Strafrecht overig
Mishandeling beveiliger in uitgaansgelegenheid.
ECLI:NL:GHSHE:2024:4320 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2024-4320
Zaakgegevens
Op 17 januari 2024 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 17 januari 2024
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-002784-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4320
Samenvatting
Mishandeling beveiliger in uitgaansgelegenheid.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Gezien
Parketnummer : 20-002784-21
Uitspraak : 17 januari 2024
VERSTEK (onip)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 november 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-063896-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest volgens de maatstraf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft voorts een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.068,80. Deze vordering is toegewezen tot een bedrag van € 5000,00, bestaande uit € 3.250,00 materiële schadevergoeding en € 1.750,00 immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, tot een bewezenverklaring zal komen van het tenlastegelegde en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal dient te worden toegewezen tot € 5.068,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 1 januari 2019 te Beek, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meerdere malen, althans eenmaal, in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te slaan en/of schoppen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 1 januari 2019 te Beek, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meerdere malen in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te slaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde eindproces-verbaal van politie eenheid Limburg, District Zuid-Wes-t, Basisteam Heuvelland/Opsporing, proces-verbaalnummers 201900212 en 2019000146, gesloten op 3 maart 2019, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 55, hierna te noemen: het politiedossier.
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 1 januari 2019, met fotobijlagen (p. 3-6van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever:
p. 3
Plaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Beek
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident,
dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict, op dinsdag 1 januari 2019 te
03:47 uur.
Ik doe aangifte van zware mishandeling. Ik heb pijn en letsel opgelopen door de man
die mij geslagen heeft. Ik heb niemand toestemming gegeven om mij pijn of letsel toe
te brengen.
Ik ben werkzaam als beveiliger bij [bedrijf] te Beek. Ik was op 1 januari
2019 aan het werk als beveiliger en zodanig herkenbaar door mijn beveiligers insigne
op mijn kleding. Ik stuurde een van de bezoekers van de discotheek weg omdat hij zich
vervelend gedroeg. Toen ik hem de toegang ontzegde bij de hoofdingang, zag ik dat
deze man mij met een vuist tegen mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat de man mij raakte
tegen de linkerzijde van mijn hoofd. Ik voelde direct hevige pijn aan de linkerzijde
van mijn hoofd, vervolgens ging ik door mijn linkerknie. Ik
kreeg een soort black-out. Vervolgens zakte ik door dit been heen naar de grond. Mijn
linkerknie deed ook ontzettende pijn. De man trok ik mee naar de grond. Vervolgens
voelde ik dat de man mij meermaals raakte, ik denk met zijn vuist. Ik voelde dat de
man mij raakte aan de linkerzijde van mijn gezicht rond mijn linkeroog, dit deed ook
direct na de slagen pijn. Het precieze letsel aan mijn linkerknie is nog niet bekend.
p. 4
Bijgevoegd zijn twee afbeeldingen. Te zien is het volgende:
Bijlage 1: Linkerzijde van het gezicht slachtoffer, met daarbij een verdikking rondom
het jukbeen en een schaafwond op de linkerwang;
Bijlage 2: Linkerbeen van het slachtoffer, welke in het ziekenhuis ingepakt is.
2. Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 4 januari 2019 (p. 7-8 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever:
Ik kan u vertellen dat de jongen die dezelfde avond werd aangehouden door uw collega's, de jongen is die mij mishandeld heeft.
3. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 1 januari 2019 (p. 12), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op dinsdag 1 januari 2019 omstreeks 04:31 uur, hielden wij op de locatie [adres 2]
, binnen de gemeente Beek, als verdachte aan:
Verdachte
Naam: [verdachte]
Geboortedatum; [geboortedag 1] 1998
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Marokko
Geslacht: Man
Grond aanhouding
Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 302/1 Wetboek van Strafrecht.
4. Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] (p. 10 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum]
Omschrijving van het letsel.
A. Uitwendig waargenomen letsel:
- Zwelling linkerknie, drukpijn binnenzijde beperkte functie van de knie
- Schaafwonden gelaat
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 03/01/2019
PS was op 01-01-2019 in verband met dit letsel op de SEH van Zuyderland
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 1 januari 2019 (p. 25-26 van het politiedossier):
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord getuige
V: U bent afgelopen nacht getuige geweest van de mishandeling van [slachtoffer]
bij [bedrijf] te Beek. Kunt u mij vertellen wat u precies heeft gezien?
