Verbintenissenrecht
Geldlening. De geldnemers voldoen niet aan betalingsverplichtingen. Uitleg van afspraken over regeling en…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3357 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-3357
Zaakgegevens
Op 25 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 25 november 2025
- Datum publicatie
- 25 november 2025
- Zaaknummer
- 200.331.516_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J Groenewoud te Amsterdam, mr. V.G.A. Kruijtzer te Nijmegen
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3357
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geldlening. De geldnemers voldoen niet aan betalingsverplichtingen. Uitleg van afspraken over regeling en finale kwijting. Toepassing Haviltex-criterium.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.331.516/01
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
1 [xx] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [appellante sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [xx] Beheer en [appellante sub 2] en gezamenlijk als [appellanten] ,
advocaat: mr. J. Groenewoud te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. V.G.A. Kruijtzer te Nijmegen.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 oktober 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/380648 / HA ZA 22-181 gewezen vonnis van 22 maart 2023.
5 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 10 oktober 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 16 januari 2024;
-
de memorie van grieven met producties 1 en 2;
-
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties 27 tot en met 29;
-
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
-
de mondelinge behandeling op 19 augustus 2025, waarbij [geïntimeerde] spreeknotities heeft overgelegd;
-
de bij H12-formulier van 24 april 2025 door [geïntimeerde] toegezonden akte overleggen productie met productie 30, die [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht;
- de bij H12-formulier van 5 augustus 2025 door [geïntimeerde] toegezonden akte overleggen producties met producties 31 en 32, die [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6 De beoordeling
Kern van de zaak
[geïntimeerde] heeft geldleningen verstrekt aan [xx] Beheer en aan [xx] Beheer, haar bestuurder [persoon A] en [appellante sub 2] , de echtgenote van [persoon A] , gezamenlijk. Tot zekerheid van de terugbetaling van deze leningen heeft [appellante sub 2] zich borg gesteld en zijn er ten gunste van [geïntimeerde] hypotheekrechten gevestigd op drie onroerende zaken.
[xx] Beheer, [persoon A] en [appellante sub 2] hebben niet (volledig) aan hun betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] voldaan waarna [geïntimeerde] hen daartoe meermaals heeft gesommeerd. [appellanten] zijn, met medeweten van [geïntimeerde] , op een gegeven moment overgegaan tot verkoop van één van de verhypothekeerde panden, waarbij partijen aanvankelijk hebben afgesproken dat de hele verkoopopbrengst van dat pand aan [geïntimeerde] zou worden betaald, waarna [geïntimeerde] ter zake de geldleningen finale kwijting zou verlenen. Bij de levering van het verkochte pand bleken [appellanten] niet in staat de courtage voor de verkopend makelaar te voldoen. Partijen hebben toen afspraken gemaakt om te bereiken dat de levering van het verkochte pand zou kunnen doorgaan. Partijen twisten over de inhoud van die afspraken en over de vraag of [appellanten] aan hun daaruit resulterende verplichtingen hebben voldaan. De uitkomst hiervan bepaalt of [geïntimeerde] gehouden is om het nu nog resterende hypotheekrecht op één van de onroerende zaken door te halen of dat [appellanten] nog betalingsverplichtingen hebben tegenover [geïntimeerde] .
De feiten
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
[geïntimeerde] heeft drie geldleningen verstrekt:
-
op 10 maart 2015 een lening van € 250.000,- aan [xx] Beheer (“lening 1”);
-
op 8 oktober 2015 een lening van € 150.000,- aan [xx] Beheer (“lening 2”), en
-
op 21 augustus 2018 een lening van € 200.000,- aan [xx] Beheer, [appellante sub 2] en [persoon A] , (indirect) bestuurder van [xx] Beheer en echtgenoot van [appellante sub 2] , (“lening 3”).
[appellante sub 2] heeft voor lening 1 en 2 een borgtocht afgegeven aan [geïntimeerde] . De borgtochten gelden voor de hoofdsom en voor rente en kosten, waarbij geldt dat [appellante sub 2] voor rente en kosten kan worden aangesproken tot een bedrag dat maximaal 40% bedraagt van het saldo van borgstelling op het moment dat zij door [geïntimeerde] tot betaling wordt aangesproken.
