Strafrecht overig
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1009 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1009
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 15 april 2026
- Zaaknummer
- 20-000331-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1009
Samenvatting
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van slachtoffer in de brandgang achter haar woning en vervolgens ook in haar woning. De verdachte heeft aangeefster de brandgang ingetrokken, heeft haar gezoend, in haar borsten geknepen en vervolgens verkracht. Het hof verenigt zich met de strafoplegging van de rechtbank, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.915,70.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 januari 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:425Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1009
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000331-25
Uitspraak : 14 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-159550-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.915,70, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen ad € 10.465,70, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen van het tenlastegelegde, heeft de verdediging – in de vorm van twee voorwaardelijke verzoeken – het hof verzocht om de verklaringen van aangeefster voor te leggen aan een rechtspsycholoog om de betrouwbaarheid te toetsen, alsmede [verbalisant 7] als getuige te horen. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De toepasselijke wettelijke voorschriften worden dientengevolge opnieuw opgenomen.
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering en aanvulling. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de in het vonnis van de meervoudige kamer van 30 januari 2025 gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven onder bijlage II van het vonnis op pagina’s 9 tot en met 11, alsmede de bewijsoverwegingen, zoals weergegeven op pagina’s 2 en 3 (onder het kopje ‘4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs’), geheel vervangen. Derhalve komt de bewezenverklaring uitsluitend te berusten op de navolgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.
In hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, ziet het hof overigens geen aanleiding om te komen tot een andere strafafdoening dan de rechtbank.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van:
-
het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, Team Zeden, proces-verbaalnummer PL2000-2023163963, ingekomen ten parkette d.d. 25 januari 2024 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 140), nader te noemen: Dossier A, en
-
het bij het dossier gevoegde ongedateerde forensisch dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 89), nader te noemen: Dossier B.
Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 29 juni 2023 (pg. 54 t/m 56 van Dossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Informatief gesprek met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1971 te [geboorteplaats 2] op 29 juni 2023.
[slachtoffer] vertelde dat zij vandaag in de brandgang naast haar huis liep toen er plots een man bij haar stond. Deze man was onder invloed van alcohol en was agressief. De man heeft haar geduwd. [slachtoffer] vertelde dat ze maar klein is en geen kant op kon. De man vroeg aan [slachtoffer] of zij seks met hem wilde. [slachtoffer] heeft hierop gereageerd dat ze dat niet wilde. De man gaf een zoen op de mond van [slachtoffer] . Hij probeerde dit met tong. De man ging daarna met twee handen onder het T-shirt van [slachtoffer] en kneep meerdere keren in haar beide borsten. [slachtoffer] zei tegen de man dat ze dat niet wilde. De man pakte met zijn hand haar vagina vast en begon haar in haar nek te zoenen. [slachtoffer] heeft geprobeerd de man weg te duwen, maar dat lukte niet. De man pakte [slachtoffer] bij haar handen en nek vast en trok haar naar de brandgang naast haar woning. De man trok haar broek naar beneden en ging met zijn penis in haar vagina. Dit was zonder condoom. [slachtoffer] stond op dat moment met haar wang tegen de muur.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juli 2023 (pg. 57 t/m 64 van Dossier A), voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van verkrachting op 29 juni 2023 in Breda. Ik zag een heel grote man aan komen lopen die heel agressief was. Hij stond ineens voor me en gaf mij een duw. Hij was flink bezopen. Hij heeft me de brandgang ingesleurd. Hij heeft me tegen de schutting aan geplaatst, mijn broek naar beneden gedaan en daar heeft hij mij verkracht. Hij is met zijn penis in mijn vagina geweest. Als ik iets niet deed wat hij wilde, werd hij agressief. Hij heeft mij bij de keel gepakt en in mijn gezicht geknepen. Het stopte in de keuken.
Hij heeft mij aan mijn bovenarm meegetrokken de brandgang in. Dat deed zeer. Ik ben klein en iel. Hij zette mij tegen de schutting aan en ik kon geen kant op. Hij is toen met zijn geslachtsdeel in mijn vagina gegaan. Hij schold mij toen uit. Hij ging op en neer. Als ik bepaalde handelingen moest doen, heb ik gezegd dat ik dat niet wilde, maar dan werd hij agressief. Hij heeft mij bij mijn nek gegrepen en in mijn gezicht gepakt. Ik moest op een bepaalde manier zijn penis vasthouden. Als ik het niet goed deed, greep hij mijn keel dicht en schold hij mij uit. Hij heeft mij op een gegeven moment naar beneden geduwd en toen heb ik hem moeten pijpen. Hij duwde mijn hoofd naar beneden en legde zijn penis in mijn mond.
