Strafrecht overig

Wederspannigheid, terwijl de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Zaakgegevens

Op 10 januari 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 januari 2025
Datum publicatie
29 april 2025
Zaaknummer
20-000866-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:1227
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Wederspannigheid, terwijl de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000866-24

Uitspraak : 10 januari 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 maart 2024 met parketnummer 01-300899-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 05-245223-21, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel ten gevolge hebben’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 22 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

Door en namens de verdachte is bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 november 2022 te Eindhoven, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter controle van de identiteit van verdachte, door meermalen, althans eenmaal, (met kracht)

- (met gebalde vuist) tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan,

- in de arm en/of de hand van die [slachtoffer] te bijten,

- slaande bewegingen te maken en/of zich los te rukken, en/of

- een kopstoot tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te geven,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere bijtwonden bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 november 2022 te Eindhoven, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter controle van de identiteit van verdachte, door

- met gebalde vuist tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan,

- in de arm en de hand van die [slachtoffer] te bijten,

- slaande bewegingen te maken en zich los te rukken, en

- een kopstoot tegen het hoofd van die [slachtoffer] te geven,

terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten meerdere bijtwonden bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2022252969, gesloten d.d. 18 november 2022, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 28). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2022, dossierpagina’s 3-8, met bijlagen, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op vrijdag 18 november 2022, omstreeks 12.04 uur, wilde mijn collega [getuige] en ik een bestuurlijke controle op vervoersbewijzen uitvoeren op de Solmsweg.

Ik zag dat de verdachte mij een anonieme OV-chipkaart overhandigde. Ik controleerde deze anonieme OV-chipkaart en ik zag dat deze voor het laatst op 16 november 2022 ingecheckt was. Ik vroeg aan de verdachte of hij mee wilde lopen. De verdachte voldeed aan dit verzoek en liep mee naar de bushalte.

Ik deelde de verdachte mede dat hij een boete kreeg. Ik vroeg de verdachte om een geldig legitimatiebewijs. Ik zag dat de verdachte aanstalten maakte om van mij weg te lopen. Ik pakte de verdachte vast bij zijn arm

Ik had de verdachte vast aan zijn jas ter hoogte van zijn borst. Ik zag dat de verdachte zijn rechterhand balde tot een vuist en uithaalde. Ik voelde dat de vuist tegen mijn linkerwang kwam. Ik kon deels uitwijken waardoor de vuist niet hard tegen mijn wang kwam.

Ik pakte de verdachte om zijn nek vast en bracht hem naar de grond. De verdachte lag met zijn gezicht naar de grond. Mijn arm zat voor het gezicht van de verdachte. Ik voelde een enorme pijnscheut in mijn rechterarm. Ik voelde dat de verdachte in mijn arm beet. De verdachte beet door mijn softshell heen. Ik voelde direct erg veel pijn. Ik probeerde mijn arm los te wrikken en ik voelde dat dit lukte. De druk op mijn arm werd minder. Ik wilde mijn arm wegtrekken, maar ik voelde dat de verdachte mij opnieuw beet. Dit keer voelde ik enorm veel pijn in mijn rechterhand. Ik probeerde mijn hand los te wrikken, maar dit lukte mij niet. Ik voelde dat de verdachte mij stevig vast had in zijn beet. Ik riep ook naar mijn collega dat ik gebeten werd. Ik voelde dat de verdachte steeds harder beet.

Ik voelde dat de verdachte losliet. de verdachte bleef zich verzetten. Ik zag en voelde dit doordat de verdachte om zich heen bleef slaan en zich los wilde rukken. Ik voelde dat ik de verdachte niet meer kon houden.

Ik zag dat de verdachte zich naar mij toedraaide en zijn hoofd naar achter haalde en deze met kracht naar voren bracht. Ik voelde dat de verdachte met zijn hoofd mijn neus raakte. Ik voelde dit goed, maar ik voelde geen pijn. Ik duwde de man verder het bushokje in en ik probeerde met mijn collega de verdachte onder controle te brengen.

G

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 november 2022 (pg. 19-20), in houdende de verklaring van getuige [getuige] :

Op vrijdag 18 november 2022, omstreeks 12.04 uur, wilde mijn collega en ik een bestuurlijke controle op vervoersbewijzen uitvoeren op de Solmsweg in de richting van de rondweg.