Tot zekerheid voor de terugbetaling van lening 1 heeft [xx] Beheer ten gunste van [geïntimeerde] een recht van eerste hypotheek gevestigd op een pand aan [adres A] .
Tot zekerheid voor de terugbetaling van lening 2 heeft [xx] Beheer ten gunste van [geïntimeerde] een recht van tweede hypotheek gevestigd op het pand aan [adres A] en een recht van eerste hypotheek op een garage aan [adres B] (de garage).
Tot zekerheid voor de terugbetaling van lening 3 heeft [xx] Beheer ten gunste van [geïntimeerde] een recht van derde hypotheek gevestigd op het pand aan [adres A] en hebben [appellante sub 2] en [persoon A] een recht van eerste hypotheek gevestigd op hun woonhuis aan [adres C] (het woonhuis).
Geldleningen 1 en 2 moesten op 9 september 2017 volledig zijn terugbetaald. Geldlening 3 moest op 27 december 2018 volledig zijn terugbetaald.
[xx] Beheer, [appellante sub 2] en [persoon A] hebben niet voldaan niet aan hun verplichtingen tot terugbetaling van de hoofdsom en ook niet (volledig) aan hun verplichtingen tot betaling van rente. In 2018 en 2019 heeft [geïntimeerde] hen meerdere malen gesommeerd tot (terug)betaling van hoofdsom, rente, contractuele boete en kosten.
[xx] Beheer is vervolgens, met inschakeling van een makelaar, overgegaan tot verkoop van het pand aan [adres A] . Dit pand is verkocht voor een bedrag van € 670.000,- en de afspraak was dat levering op 16 december 2019 zou plaatsvinden. [geïntimeerde] enerzijds en [appellanten] en [persoon A] anderzijds hebben afgesproken dat [geïntimeerde] tegen betaling van de koopsom van € 670.000,- finale kwijting zou verlenen en dat alle ten gunste van [geïntimeerde] gevestigde hypotheken zouden worden doorgehaald.
Op 16 december 2019 om 09:34u heeft de makelaar een e-mail aan [persoon A] en [appellante sub 2] gestuurd waarin staat:
“Ik ontving zojuist een telefoontje van de Notaris.
Deze vertelde dat ik precies zou weten hoe het zit met het geld.
Om je de waarheid te vertellen weet ik helaas niet precies hoe het zit. In grote lijnen was het mij
wel duidelijk, maar de details ontbreken.
Jullie hebben mij opdracht gegeven om de woning te verkopen.
Jullie hebben zelf een deal met de hypotheekgever gemaakt en er moet blijkbaar nog wat geld
overgemaakt worden.
Het vriendelijke verzoek van de notaris is om dat verschil naar hem over te maken zodat er
getransporteerd kan worden.”
[persoon A] heeft deze e-mail diezelfde dag om 09:43u doorgestuurd naar [geïntimeerde] :
“Beste [geïntimeerde] ,
Je weet wat wij hebben afgesproken.
Hierdoor kan ik om 11.00 uur niet naar de notaris om te tekenen.”
Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 16 december 2019 om 11:58u een e-mail aan de notaris gestuurd:
“ [persoon A] heeft mij verzocht de makelaar te betalen. In dat geval houd ik de garage als zekerheid voor het
nakomen van zijn verplichting om mij het bedrag terug te betalen.
Hierbij ontvangt u de aangepaste afrekening van de hypotheek van [adres A] . Ik ga akkoord met een betaling van € 663.300,- waarbij ik uitsluitend royement verleen voor het onderpand (hypotheek) van;
1. [adres A] , [kadastrale aanduiding A] ;
2. woning aan [adres C] , [kadastrale aanduiding B] .
Uitdrukkelijk vermeld ik hierbij dat GEEN royement wordt verleend voor de pand/garage gelegen [adres B]
. Zie akte notaris [yy] d.d. 8 oktober 2015.
Mocht u nog vragen hebben dan verneem Ik dat graag.”