In de keuken lag ik met mijn gezicht op het aanrechtblad en heeft hij mij van achter genomen met zijn penis in mijn vagina. Dat ging hardhandig. Ik heb hem een aantal keer gezegd dat ik het niet wilde. Hij heeft mij hardhandig in mijn nek gekust en op mijn mond.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 31 maart 2026:
Het klopt dat ik op 29 juni 2023 seks heb gehad met [slachtoffer] . Het was rond 5 uur/half 6 in de ochtend. Wij stonden in de brandgang buiten haar woning. Uiteindelijk zijn wij ook naar binnen gegaan. Wij hebben ook met elkaar gezoend. Het was zoenen met de mond en tong.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 juli 2023 (pg. 65 t/m 73 van Dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik sprak mijn vrouw (het hof begrijpt hier: aangeefster [slachtoffer]) op 29 juni 2023. Ik hoorde iets aan haar stem. Ik trof haar thuis helemaal verstijfd aan.
Een snik achtige stem. Het klonk niet als haar eigen stem. Je merkt het gewoon als er iets is.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 juli 2023 (pg. 70 t/m 69 van Dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
[slachtoffer] belde mij op 29 juni 2023 en zei dat ze hout voor aan het wegleggen was. Toen is er een man gekomen en die heeft haar in de brandgang verkracht. Ze was in shock. Normaal is haar stem vrolijk en opgeheven. Nu was hij laag en paniekerig.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2023 (pg. 86 en 87 van Dossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 29 juni 2023 kreeg ik het verzoek om te gaan naar [adres 2] .
Slachtoffer [slachtoffer] zat op de bank. Ik zag dat zij aan het trillen was en begon te huilen.
7. Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 30 juni 2023 (pg. 21 t/m 22 van Dossier B), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Betrokkene: aangever [slachtoffer]
Met gebruik van de zedenset met SIN ZAAE185INL werden de volgende bemonstering
genomen: swab nr 3 Diep vaginaal.
8. Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 10 oktober 2023 (pg. 78 t/m 83 van Dossier B), zaaknummer 2023.07.03.135 (aanvraag 002), opgesteld door NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, dr. ir. AM. Rolloos, rapporteur, voor zover inhoudende:
SIN: ZAAE1851NL#O3
Omschrijving: diep vaginaal
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee mannen:
een relatief kleine hoeveelheid DNA
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht: zeer veel waarschijnlijker
Bewijskracht:
Hypothese 1:
De relatief kleine hoeveelheid DNA in de bemonstering ZAAE1851NL#O3 is afkomstig van [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan [verdachte] verwante man.
Hypothese 2:
De relatief kleine hoeveelheid DNA in de bemonstering ZAAE1851NL#03 is afkomstig van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan [verdachte] .
Y-chromosomaal DNA-profiel ZAAE185INL#03 is zeer veel waarschijnlijker wanneer
hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Bewijsoverwegingen
Verweer verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Daartoe is – op grond zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. De raadsman heeft allereerst bepleit dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd, nu die op relevante details aanzienlijk tegenstrijdig zijn. Zo zijn er geen sporen in de vorm van letsel bij [slachtoffer] aangetroffen die wijzen op een gewelddadige verkrachting. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte gedurende de verkrachting haar keel heeft dicht geknepen, terwijl er geen letsel(s) is waargenomen op of rondom haar keel. Daar komt bij dat [slachtoffer] niet consistent heeft verklaard over het verloop van het incident, nu zij tijdens het informatief gesprek in eerste instantie heeft verklaard dat zij enkel verkracht is in de brandgang buiten haar woning, waarna zij in haar aangifte heeft verklaard dat er ook seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in haar woning. Voorts acht de verdediging het onaannemelijk dat [slachtoffer] zich niets meer kan herinneren van hetgeen heeft plaatsgevonden vanaf het moment in de brandgang tot in de keuken.
Tegen die achtergrond heeft de raadsman ook aangevoerd dat haar verklaringen geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Haar dochter heeft die ochtend niks opvallends opgemerkt aan [slachtoffer] , noch is uit hun appverkeer over de loodgieter een afwijkende toon gebleken. De emoties die bij [slachtoffer] later die ochtend zijn geconstateerd kunnen niet als steunbewijs gebezigd worden, nu deze niet direct na het incident zijn waargenomen. Bovendien is het goed mogelijk dat deze latere emoties zijn veroorzaakt doordat [slachtoffer] achteraf spijt had van het seksuele contact, aldus de verdediging.
