Strafrecht overig
Hof bevestigt ontnemingsbeslissing, onder aanvulling van gijzeling
ECLI:NL:GHSHE:2020:1783 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 juni 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2020-1783
Zaakgegevens
Op 11 juni 2020 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 juni 2020
- Datum publicatie
- 11 juni 2020
- Zaaknummer
- 20-001389-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1783
Samenvatting
Hof bevestigt ontnemingsbeslissing, onder aanvulling van gijzeling
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 20 april 2018
ECLI:NL:RBOBR:2018:1935Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 juni 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2020:1783
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001389-18 OWV
Uitspraak : 11 juni 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993208-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat het hof de beslissing aanvult met de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, alsmede met de navolgende overweging.
Gijzeling
De rechtbank heeft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 5.000,00 en heeft aan de veroordeelde de verplichting opgelegd om dat bedrag te betalen aan de Staat.
Het hof neemt deze beslissingen over, maar vult deze aan met de bepaling van de duur van de gijzeling. Immers, per 1 januari 2020 is de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82) in werking getreden. Op grond van het thans geldende artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.
Het hof zal de totale duur van de gijzeling bepalen op 200 (tweehonderd) dagen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, maar vult deze als volgt aan:
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 (tweehonderd) dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,
en op 11 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.