Op 4 februari 2020, 13 februari 2020 en 20 maart 2020 heeft [geïntimeerde] aan [persoon A] en [appellante sub 2] een rekeningaanmaning gestuurd. Op deze aanmaningen staat een overzicht van twaalf facturen uit de periode van 28 december 2018 tot en met 28 november 2019 voor een totaalbedrag van € 27.433,31, met het verzoek dit bedrag per omgaande over te maken.
Op 17 april 2020 heeft [persoon A] een e-mail aan [geïntimeerde] gestuurd waarin staat:
“Beste [geïntimeerde] ,
Zoals wij bij het transport van het pand aan [adres A] hebben afgesproken, zou ik zo spoedig mogelijk de helft van de makelaars courtage betalen zodat de hypotheek van de garage er af zou gaan.
Ik heb de laatste maanden wat opzij kunnen leggen zodat het thans zo ver is.
Kunnen wij afspreken dat volgende week, mits de notaris kan, dit bedrag via de notaris aan jou wordt overgemaakt, onder finale kwijting van alle schulden en doorhalen van de hypotheek op de garage aan [adres B] ?
Ik hoor graag.”
[geïntimeerde] heeft hierop bij brief van 23 april 2020 aan [persoon A] en [appellante sub 2] gereageerd. In deze brief staat het volgende:
“Op maandag 16 december 2019 heeft het transport van [adres A] plaatsgevonden. Destijds was de afspraak dat ik - in mijn hoedanigheid van hypotheeknemer - voor drie onroerende zaken royement zou verlenen tegen betaling van € 670.000,-. Ook zou ik in dat geval finale kwijting verlenen voor het restant van de vordering, ten belope van € 63.984,44. Omdat u nadien aangaf dat u niet in staat was de courtage van de makelaar te voldoen, ben ik u nog tegemoet gekomen door een verbeterde courtage met de makelaar uit te onderhandelen (1% i.p.v. 1,5%) en toe te zeggen de helft daarvan te zullen voldoen mits u de andere helft uiterlijk bij de levering onder de notaris gestort zou hebben.
Een half uur voordat het transport zou plaatsvinden heeft u mij echter bericht dat de verkoop geen doorgang zou vinden indien ik niet de gehele makelaarskosten zou voldoen, waarbij u toezegde dat ik dan de helft van die kosten in januari 2020 van u terug zou ontvangen. Door op deze wijze te handelen heeft u mij onder druk gezet en heeft u misbruik gemaakt van de omstandigheden. Ik heb de door u verschuldigde makelaarskosten vervolgens noodgedwongen volledig moeten betalen (om nog meer schade en kosten te voorkomen). Deze kosten van € 6.700,- komen echter voor uw rekening, u bent door mijn betaling ongerechtvaardigd verrijkt en u dient dit bedrag aan mij terug te betalen. De afspraak die we hadden waarbij u de helft van die makelaarskosten bij levering onder de notaris gestort zou hebben, bent u niet nagekomen. Voor zover nodig ontbind ik deze afspraak hierbij. (Anders dan u toezegde heeft u in januari 2020 overigens ook niets van deze kosten terugbetaald aan mij.)
Zoals van meet af aan duidelijk was voor alle partijen, zou ik royement voor drie hypotheekrechten verlenen en finale kwijting, mits ik een bedrag van € 670.000 zou ontvangen bij het transport van [adres A] . Aangezien u zich niet aan die afspraak hield (ik ontving € 663.300) is niet voldaan aan deze voorwaarde, zodat ik destijds geen royement heb verleend voor de garage aan [adres B] . Ook is door uw tekortkoming geen kwijtschelding verleend.
Samenvattend sommeer ik u tot betaling van de volgende bedragen:
Restant vordering geldlening (cf. afrekening notaris) € 63.984,44
Makelaarskosten € 6.700,-
Kosten Advocaat (buitengerechtelijke incassokosten) € 3.878,58
Geaccumuleerde rente restant vordering € P.M .
Te voldoen € 74.563,02”
De advocaat van [appellanten] en [persoon A] heeft hierop e-mail van 22 mei 2020, voor zover relevant, gereageerd
"[…] Cliënten zullen aan deze sommatie geen gevolg geven.
