Strafrecht overig
Medeplegen van opzetheling.
ECLI:NL:GHSHE:2025:2962 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2025-2962
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2025
- Datum publicatie
- 27 oktober 2025
- Zaaknummer
- 20-001297-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2962
Samenvatting
Medeplegen van opzetheling.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001297-22
Uitspraak : 23 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 juni 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-700398-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
[adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van medeplegen van opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 dagen met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van opzet- en schuldheling van meerdere auto-onderdelen.
Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen voormelde partiële vrijspraak.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 16 dagen met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de straf.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – met verbetering van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft het zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de loods was om een sleutel te pakken maar dat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij de gestolen BMW in die loods en evenmin de medeverdachte [medeverdachte 1] kende. Van het medeplegen van opzetheling is geen sprake.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “wist” dat het goed dat hij voorhanden had door misdrijf was verkregen. Onder dit “weten” is mede begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het goed door misdrijf is verkregen (vgl. HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, rov. 6.2.; HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828, rov. 6.2. en HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5527, rov. 2.3.).
Voor een bewezenverklaring van opzetheling is voorts vereist dat is vastgesteld dat de verdachte de hiervoor bedoelde wetenschap had “ten tijde van het voorhanden krijgen” van het door misdrijf verkregen goed. In vier uitspraken van 29 januari 2019 heeft de Hoge Raad de te stellen eisen aan het bewijs van deze wetenschap van de verdachte nader over het voetlicht gebracht. In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310, met noot Rozemond stelt de Hoge Raad in rechtsoverweging (rov.) 2.5.3 voorop dat uit de wetsgeschiedenis van art. 416, eerste lid, Sr volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling. Bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het voorhanden krijgen van een goed mag, aldus nog altijd de Hoge Raad in voormeld arrest uit 2019 (rov. 2.5.4), de rechter betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De rechter mag aldus bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (rov. 2.3, waarnaar in rov. 2.5.4 wordt verwezen). De Hoge Raad komt in de vier genoemde zaken telkens tot een verwerping van de tegen het bewijs van opzetheling aangevoerde klacht, waarbij aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte betekenis wordt toegekend voor het bewijs dat de verdachte ook ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist dat het was verkregen uit misdrijf.
In het licht van het vorenstaande neemt het hof de feitenvaststelling over van de rechtbank (opgenomen op pagina 2 van het vonnis) voor zover deze inhoudt:
“Op 4 oktober 2018 werd aan [adres 2] een personenauto, BMW 535xi, kleur zwart, gestolen. De BMW was voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 1] . Door eigenaar [benadeelde] werd aangifte gedaan.
Op 8 oktober 2018 werd de BMW middels een zogeheten low-jack baken getraceerd aan de [locatie 1] te Maastricht. Verbalisanten zagen daar de BMW staan, die inmiddels was
voorzien van valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] .
Op 10 oktober 2018 verplaatste de BMW zich in de richting van [locatie 2] te Maastricht. De
BMW peilde uit rondom het [bedrijf] te Maastricht. De verbalisanten, in niet opvallende politiekleding, troffen bij het bedrijf de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aan. De ene verbalisant hield [medeverdachte 2] aan de praat, terwijl de andere verbalisant het terrein van het bedrijf opliep. Bij het benaderen van de loods hoorde hij direct geluid alsof men doende was met breek- en sleutelwerk. [medeverdachte 2] waarschuwde dat er een gevaarlijke hond in de loods was. [medeverdachte 2] werd merkbaar zenuwachtig. In de loods werd later geen hond aangetroffen.
In de loods stond een grote witte bus van het merk Citroën geparkeerd. Door de deuropening van de loods zag de verbalisant achter de bus twee manspersonen, naar later bleek de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , doende met werkzaamheden aan een zwartkleurige BMW. Deze BMW was voorzien van kenteken [kenteken 2] en werd door de verbalisant herkend als de gestolen BMW. De originele kentekenplaten met het kenteken [kenteken 1] , werden naast de BMW aangetroffen.
De witte Citroën bus was voorzien van twee verschillende Belgische kentekens. Beide
kentekens behoorden niet toe aan de Citroën. De laadklap en deuren van de bus stonden
open. In de bus lag de motorkap van de gestolen BMW. De stoelen en de portieren van de
BMW waren reeds gedeeltelijk gedemonteerd.”
Het hof neemt vervolgens niet over hetgeen de rechtbank aansluitend aan deze feitenvaststelling als bewijsoverweging (pagina 2 van het vonnis) heeft opgenomen maar overweegt in plaats daarvan het volgende.
Het hof leidt uit vorenstaande feitenvaststelling af, dat verbalisanten bij de loods breek- en sleutelwerk hoorden, dat zij vervolgens twee personen, de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , werkzaamheden zagen verrichten aan de BMW welke was voorzien van valse kentekenplaten. De originele kentekenplaten werden naast de BMW aangetroffen. Daarnaast stond er in de loods een witte bestelbus met twee verschillende kentekens waarin tevens onderdelen lagen van de gestolen BMW. Het hof heeft geen redenen te twijfelen aan hetgeen verbalisanten in de loods hebben waargenomen. Het gegeven dat het busje voor de BMW stond en het zicht op de BMW deels onttrok, maakt het vorenstaande – gelet op de duidelijke waarneming van de verbalisanten – niet anders.
Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van het ten laste gelegde in welk verband van verdachte een aannemelijke die redengevendheid ontzenuwende verklaring mag worden verlangd.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in het bedrijf aan het rondkijken was omdat hij wilde weten wat voor auto-onderdelen ze daar hadden en dat “ die blonde jongen ” met wie hij had gesproken (het hof begrijpt [medeverdachte 2] ) hem had gezegd dat hij naar binnen mocht gaan om de sleutel te pakken die hij nodig had. Verdachte heeft verklaard niets van doen te hebben met de gestolen BMW in de loods en evenmin de medeverdachte [medeverdachte 1] te kennen.
Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring van verdachte nu deze op geen enkele wijze steun vindt in het dossier, wordt weersproken door [medeverdachte 2] en bovendien in strijd is met hetgeen de verbalisanten hebben waargenomen.
Het hof is gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de ten laste gelegde gestolen BMW. Op grond daarvan en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de BMW wist, althans op zijn minst de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, dat deze BMW door misdrijf was verkregen.
Verdachte heeft zich daarmee aan opzetheling schuldig gemaakt.
Medeplegen
Met de rechtbank acht het hof medeplegen van opzetheling bewezen omdat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] in de kern bestaande uit een gezamenlijke uitvoering te weten het gezamenlijk verrichten van werkzaamheden aan de gestolen BMW in de loods.
Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat gelet op de ouderdom van het onderhavige feit (10 oktober 2018) volstaan kan worden met een gevangenisstraf van 16 dagen met aftrek van voorarrest.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van de opzet- en schuldheling van meerdere auto-onderdelen.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 23 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.