Daarentegen is naar het oordeel van de verdediging de verklaring van de verdachte dat de seksuele gemeenschap met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden, wel betrouwbaar. Volgens de verdediging is de verklaring van de verdachte consistent en past de door hem beschreven gang van zaken volledig bij het dossier. Volgens de verdachte heeft hij eerst samen met [slachtoffer] in de brandgang een sigaretje gerookt en geknuffeld, waarna hij binnen in de woning een biertje van het merk Jupiler heeft gedronken en zij uiteindelijk seks hebben gehad. Uit het onderzoek is gebleken dat er op de grond van de brandgang een peuk is gevonden en dat in de koelkast van [slachtoffer] bier van het merk Jupiler is aangetroffen. Bovendien heeft buurtbewoner [verbalisant 7] gezien dat een man en vrouw elkaar omhelsden en hevig aan het zoenen waren, waarna zij de brandgang in gingen.
Samenvattend concludeert de verdediging dat enige mate van dwang en/of geweld niet kan worden vastgesteld waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting.
Het hof overweegt als volgt.
Inleiding
Het hof stelt voorop dat in zedenzaken als deze de situatie zich veelal voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Het is dan het woord van het slachtoffer tegen het woord van de verdachte. In dit geval verklaren [slachtoffer] en de verdachte weliswaar allebei dat zij seksuele gemeenschap hebben gehad op 29 juni 2023, maar als het gaat om de vraag of dat met of zonder dwang was, staan de verklaringen lijnrecht tegenover elkaar. [slachtoffer] heeft verklaard dat de gemeenschap niet vrijwillig was en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zowel in de brandgang als in de keuken in haar woning. De verdachte heeft daarentegen verklaard dat [slachtoffer] hem die ochtend naar haar toe heeft geroepen, zij geknuffeld hebben in de brandgang en zij vervolgens de verdachte in haar huis heeft uitgenodigd om een biertje te drinken, waarna seksueel contact heeft plaatsgevonden in de woonkamer met wederzijds goedvinden.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (aangeefster).
Zoals hiervoor is besproken, ligt enerzijds de verklaring van [slachtoffer] dat zij gedwongen werd tot seksuele handelingen met de verdachte, terwijl anderzijds door de verdachte wordt gesteld dat sprake was van seks op vrijwillige basis. Over de betrouwbaarheid van deze verklaringen, stelt het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Verklaringen van aangeefster
Aangeefster [slachtoffer] heeft tijdens het informatief gesprek op 29 juni 2023 het volgende verklaard. In de ochtend liep zij in de brandgang naast haar woning, toen opeens de verdachte – die onder invloed van alcohol en agressief was – naast haar stond en haar duwde, haar om seks vroeg en haar zoende. Hierna begon de verdachte ook haar borsten en vagina te betasten. Het lukte aangeefster echter niet om de verdachte weg te duwen. Op enig moment heeft de verdachte haar broek naar beneden getrokken en haar vaginaal gepenetreerd.
Twee dagen na het informatief gesprek, op 1 juli 2023, heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting. Tijdens haar aangifte heeft zij – in afwijking van haar eerste verklaring – verklaard dat zij niet alleen in de brandgang is verkracht, maar ook in de keuken van haar woning. Volgens aangeefster werd de verdachte agressief in de brandgang als zij niet deed wat hij wilde en heeft zij daarom het allemaal laten gebeuren. Uiteindelijk is aangeefster met verdachte in de keuken terechtgekomen, maar aangeefster kan zich niet meer herinneren hoe zij daar terecht is gekomen. Op enig moment merkte ze dat ze met haar gezicht op het keukenblad lag en dat de verdachte achter haar stond met zijn penis in haar vagina.