Tussen cliënten en u is in december 2019 overeengekomen dat zij de helft van de makelaarscourtage a € 6.700,= ex BTW zouden voldoen. Omdat cliënten daartoe niet direct in december 2019 in staat waren is de betaling uitgesteld en is -ter zekerheid- een hypotheekrecht op de garage van cliënten blijven rusten. In verband met betaling heeft [persoon A] in januari meermaals getracht om telefonisch met u in contact te komen, maar dat is niet gelukt. Op grond waarvan u thans meent aanspraak te kunnen maken op € 74.563,02 is mij niet duidelijk.
Als gezegd: cliënten zullen het overeengekomen bedrag ad €3350 te vermeerderen met BTW voldoen tegen royement van het hypotheekrecht. Gaarne ontvang ik van u een bevestiging dat u daartoe uw medewerking zult verlenen waarna een afspraak met de notaris kan worden gemaakt om e.e.a. te effectueren."
Het geschil in eerste aanleg
[appellanten] vorderden – samengevat – veroordeling van [geïntimeerde] om binnen drie dagen na betaling door [xx] Beheer van € 3.350,- opdracht te geven aan een notaris om het hypotheekrecht op de garage door te halen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag en met veroordeling van de [geïntimeerde] in de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. [geïntimeerde] vorderde – samengevat - hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van
Primair
a. een hoofdsom van € 45.684,44, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 16 december 2019;
Subsidiair
b. een bedrag van € 35.984,44 aan tot 16 december 2019 verschenen contractuele rente;
c. een bedrag van € 3.000,- wegens tot 16 december 2019 gemaakte (advocaat)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 december 2019, althans vanaf het moment dat het verzuim is ingetreden;
Primair en subsidiair
d. de contractuele boete van € 50.000,-, althans € 25.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2020;
e. de verzekeringspremie van € 385,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022;
f. de makelaarskosten van € 6.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2019, althans vanaf 8 mei 2020;
g. de in 2020 gemaakte advocaatkosten van € 913,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022,
met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van de werkelijke proceskosten die [geïntimeerde] vanaf 2022 in het kader van dit geschil en deze procedure heeft gemaakt, althans de buitengerechtelijke kosten en proceskosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het liquidatietarief.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022. De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot doorhaling van het hypotheekrecht op de garage tegen nakoming van de hiervoor genoemde veroordeling van [appellanten] . De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
Het geschil in hoger beroep
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft in het principale hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellanten] althans tot ongegrondverklaring van hun grieven en afwijzing van hun vorderingen.
[geïntimeerde] heeft in het incidentele hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het betreft de rechtsoverwegingen waartegen [geïntimeerde] heeft gegriefd, bekrachtiging van het vonnis voor het overige en het alsnog volledig toewijzen van alle vorderingen van [geïntimeerde] , met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde] in beide instanties, althans de buitengerechtelijke kosten en proceskosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het liquidatietarief.
[appellanten] hebben in het incidentele hoger beroep geconcludeerd dat de grieven van [geïntimeerde] dienen te falen en dat [geïntimeerde] moet worden veroordeeld in de kosten van het incidentele hoger beroep.
Met de grieven in het principale en het incidentele hoger beroep stellen partijen aan de orde
-
de inhoud van de door partijen gemaakte afspraken over kwijting en courtage (grief 2 in het principale hoger beroep en grief 1 in het incidentele hoger beroep);
-
de vraag of [geïntimeerde] een beroep op ontbinding toekomt (grief 1 in het principale hoger beroep), en
-
de omvang van de vordering van [geïntimeerde] op [appellanten] en het beroep van [appellanten] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (grief 3 in het principale hoger beroep en grief 2 en 3 in het incidentele hoger beroep).
De afspraken over kwijting en courtage
[appellanten] vorderen nakoming van de afspraak dat de hypotheek op de garage na betaling aan [geïntimeerde] van € 3.350,- zal worden doorgehaald. [appellanten] stellen dat deze afspraak op 16 december 2019 tijdens een telefoongesprek tussen [persoon A] en [geïntimeerde] is gemaakt en vervolgens door [geïntimeerde] aan de notaris per e-mail bevestigd. [appellanten] stellen voorts dat door betaling van de koopsom minus de courtage aan [geïntimeerde] , aan hen finale kwijting is verleend, behoudens voor wat betreft het hiervoor genoemde bedrag van € 3.350,-.
