 tot de voldoening ter zake van de VvE-bijdragen (vordering 19);
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, P.M. Arnoldus-Smit en H.F.P. van Gastel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.
griffier rolraadsheer