Strafrecht overig

Het medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod…

Zaakgegevens

Op 17 januari 2024 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17 januari 2024
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
20-000486-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:4319
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000486-20

Uitspraak : 17 januari 2024

VERSTEK (onip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-997500-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘het medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod’ (feit 1) en ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Namens de verdachte is op 17 februari 2020 hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft een aanvang genomen door het uitroepen van de zaak op de terechtzitting van 29 maart 2022. De verdachte, noch diens raadsman is toen verschenen. Op deze terechtzitting is het onderzoek ter terechtzitting op voorafgaand verzoek van de verdachte geschorst om de verdachte de tijd te geven een nieuwe advocaat te zoeken, omdat zijn toenmalig raadsman hem wegens ziekte niet meer kon bijstaan en diens waarnemer zich had onttrokken aan de zaak. Ter terechtzitting van 6 oktober 2023 is het onderzoek ter terechtzitting hervat. De verdachte, noch een (gemachtigd) advocaat, is toen verschenen. Ook op deze terechtzitting is de zaak niet inhoudelijk behandeld, maar is het onderzoek ter terechtzitting - zoals vooraf zijdens het hof aangekondigd - opnieuw geschorst voor onbepaalde tijd wegens ziekte van een van de raadsheren van het hof.

Het onderzoek is vervolgens ter terechtzitting van 3 januari 2024 hervat. De verdachte is zonder opgaaf van redenen niet verschenen, hoewel hij wel behoorlijk was opgeroepen. Ook heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld namens de verdachte en is geen door de verdachte gemachtigd advocaat ter terechtzitting verschenen.

Het hof stelt vast dat door of namens de verdachte noch bij appelakte noch anderszins nadien grieven zijn opgegeven tegen het beroepen vonnis.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep.

Het hof zal toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door:

mr. G.C. Bos, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 17 januari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. Bos, Buljevic en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.