Dit alles wordt door [geïntimeerde] betwist. Volgens hem is er maar één afspraak, namelijk de afspraak dat hij na ontvangst van de verkoopopbrengst van [adres A] aan [appellanten] finale kwijting zou verlenen. De oorspronkelijke afspraak was dat [geïntimeerde] na ontvangst van de volledige verkoopopbrengst van € 670.000,- kwijting zou verlenen. Deze afspraak is aangepast toen bleek dat [xx] Beheer de makelaarscourtage van € 6.700,- niet kon betalen. [geïntimeerde] was bereid om de helft hiervan voor zijn rekening te nemen en genoegen te nemen met (€ 670.000,- -/- € 3.350,-) € 666.650,- in plaats van € 670.000,-. Aangezien hij maar (€ 670.000,- -/- € 6.700,-) € 663.300,- heeft ontvangen, is van finale kwijting geen sprake. Tijdens het telefoongesprek op 16 december 2019 heeft [persoon A] toegezegd dat [xx] Beheer haar deel van € 3.350,- alsnog zo spoedig mogelijk, in januari 2020, op de bankrekening van [geïntimeerde] zou overmaken, maar een toezegging is niet hetzelfde als een afspraak en bovendien heeft hij die afspraak in zijn brief van 23 april 2020 (zie rov. 6.2.13. hiervoor) rechtsgeldig ontbonden, aldus [geïntimeerde] .
Het hof stelt voorop dat de Haviltex-maatstaf van toepassing is. Dit betekent dat de inhoud van de (mondelinge) overeenkomst tussen partijen moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen zij over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd volgt dat tussen partijen vaststaat dat op enig moment voor 16 december 2019 is afgesproken dat [geïntimeerde] na ontvangst van de verkoopopbrengst van [adres A] van € 670.000,- aan [appellanten] en [persoon A] finale kwijting zou verlenen. Ook staat vast dat vervolgens duidelijk werd dat [xx] Beheer de courtage van de makelaar niet kon betalen en dat [geïntimeerde] om die reden heeft toegezegd de helft daarvan voor zijn rekening te nemen, waarbij is afgesproken dat [appellanten] ervoor zouden zorgen dat er een bedrag van € 3.350,- tijdig op de rekening van de notaris zou staan en dat het deel van [geïntimeerde] zou worden verrekend met de verkoopopbrengst van [adres A] zodat hij € 666.650,- zou ontvangen in plaats van € 670.000,-. Ten slotte staat vast dat [appellanten] op 16 december 2019 niet in staat bleken het bedrag van € 3.350,- te betalen, in verband waarmee [persoon A] op 16 december 2019 om 9.43u per e-mail aan [geïntimeerde] heeft geschreven dat hij niet bij de notaris kon verschijnen (zie rov. 6.2.9. hiervoor).
[persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat hij vervolgens wel naar de afspraak bij de notaris is gegaan. Daar werd duidelijk dat er niet geleverd zou kunnen worden als er geen oplossing gevonden zou worden voor het bedrag van € 3.350,- aan courtage voor de makelaar, waarna hij telefonisch contact heeft opgenomen met [geïntimeerde] . Volgens [persoon A] hebben hij en [geïntimeerde] tijdens dit gesprek afgesproken dat [geïntimeerde] de volledige courtage van € 6.700,- zou betalen en dat [persoon A] later alsnog zijn deel van € 3.350,- zou betalen, zodat de levering van het pand aan [adres A] doorgang kon vinden en de hypotheken op dit pand en op het woonhuis zouden kunnen worden doorgehaald. De hypotheek op de garage zou in stand blijven tot [xx] Beheer het bedrag van € 3.350,- zou hebben betaald aan [geïntimeerde] . Nadat [geïntimeerde] deze afspraak per e-mail heeft bevestigd aan de notaris (zie rov. 6.2.10. hiervoor), heeft de levering van [adres A] alsnog plaatsgevonden.
[geïntimeerde] heeft deze gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling bevestigd.