A: Zoals al eerder gezegd ben ik hoofd beveiliging van [bedrijf] te Beek.
[slachtoffer] is één van mijn beveiligers daar. Vannacht rond half vier was ik aan het werk in de [bedrijf] . Ik zag dat er een man voor de deur van de discotheek stond.
Ik zag op met beeldscherm dat deze man met veel geweld tegen de deur stond te schoppen.
Buiten zag ik dat de man [slachtoffer] met een linkse hoek tegen zijn hoofd sloeg.
p. 26
Ik zag dat [slachtoffer] hierdoor ten val kwam. Hierbij is zijn knie naar de klote gegaan. Ik zag
dat de man door ging met [slachtoffer] te slaan (…) toen deze op de grond lag.
Even later zag ik dat de man weer voor de deur stond en weer tegen de deur begon te
schoppen. Ik zag dat hij vervolgens door een aantal beveiligers werd aangehouden en
mee naar binnen werd genomen. Hij werd meegenomen naar het trappengat, uit het zicht
van het publiek, om escalatie te voorkomen. Hierop is de politie gebeld. Binnen
hebben wij de man vervolgens tegen de grond moeten fixeren omdat hij helemaal nergens
aan meewerkte. Hij bleef zich verzetten. Even later was de politie ter plaatse en werd de man afgevoerd.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2019 (p. 51-52 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op dinsdag 1 januari 2019 werd aangifte gedaan ter zake zware mishandeling. Van dit feit zijn videobeelden gemaakt. Op dinsdag 8 januari 2019, omstreeks 11.30 uur, heb ik, [verbalisant 3] , genoemde videobeelden uitgelezen.
Ik, [verbalisant 3] , zag het navolgende:
Het bestand op USB-stick 1 laat het tijdsbestek van 03:04:59 tot 03:25:00 zien. Het betreffen beelden van [bedrijf] te Beek, Limburg. Bestand 20180906:
Ik zag dat een persoon, een beveiliger, van binnenuit de discotheek wachtende personen één
voor één binnenliet. Ik zag dat een opdringerig persoon weggeduwd werd door de
beveiliger. Zowel de opdringerige persoon als beveiliger verdwijnen kort uit beeld en
na luttele seconden komt de beveiliger terug in beeld en kennelijk zegt hij nog iets
tegen de persoon die hij zojuist weggeduwd heeft.
p. 52
De beveiliger gaat door met zijn werk, het controleren van identiteitskaarten om personen de discotheek binnen te laten. De opdringerige persoon blijft praten tegen
de beveiliger die zijn werk blijft doen doch de opdringerige persoon wel in de gaten
houdt. De opdringerige persoon dringt zich naar voren richting de beveiliger.
De opdringerige persoon dringt zich naar voren en duwt daarbij ook personen opzij of voor zich uit. De beveiliger komt dan naar buiten toe en de opdringerige persoon verdwijnt uit beeld. De beveiliger gaat achter de opdringerige persoon aan en beiden verdwijnen uit beeld
Ik kon zien dat er een persoon op de grond viel. Ik zag dat er een tweede beveiliger in de richting van de eerste beveiliger ging. De eerste beveiliger kwam op tijdstip 03:20:35 ondersteund door twee omstanders terug in beeld en werd naar binnen gedragen.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen sancties heeft het hof gelet op:
- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan,
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komend in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, en
- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 1 januari 2019 in de nachtelijke uren heeft schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld, door een beveiliger van [bedrijf] ” in Beek meerdere malen in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te slaan. Het slachtoffer was met zijn collega’s juist werkzaam om de veiligheid van bezoekers van de gelegenheid te waarborgen en zij waren voornemens om de verdachte van het terrein te verwijderen. Nadat hij meerdere malen was gevorderd om het gebied rondom de toegangsdeur van de uitgaansgelegenheid te verlaten, volhardde de verdachte in zijn wens om toegang te krijgen tot [bedrijf] Dat de verdachte zijn zin niet kreeg, heeft hem kennelijk doen besluiten om het slachtoffer toe te takelen met rake klappen, waardoor het slachtoffer door zijn knie is gezakt en door omstanders weg moest worden gedragen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte fors letsel opgelopen als gevolg waarvan hij langdurig klachten heeft ervaren. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dusdanig beschadigd dat deze langere tijd niet meer heeft kunnen en later niet meer heeft willen werken als beveiliger.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2023, waaruit blijkt dat hij recentelijk eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling. Daarnaast merkt het hof op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt.