Op 4 december 2025 is aangeefster [slachtoffer] nader gehoord bij de raadsheer-commissaris. In dit verhoor heeft aangeefster opnieuw aangegeven dat zij onvrijwillige seks heeft gehad in zowel de brandgang als in de keuken. Op de vraag waarom zij pas bij haar aangifte naar voren heeft gebracht dat zij ook is verkracht in de keuken, heeft aangeefster verklaard dat zij bang was dat haar man en dochter zich niet meer veilig zouden voelen in hun huis en dat zij zich ook schaamde, omdat zij het zover had laten komen en hem niet eens een knietje heeft gegeven.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte is meerdere malen uitgebreid verhoord over de tenlastegelegde verkrachting. Uit het dossier volgt dat de verdachte, terwijl hij een forensisch onderzoek moest ondergaan op 29 juni 2023, tegen de politie heeft geroepen dat aangeefster een leugenaar is en hij slechts twee blikjes bier met haar had gedronken. Vervolgens is de verdachte op 30 juni 2023 voor het eerst verhoord door de politie. In dit verhoor heeft de verdachte verklaard dat aangeefster hem naar haar toe had geroepen, waarna hij in haar woning twee biertjes heeft gedronken. Volgens de verdachte heeft aangeefster op enig moment het initiatief getoond door hem op de mond te zoenen in de keuken. Echter ontkent hij dat er seks heeft plaatsgevonden.
Op 2 juli 2023 wilde verbalisant [verbalisant 5] in verhoor met de verdachte op het cellencomplex te Breda. De verdachte gaf toen herhaaldelijk te kennen dat hij zich wilde beroepen op zijn zwijgrecht en geen vragen wilde beantwoorden. Daarbij bleef de verdachte herhalen dat aangeefster loog en dat hij naar binnen was gelokt. Op enig moment riep de verdachte tegenover de verbalisant dat aangeefster ‘bijna op zijn lul had gezeten’ en dat zij ‘alles wilde doen’, waarbij hij wees naar zijn schaamstreek. In het tweede politieverhoor d.d. 10 juli 2023 heeft de verdachte opnieuw verklaard dat hij slechts met aangeefster had gezoend en verder zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op de vraag aan de verdachte of er sperma sporen van hem aangetroffen zullen worden bij het DNA-onderzoek van aangeefster, heeft hij verklaard dat dit niet mogelijk is.
De verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft vervolgens een verklaring afgelegd in het verhoor van de raadsheer-commissaris d.d. 4 december 2025. In dit verhoor heeft de verdachte voor het eerst bevestigd dat hij seks heeft gehad met aangeefster. Daartoe heeft hij verklaard dat zij eerst in de brandgang hadden geknuffeld en gezoend, waarna zij hem in haar huis had uitgenodigd om een biertje te drinken. Uiteindelijk heeft aangeefster het initiatief voor de seks genomen door op zijn schoot te gaan zitten terwijl hij op de bank in haar woonkamer zat. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 31 maart 2026 heeft de verdachte opnieuw verklaard dat de seks op vrijwillige basis heeft plaatsgevonden en dat het initiatief daarvoor uitging van [slachtoffer] .
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en van de verdachte
In het licht van het voorgaande, merkt het hof allereerst op dat zowel aangeefster als de verdachte niet van meet af aan het volledige verhaal hebben verteld. Waar de raadsman enerzijds heeft bepleit dat de verklaringen van aangeefster niet betrouwbaar zijn, gelet op die consistenties, laat de raadsman zich anderzijds echter niet kritisch uit over de wisselende verklaringen van de verdachte. Tegen die achtergrond overweegt het hof dat aangeefster weliswaar in het informatief gesprek niet heeft benoemd dat de verkrachting ook in de keuken heeft plaats gevonden, maar dat zij de politie hierover direct in de aangifte – en dus slechts twee dagen na het informatief gesprek – heeft ingelicht. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft aangeefster ook duidelijk uitgelegd waarom zij het incident niet volledig had verteld in het informatief gesprek, namelijk omdat zij zich schaamde dat zij zich zo weinig had verzet en omdat ze niet wilde dat haar man en dochter zich onveilig zouden voelen in hun eigen huis. Het hof is van oordeel dit geen ongebruikelijke reactie bij dit soort gebeurtenissen is en acht dit geen contra-indicatie voor haar geloofwaardigheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand tijdens en na een traumatische gebeurtenis een freeze reactie kan hebben en het hof kan zich voorstellen dat diegene uit angst en schaamte voor de gevolgen daarvan zich niet direct wil uitlaten over wat haar is overkomen. Naar het oordeel van het hof heeft aangeefster sindsdien steeds een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd over het eerste contactmoment met de verdachte en over de seksuele handelingen zelf. Dat aangeefster zich niet alles meer kan herinneren omdat zij in shock verkeerde, acht het hof niet onvoorstelbaar en dat doet derhalve geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Naar het oordeel van het hof is het daarnaast – in tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft aangevoerd – niet onbegrijpelijk dat aangeefster terughoudend was om het voorval direct in het ochtend met haar minderjarige dochter te bespreken.