Tussen partijen staat niet vast wanneer het bedrag van € 3.350,- door [xx] Beheer betaald moest worden. Volgens [persoon A] heeft hij gezegd dat hij het bedrag zo snel mogelijk zou betalen. Volgens [geïntimeerde] heeft [persoon A] gezegd dat hij dat bedrag zo spoedig mogelijk zou terugbetalen, waarop [geïntimeerde] heeft gezegd dat hij in januari 2020 terugbetaald wilde worden.
Op de vraag van het hof aan [geïntimeerde] of het na betaling van het bedrag van € 3.350,- klaar zou zijn, antwoordde [geïntimeerde] bevestigend.
Uit hetgeen in rov. 6.5.3. en 6.5.4. is overwogen, volgt naar het oordeel van het hof dat [appellanten] hun stelling dat er op 16 december 2019 is afgesproken dat de hypotheek op de garage na betaling van € 3.350,- zal worden doorgehaald, voldoende hebben onderbouwd, en dat deze stelling door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd is betwist.
Volgens [geïntimeerde] was de afspraak dat hij in ruil voor ontvangst van € 670.000,-, welk bedrag vervolgens is verlaagd tot € 666.650,-, kwijting zou verlenen en dat, nu hij dit bedrag niet heeft ontvangen, er ook geen kwijting is verleend en de hoofdsom (vermeerderd met rente en kosten) dus (weer) door [appellanten] verschuldigd is. Dit sluit echter niet aan bij de afspraken die partijen hebben gemaakt in de periode voorafgaand aan 16 december 2019, hetgeen partijen hebben verklaard over de gang van zaken op 16 december 2019 (zie rov. 6.5.4. hiervoor) en hetgeen [geïntimeerde] heeft geschreven in zijn e-mail van die datum aan de notaris (zie rov. 6.2.10. hiervoor). Daaruit volgt immers dat de hypotheken op [adres A] en het woonhuis zouden worden doorgehaald en dat alleen de hypotheek op de garage nog resteerde tot zekerheid van de verplichting van [xx] Beheer om het bedrag van de makelaar aan [geïntimeerde] terug te betalen. Na betaling van het bedrag van € 3.350,- zou het – in de woorden van [geïntimeerde] – klaar zijn. Daarmee strookt niet zijn standpunt dat kwijting niet aan de orde is omdat hij op 16 december 2019 niet het bedrag van 666.650,- heeft ontvangen.
[geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat [persoon A] tijdens het telefoongesprek op 16 december 2019 heeft gezegd dat hij zo spoedig mogelijk, in januari 2020, zou betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] hieraan nog toegevoegd dat hij heeft gezegd dat er in januari 2020 betaald moest worden (zie rov. 6.6.2. hierna). Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Zelfs al zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] en [persoon A] tijdens het telefoongesprek hebben afgesproken dat het bedrag van € 3.350,- in januari 2020 moest worden betaald, dan betekent dit niet dat [appellanten] daaruit moest begrijpen dat als er niet in januari 2020 zou zijn betaald, het volledige bedrag (weer) opeisbaar zou worden. De hypotheken op [adres A] en het woonhuis zijn na ontvangst van € 663.300,- door [geïntimeerde] immers doorgehaald, waarna alleen nog resteerde de hypotheek op de garage tot zekerheid van betaling door [appellanten] van € 3.350,-. Als het de bedoeling van [geïntimeerde] was geweest dat bij niet of niet-tijdige betaling van het bedrag van € 3.350,- het volledige bedrag (weer) opeisbaar zou worden, had het in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden op de weg van [geïntimeerde] gelegen om dit duidelijk te maken. [geïntimeerde] heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [persoon A] en [xx] Beheer hadden moeten begrijpen dat bij niet of niet-tijdige betaling van het bedrag van € 3.350,- het volledige bedrag (weer) opeisbaar zou worden, en dergelijke feiten en omstandigheden blijken ook overigens nergens uit.