Ook heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft op 1 januari 2019 bij de politie verklaard dat hij alleenstaand is, dat hij bij zijn familie woont, dat hij niet werkzaam is en dat hij schulden heeft die ongeveer € 2.000,00 bedragen.
Gelet op de mate waarin het bewezenverklaarde schade teweeg heeft gebracht en het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde, aan te merken als uitgaansgeweld kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt.
Schending van de redelijke termijn
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak ambtshalve het volgende. Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In de onderhavige zaak is op 12 november 2021 vonnis gewezen en is op 25 november 2021 hoger beroep ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.
Het hof wijst op 17 januari 2024 arrest, waardoor de redelijke termijn met bijna 2 maanden is overschreden. In de onderhavige zaak zijn op verzoek van de verdediging in de appelfase twee getuigen door de raadsheer-commissaris gehoord, waardoor de behandeling van de zaak enige vertraging heeft opgelopen. Vanwege deze omstandigheid en de geringe mate van overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Al met al acht het hof het passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.069,27, bestaande uit € 3.319,27 aan materiële schade en € 1.750,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt uiteen in de volgende schadeposten:
- Reiskosten: € 492,80;
- Eigen risico zorgverzekeraar VGZ in 2019: € 385,00;
- Eigen risico zorgverzekeraar VGZ in 2020: € 358,47;
- Loonderving over de periode januari t/m mei 2019: € 2.083,00.
De politierechter heeft ter terechtzitting in overeenstemming met de vertegenwoordiger van de benadeelde partij vastgesteld dat de vordering in totaal € 5.068,80 bedraagt, waarbij het eigen risico van 2020 van € 358,47 wordt afgerond op € 358,00. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00; in hoger beroep is de vordering gehandhaafd.
De (omvang van) de vordering is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het wetboek van Strafrecht.
De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de benadeelde partij ook nu nog last ondervindt van het letsel dat hij als gevolg van de mishandeling heeft opgelopen aan zijn knie. De benadeelde partij heeft als gevolg van de mishandeling besloten om te stoppen met zijn werkzaamheden als beveiliger. Een derde operatie aan de knie is niet nodig gebleken.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof afdoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof acht de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding dan ook toewijsbaar tot het bedrag dat door de politierechter is toegewezen. Daarbij worden de volgende schadeposten toegewezen: € 492,80 aan reiskosten, het eigen risico van zorgverzekeraar VGZ in 2019 (€ 385,00) en 2020 (€ 358,00) en tenslotte de loonderving over de periode van januari tot en met mei 2019 ad € 2.083,00. Dat maakt dat de vordering tot een totaalbedrag van € 3.318,80 aan materiële schade toewijsbaar is. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof zal de benadeelde partij voor het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal als startdatum van de wettelijke rente de datum van het indienen van het (initiële) schade-onderbouwingsformulier hanteren, te weten 28 mei 2021.
Immateriële schade
De verdachte heeft de benadeelde partij mishandeld door hem meerdere malen in zijn gezicht en/of tegen zijn lichaam te slaan, waardoor hij naast schaafwonden in het gelaat fors letsel aan een van zijn knieën heeft opgelopen. Ten gevolge van dit letsel heeft de benadeelde partij veel pijn ondervonden en is hij langere tijd niet in staat geweest om zijn werkzaamheden als beveiliger (naar behoren) uit te oefenen. Ook heeft de benadeelde partij verschillende medische behandelingen moeten ondergaan. De benadeelde partij heeft een vordering ingesteld ter hoogte van € 1.750,00 aan immateriële schadevergoeding.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is bij zijn beoordeling van de gevorderde immateriële schade gebonden aan de geldende (strikte) juridische kaders als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat, in de vorm van lichamelijk letsel. De benadeelde partij heeft derhalve recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof zal de toe te wijzen immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 1.750,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.068,80. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schadevergoeding is bepaald op 28 mei 2021 en de wettelijke rente voor de immateriële schadevergoeding vangt aan op 1 januari 2019.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
- verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.068,80 (vijfduizend achtenzestig euro en tachtig cent) bestaande uit € 3.318,80 (drieduizend driehonderdachttien euro en tachtig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.068,80 (vijfduizend achtenzestig euro en tachtig cent) bestaande uit € 3.318,80 (drieduizend driehonderdachttien euro en tachtig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
- bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 mei 2021 en van de immateriële schade op 1 januari 2019.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,
en op 17 januari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.