De door de verdediging aangevoerde verschillen tussen de door aangeefster en de getuigen afgelegde verklaringen verschillen – naar het oordeel van het hof – op detailniveau en zijn van zeer ondergeschikt belang en doen ook geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] .
Het hof ziet, gelet op dit alles, geen reden om de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] niet betrouwbaar te achten.
Terwijl aangeefster haar verklaring binnen twee dagen na het informatief gesprek heeft bijgesteld en sindsdien bij die verklaring is gebleven, staat daar tegenover dat de verdachte tijdens het voorbereidend onderzoek continu heeft ontkend dat er seks heeft plaatsgevonden tussen hem en aangeefster, met uitzondering van zijn opmerking in het cellencomplex d.d. 2 juli 2023 dat aangeefster ‘bijna op zijn lul had gezeten’. Pas in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat seksueel contact heeft plaatsgevonden, maar daarbij verklaard dat dit volledig vrijwillig was. Op de vragen van het hof heeft de verdachte echter geen enkel redelijke uitleg of detail willen geven over de wijze waarop de ontmoeting buiten het huis plotseling zou hebben geleid tot vrijwillige seks in de woonkamer van aangeefster, noch over de (volgorde van de) seksuele handelingen zelf.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over hetgeen op 29 juni 2023 met aangeefster heeft plaatsgevonden en de seksuele handelingen die daarbij zijn verricht. Uit de vorenstaande chronologie concludeert het hof dat de verdachte tot het uiterste heeft ontkend dat sprake was van seksueel contact en dat hij pas nadat uit het DNA-onderzoek is gebleken dat een DNA-spoor van de verdachte is aangetroffen in de vagina van aangeefster, heeft toegegeven dat er inderdaad seks heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft hij verklaard dat het initiatief daartoe van aangeefster is uitgegaan, hetgeen op geen enkele wijze strookt met de verklaringen van aangeefster en de manier waarop zij zich vervolgens heeft gedragen. Dit alles maakt zijn verklaring dat er sprake was van vrijwillige seks volstrekt ongeloofwaardig en het hof schuift deze verklaring dan ook ter zijde. In dat verband overweegt het hof nog dat het enkele feit dat een buurtbewoner van een afstand zag dat twee onbekend gebleven mensen elkaar omhelsden en zoenden, niet tot de conclusie kan leiden dat het seksueel contact tussen de verdachte en aangeefster geheel vrijwillig was, zoals bepleit door de verdediging. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.
Steunbewijs
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster ook ondersteund worden door ander (objectief) bewijs. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van de verdachte, nu hij heeft bevestigd dat het eerste contactmoment plaatsvond bij en in de brandgang van het huis van aangeefster. Voorts heeft hij verklaard dat er daadwerkelijke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met aangeefster en dat hij in haar woning is geweest.
Ook de emotionele toestand waarin aangeefster slechts enkele uren na het incident in de woning werd aangetroffen door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] , ondersteunt haar verklaring. Immers hebben de verbalisanten verklaard dat zij zagen dat aangeefster trilde en huilde. Getuige [getuige 1] , de man van aangeefster, heeft daarnaast verklaard dat hij om 10.00 uur door aangeefster werd gebeld en dat hij aan haar stem hoorde dat er iets aan de hand was. Toen hij thuis kwam trof hij haar verstijfd aan. Ook de verklaring van getuige [getuige 2] , een vriendin van aangeefster, biedt steun aan het verhaal van aangeefster. Zo heeft zij verklaard dat aangeefster haar tussen 08.30 en 09.30 uur had gebeld en dat aangeefster toen vertelde dat zij in de brandgang was verkracht. [getuige 2] hoorde dat aangeefster in shock was. Normaliter was haar stem vrolijk en opgeheven, maar op dat moment was haar stem laag en paniekerig.
Gelet op de verklaringen van aangeefster en de bij haar waargenomen emotionele toestand enkele uren na het incident, kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de tenlastegelegde verkrachting heeft gepleegd. Anders dan de verdediging, ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de bij aangeefster waargenomen emotionele reactie is veroorzaakt doordat zij spijt zou hebben van vrijwillig seksueel contact.