Ook de rekeningaanmaningen die [geïntimeerde] op 4 februari 2020, 13 februari 2020 en 20 maart 2020 aan [appellante sub 2] en [persoon A] heeft gestuurd, leiden niet tot een ander oordeel. Deze aanmaningen betreffen twaalf facturen uit de periode van 28 december 2018 tot en met 28 november 2019 voor een totaalbedrag van € 27.433,31 (zie rov. 6.2.11. hiervoor), terwijl in de redenering van [geïntimeerde] na de betaling aan hem door de notaris van de koopsom van € 670.000,- nog een vordering van € 63.984,44 op [xx] Beheer resteerde (zie rov. 6.2.13. hiervoor). In de aanmaningen wordt hieraan op geen enkele wijze gerefereerd. Door [geïntimeerde] is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de aanmaningen standaard uit de computer rollen en zien op de rente over de hoofdsom. Mede gezien hetgeen hiervoor in rov. 6.5.5. en 6.5.6. is overwogen, maakt dit dat niet valt in te zien dat [appellanten] uit de aanmaningen moesten begrijpen dat niet was voldaan aan de voorwaarde voor kwijtschelding van de restantvordering. Hierbij komt dat de aanmaningen ruim na 16 december 2019 zijn verstuurd en reeds om die reden niet bijdragen aan hetgeen [persoon A] en [xx] Beheer op basis van de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] op 16 december 2019 redelijkerwijs hadden kunnen en moeten begrijpen.
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] gehouden is om na ontvangst van het bedrag van € 3.350,- mee te werken aan doorhaling van het hypotheekrecht op de garage en dat hij aan [appellanten] finale kwijting heeft verleend. Dat een schuldeiser doorgaans pas korting zal willen geven in geval van daadwerkelijke betaling, zoals de rechtbank heeft overwogen in rov. 2.14 van het bestreden vonnis, leidt gezien het voorgaande niet tot een ander oordeel. Door betaling van € 3.350,- zal [geïntimeerde] immers in de situatie zijn dat hij het bedrag van € 666.650,- heeft ontvangen, in ruil waarvoor hij kwijting zou verlenen (zie rov. 6.5.3. en 6.5.4. hiervoor).
Hof zal de vordering van [appellanten] dan ook toewijzen, met dien verstande dat de door [appellanten] gevorderde dwangsom niet zal worden toegewezen. [appellanten] hebben immers geen grief gericht tegen de afwijzing hiervan door de rechtbank.
Het beroep van [geïntimeerde] op ontbinding
[geïntimeerde] heeft nog gesteld dat de afspraak op grond waarvan hij tot kwijting verplicht zou zijn, bij brief van 23 april 2020 is ontbonden en dat de verplichting tot kwijtschelding is komen te vervallen. Volgens [geïntimeerde] kon kwijtschelding alleen worden bewerkstelligd als er op 16 december 2019 een bedrag van € 666.650,- onder de notaris was gestort, en zijn [appellanten] in verzuim omdat zij hun deel van de courtage van € 3.350,- niet tijdig onder de notaris hadden gestort. Deze stelling berust echter op een onjuiste uitleg van de op 16 december 2019 gemaakte afspraken (zie rov. 6.5.3.-6.5.7. hiervoor).
Voor het geval het hof oordeelt dat sprake is van twee afzonderlijke afspraken over (1) de kwijtschelding van een deel van de hoofdsom en (2) de kwijtschelding van een deel van de courtage, heeft [geïntimeerde] gesteld dat de afspraak dat [geïntimeerde] de helft van de courtage voor zijn rekening zou nemen, met de brief van 23 april 2020 is ontbonden waardoor [appellanten] het volledige bedrag van € 6.700,- (weer) verschuldigd zijn. Volgens [geïntimeerde] moest het bedrag van € 3.350,- in januari 2020 worden betaald, hetgeen geldt als een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 lid 1 sub a BW, en waren [appellanten] dus na afloop van januari 2020 in verzuim.
Uit hetgeen hiervoor in rov. 6.5.3.-6.5.8. is overwogen, volgt dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van twee afzonderlijke afspraken.
