Strafrecht overig
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
ECLI:NL:GHSHE:2022:2291 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2022-2291
Zaakgegevens
Op 5 juli 2022 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 5 juli 2022
- Datum publicatie
- 11 juli 2022
- Zaaknummer
- 20-000691-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2291
Samenvatting
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000691-21
Uitspraak : 5 juli 2022
VERSTEK (DIP)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 maart 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-321852-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter vrijgesproken van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde en is de verdachte ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen (het onder 3 tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft de politierechter beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] (ter zake van feit 3), [benadeelde 2] (ter zake van feit 1) en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] (ter zake van feit 2) en is een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36 Sr opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, nu er geen grieven zijn tegen het vonnis.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken door de politierechter van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Het hof is voorts van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep, voor zover dit gericht is tegen het overige, onder 3, tenlastegelegde feit, eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdachte heeft geen schriftuur houdende grieven ingediend noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis opgegeven en het hof is niet van oordeel dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Daarom zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de verdachte ingestelde hoger beroep eveneen niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen het onder 3 tenlastegelegde feit.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde.
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. D.M.I.C. Schijns, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits en G. Havenith, griffiers,
en op 5 juli 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.