Op enig moment controleerde mijn collega een man. De man bleek niet in het bezit te zijn van een geldig reisdocument. Hiervoor zou hij een verbaal krijgen. De man was aan de voorzijde van de bus uitgestapt en stond in het bushokje. Mijn collega vroeg aan de man om een identiteitsbewijs. Mijn collega benoemde ook dat de man een boete kreeg voor het reizen zonder geldig reisdocument.

Nadat mijn collega dit benoemd had sloeg de sfeer om. Mijn collega bleef contact maken met de man en vroeg wederom om een identiteitsbewijs. De man gaf zijn identiteitsbewijs niet. Hierop hoorde ik dat mijn collega de inzage van een identiteitsbewijs vorderde. De man voldeed hier niet aan. Ik hoorde dat de man zei: “Als ik die tassen niet bijhad dan was ik allang weggerend"

Ik zag dat mijn collega de man vastpakte. Ik zag dat de man zijn jas probeerde uit te trekken en probeerde weg te lopen. Dit lukte de man niet, omdat mijn collega hem goed vasthield. Ik ging mijn collega helpen en pakte de man ook vast. Ik merkte direct dat de man enorm veel weerstand bood. Ik voelde dat zijn spieren waren aangespannen en dat de man weg probeerde te komen. Ik zag dat de man slaande bewegingen maakte en mijn collega op zijn lichaam en in zijn gezicht raakte. Ik zag dat mijn collega bij iedere klap naar achter bewoog, maar ik zag dat hij de man niet losliet. Het lukte uiteindelijk om de man naar de grond te brengen. Dit lukte door de weerstand niet. Op enig moment hoorde ik mijn collega schreeuwen: “Auw, hij bijt!”. Ik hoorde dat mijn collega dit twee keer riep.

Ik ben gaan bellen met 112. Terwijl ik aan het bellen was, ging de man wederom los op mijn collega. Ik zag dat hij slaande bewegingen maakte en mijn collega op zijn neus raakte. Ik zag dat het niet bij één slaande beweging bleef, maar meerdere. De man zat vol woede en bleef inslaan en schoppen op mijn collega. Ik zag dat de man ook zijn hoofd richting mijn collega bewoog om een kopstoot te geven. Ik weet niet of mijn collega ook door de kopstoot geraakt werd. Ik kon niet tellen hoe vaak mijn collega geslagen en geschopt is door de man.

Samen kregen wij de nauwelijks onder controle. Tot dat de politie ter plaatse was bleef de man weerstand bieden. Toen de politie ter plaatse was, zag ik het letsel aan de hand van mijn collega. Ik hoorde dat mijn collega zei dat het door het bijten kwam.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 november 2022, inhoudende de verklaring van [verdachte] :

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisant

O: De BOA verklaarde dat hij jou had vastgepakt, waarop jij begon met geweld te gebruiken.

V: Wat wil je hierover verklaren?

A: Hij pakte mij vast. Ik weet niet of hij me toen al op de grond legde, ik kan nog iets gedaan hebben, ik weet het niet. Ik wilde gewoon weg.

V: De BOA verklaarde dat hij jou naar de grond heeft gebracht, waarop jij hem gebeten

zou hebben. Wat wil je hierover verklaren?

A: Jazeker.

V: Vervolgens zou jij hem nogmaals gebeten hebben, wat wil je hierover verklaren?

A: Dat was hij nog niet los.

V: Kun je dat wel herinneren dat jij hem meerdere keren hebt gebeten?

A: Ja volgens mij wel. Het was eerst in zijn arm en later in zijn hand.

V: Vervolgens zou jij hem nog een kopstoot hebben gegeven, wat wil je hierover verklaren?

A: Ja dat klopt.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De aangever heeft bij de aanhouding van de verdachte niet noodzakelijk en proportioneel gehandeld. Het geweld van aangever zou te ver zijn gegaan en het is voor de verdachte onduidelijk waarom dit geweld is gebruikt.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt op grond van de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen en de verdere inhoud van het procesdossier het navolgende vast.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte, bij een controle van vervoersbewijzen in de bus, is uitgestapt om hierover te spreken met [slachtoffer] en [getuige] , die werkzaam waren als BOA’s. Uit het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van getuige [getuige] kan worden afgeleid dat de verdachte vervolgens heeft geweigerd mee te werken aan het verstrekken van zijn gegevens voor het uitschrijven van de boete. De verdachte heeft de aangever meerdere keren geslagen, gebeten en een kopstoot gegeven om zich te kunnen onttrekken aan de vaststelling van zijn identiteit.

Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande sprake van wederspannigheid. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging, het is verdachte geweest die als eerste geweld heeft gebruikt en het hof is niet gebleken van buitensporig geweld dat door aangever zou zijn toegepast. Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat voorafgaand aan het uitoefenen van geweld door de verdachte, de aangever hem alleen bij zijn arm heeft gepakt. Dat was in de gegeven omstandigheden (verdachte voldeed niet aan vordering tonen ID-bewijs en wilde weglopen), gerechtvaardigd. De verdere handelingen van de aangever waren een reactie op het door de verdachte uitgeoefende geweld en het hof ziet niet in, de verdediging heeft dat ook niet nader geduid, dat daarbij gehandeld is in strijd met de beginselen van proportionaliteit of subsidiariteit.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

wederspannigheid, terwijl de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde wederspannigheid. De verdachte heeft zich op 18 november 2022 met geweld verzet bij een vervoersbewijscontrole. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag.

In strafverzwarende zin heeft het hof meegewogen dat het door de verdachte uitgeoefende geweld niet beperkt is gebleven tot één enkele handeling, maar dat sprake is van een groot aantal en verschillende geweldshandelingen. Het meerdere malen, tot bloedens toe, bijten van de aangever is hierbij van bijzondere ernst te noemen.

Het hof heeft verder in strafverzwarende zin acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2024, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij zowel in 2017 als in (januari) 2022 onherroepelijk voor (onder meer) hetzelfde feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zijn verzoek tot toekenning van een uitkering is gehonoreerd en is in contact met meerdere hulpverleningsorganisaties.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving, alsmede de speciale en de generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Het hof komt daarmee tot een hogere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en opgelegd door de politierechter in eerste aanleg, om de redenen als hiervoor vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1.197,76, bestaande uit € 342,76 aan materiële schade, alsmede een bedrag van € 855,00 aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering tot vergoeding van materiële schade valt uiteen in de volgende posten:

  • Kosten eigen risico € 136,52

  • Kosten beschadigde schoenen € 198,32

  • Reiskostenvergoeding € 7,92

De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 844,44, te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering in hoger beroep aan de orde voor het gehele gevorderde bedrag van € 1.197,76.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het bedrag van € 143,24. Naar het oordeel van het hof zijn de kosten voor eigen risico genoegzaam onderbouwd, om welke reden deze post geheel kan worden toegewezen. De gemaakte reiskosten voor het rijden naar de spoedeisende hulp komen, gelet op het bepaalde in artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering in verband met artikel 238, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor vergoeding in aanmerking. Het hof berekent deze op grond van het Besluit tarieven in strafzaken op € 6,72 (24 kilometer x € 0,28). Voor het overige zal de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof overweegt daarbij dat thans onvoldoende is gebleken dat de schoenen door het bewezenverklaarde feit zijn beschadigd, nadere bewijslevering op dat vlak zou een nadere zitting vergen en daarmee onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat, nu het hof vaststelt dat de benadeelde als gevolg van het bewezen te verklaren handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof acht deze geleden immateriële schade - gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde gekwalificeerde wederspannigheid door het slaan, het bijten en het geven van een kopstoot aan de benadeelde partij - voldoende onderbouwd en begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 700,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2022, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 843,24. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 27 januari 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken en gelet op de strafoplegging in de onderhavige zaak, zal de vordering tot tenuitvoerlegging om redenen van opportuniteit worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 843,24 (achthonderddrieënveertig euro en vierentwintig cent), bestaande uit € 143,24 (honderddrieënveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 843,24, bestaande uit € 143,24 materiële schadevergoeding en € 700,00 immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 16 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

wijst af de vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant van 31 mei 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 27 januari 2022 onder parketnummer 05-245223-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Aldus gewezen door:

mr. G. Schnitzler, voorzitter,

mr. A. Muller en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,

en op 10 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Schnitzler voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.