Nu uit de verklaring van aangeefster ondubbelzinnig volgt dat de verdachte geweld heeft gebruikt en dat aangeefster zich in ieder geval verbaal tegen verdachte heeft verzet, is het voor verdachte onmiskenbaar geweest dat aangeefster de tenlastegelegde seksuele handelingen niet vrijwillig onderging. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep nog een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van verbalisant [verbalisant 7] als getuige, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen van het tenlastegelegde. Het hof acht zich op dit punt op basis van de in het dossier voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht. Het hof overweegt daarbij de enkele constatering dat twee onbekend gebleven personen elkaar omhelsden en vervolgens de brandgang inliepen, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of – indien zou worden aangenomen dat deze twee personen de verdachte en aangeefster waren – dat daarna sprake was van seks op vrijwillige basis. Overigens gaat het hof ervan uit dat [verbalisant 7] niet heeft verklaard over de verdachte en aangeefster, nu het door [verbalisant 7] genoemde tijdsstip niet overeenkomt met de overige stukken in het dossier en zij daarnaast heeft verklaard dat de verdachte, die zij kent, niet een van die twee personen was, terwijl de verdachte juist heeft erkend dat hij diegene was die in de brandgang stond. Mede gelet hierop is het niet noodzakelijk dat [verbalisant 7] als getuige wordt gehoord, waardoor het voorwaardelijk verzoek zal worden afgewezen.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep tevens het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige op het gebied van de rechtspsychologie die zich kan uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Het hof ziet, gelet op hetgeen hij hiervoor heeft overwogen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, geen noodzaak tot het benoemen van een rechtspsycholoog om de verklaringen van de aangeefster nader te toetsen. Om die reden zal het hof het voorwaardelijk verzoek afwijzen.
Conclusie
Resumerend acht het hof, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging in al haar onderdelen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.465,70, bestaande uit € 465,70 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering behelst de volgende posten:
Materieel
Kosten vaccinatie Hepatitis-B € 163,07
Vergoeding kleding € 100,00
Kosten eigen risico i.v.m. SOA-test € 202,63
Subtotaal € 465,70
Immaterieel € 10.000,00
Totaal € 10.465,70
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.915,70, bestaande uit € 465,70 aan materiële en € 7.500.00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat de gehele vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu door de verdediging vrijspraak is bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht het gevorderde materiële schade met betrekking tot de kleding niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing en de hoogte van de gevorderde immateriële schade te matigen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Ten aanzien van de gevorderde kostenposten overweegt het hof als volgt.
Kostenposten I en III
Met betrekking tot kostenposten I en III is het hof van oordeel dat deze kostenposten voldoende zijn onderbouwd en ook in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. De verdediging heeft deze gevorderde kostenposten aan materiële schade niet betwist en toewijzing daarvan komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de vordering in zoverre geheel toewijzen.
Kostenpost II
Naar het oordeel van het hof kan vastgesteld worden dat deze kosten in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. Het hof acht het daarbij niet onbegrijpelijk dat de benadeelde partij de kleding die zij tijdens de verkrachting droeg niet meer heeft willen dragen. De onderbouwing van deze kostenpost bevat echter geen aankoopbonnen en er is geen rekening gehouden met een afschrijving van de kleding. Het hof zal daarom gebruik maken van de schattingsbevoegdheid en schat de schade op € 50,00. De kostenpost II zal in zoverre worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade ad
€ 10.000,00 overweegt het hof als volgt.
Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat bij de benadeelde als gevolg van het seksuele misbruik door de verdachte een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld en dat zij EMDR-behandelingen daarvoor heeft moeten ondergaan.
Daarnaast voelt de benadeelde zich niet meer veilig in haar eigen huis en kampt zij thans nog met psychische klachten.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, acht het hof toewijzing van een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade billijk. Het hof zal het meer gevorderde afwijzen.
Wettelijke rente
Hoewel de materiële schade op verschillende tijdstippen is ingetreden, zal het hof bij de wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente over zowel de materiële schade als de immateriële schade aanvangt op 29 juni 2023, zijnde de pleegdatum. De schade wordt geacht op die datum te zijn geleden.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 7.915,70. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht:
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.915,70 (zevenduizend negenhonderdvijftien euro en zeventig cent) bestaande uit € 415,70 (vierhonderdvijftien euro en zeventig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.915,70 (zevenduizend negenhonderdvijftien euro en zeventig cent) bestaande uit € 415,70 (vierhonderdvijftien euro en zeventig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. J.J. Peters en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.