Hierbij komt dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] ervan uit is gegaan dat [appellanten] het bedrag in januari 2020 zouden betalen, naar het oordeel van het hof onvoldoende is voor het aannemen van voor de voldoening bepaalde termijn in de zin van artikel 6:83 lid 1 sub a BW. [appellanten] hebben betwist dat [geïntimeerde] en [persoon A] tijdens het telefoongesprek op 16 december 2019 hebben afgesproken dat het bedrag van € 3.350,- in januari 2020 zou worden betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] toegelicht dat hij heeft gezegd dat het bedrag zo spoedig mogelijk zou worden betaald en dat [geïntimeerde] geen termijn heeft genoemd. [geïntimeerde] heeft vervolgens toegelicht dat hij waarschijnlijk heeft gezegd “als dat maar in januari gebeurt” en vervolgens, nadat het hof hem vroeg of hij zeker wist dat hij januari had gezegd, dat hij dat “zeker weten” heeft gezegd. Naar het oordeel van het hof is de opmerking “als dat maar in januari gebeurt” echter onvoldoende voor de conclusie dat partijen een voor de voldoening bepaalde termijn in de zin van artikel 6:83 lid 1 sub a BW zijn overeengekomen. [geïntimeerde] heeft immers niet gesteld dat [appellanten] hiermee hebben ingestemd. Hierbij komt dat gesteld noch gebleken is dat tijdens dat telefoongesprek is gesproken over de consequenties als er niet in januari 2020 zou worden betaald. Andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat een fatale termijn is overeengekomen en/of op grond waarvan [appellanten] hadden moeten begrijpen dat sprake is van een fatale termijn zijn door [geïntimeerde] niet gesteld. Het hof verwijst naar hetgeen hierover in rov. 6.5.6. is overwogen. Bewijslevering is dan ook niet aan de orde, nog daargelaten dat op dit punt een gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt.
Dat [xx] Beheer de hiervoor genoemde rekeningaanmaningen van [geïntimeerde] had kunnen en moeten opvatten als ingebrekestelling ter zake de betaling van de makelaarscourtage, valt ten slotte niet in te zien. De rekeningaanmaningen zien immers volgens [geïntimeerde] op de rente over de hoofdsom van de leningen, en verwijzen op geen enkele wijze naar de makelaarscourtage.
De conclusie is dus dat van een rechtsgeldige ontbinding door [geïntimeerde] geen sprake is.
Slotsom en afwikkeling
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 en 2 van [appellanten] in het principale hoger beroep slagen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vordering van [appellanten] is toewijsbaar als hierna vermeld in het dictum. Grief 3 ziet op de omvang van de vordering van [geïntimeerde] en behoeft gezien het voorgaande geen nadere bespreking.
[appellanten] hebben in hoger beroep uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd. Hiertegen heeft [geïntimeerde] in hoger beroep geen verweer gevoerd. Het hof zal het arrest dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Voor wat betreft het incidentele hoger beroep, geldt dat uit het voorgaande volgt dat grief 1 slaagt in zoverre dat uit het oordeel van het hof volgt dat van twee afzonderlijke afspraken geen sprake is. Tot toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] leidt dit echter niet. De grieven 2 en 3 in het incidentele hoger beroep betreffen de omvang van de vordering van [geïntimeerde] . Deze grieven behoeven gezien het voorgaande geen nadere bespreking.
Zowel in het principale als in het incidentele hoger beroep, geldt [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook veroordelen in de kosten van de eerste aanleg, het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op
-
Explootkosten € 127,43
-
Griffierecht € 2.837,-
-
Salaris advocaat € 3.549,- (3 punten x tarief IV)
Totaal € 6.513,43
De kosten voor de procedure in het principale hoger beroep aan de zijde van [appellanten] . zullen worden vastgesteld op:
-
Explootkosten € 106,73
-
Griffierecht € 783,-
-
Salaris advocaat € 4.426,- (2 punten x tarief IV)
Totaal € 5.315,73
De kosten voor de procedure in het incidentele hoger beroep aan de zijde van [appellanten] . zullen vastgesteld worden op € 1.106,50 (1 punt x tarief IV x 0,5).
7 De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende
veroordeelt [geïntimeerde] om binnen drie dagen na betaling door [xx] Beheer van € 3.350,- opdracht te geven aan een notaris om het hypotheekrecht op de garage door te halen;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellanten] van de eerste aanleg van € 6.513,43, van het principale hoger beroep van € 5.315,73 en van het incidentele hoger beroep van € 1.106,50, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, B.E.L.J.C. Verbunt en H.J. Tulp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.
griffier rolraadsheer