Strafrecht overig
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Hoger beroep · Strafrecht overig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1054 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1054
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 20-000151-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1054
Samenvatting
Schuldwitwassen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000151-25
Uitspraak : 14 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-312511-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde. De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de benadeelde partij is veroordeeld in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde, het subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag ter hoogte van € 13.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juni 2023, te Nijmegen en/of Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(van) een geldbedrag van 13.000 euro, althans een of meer geldbedragen,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen, op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juni 2023, te Nijmegen en/of Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
(van) een geldbedrag van (ongeveer) 13.000 euro, althans een of meer geldbedragen,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl die een/of meer onbekend gebleven personen en/of zijn/hun mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 juni 2023 te Tilburg, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon zijn bankrekening ter beschikking te stellen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 juni 2023 in Nederland een geldbedrag van 13.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het hof heeft vastgesteld dat op 20 juni 2023 door aangever [benadeelde] , die slachtoffer is geworden van bankhelpdeskfraude, een bedrag van € 13.000,00 is overgeboekt naar een rekening op naam van de verdachte bij bunq bank. De politie heeft van de bank gevorderd alle informatie en gegevens te verkrijgen die bij de bank zijn ingediend ter opening van de rekening op naam van de verdachte. De bank heeft vervolgens een filmpje verstrekt waarop een mannelijke persoon te zien is. Deze persoon kijkt eerst recht in de camera en vervolgens een aantal seconden opzij. Daarnaast heeft de bank de opgegeven naam en geboortedatum van de rekeninghouder verstrekt.
Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het de verdachte is die op de door de bank verstrekte beelden te zien is. Ook staat niet ter discussie dat het bedrag van € 13.000,00 dat op de rekening op naam van de verdachte is gestort uit enig misdrijf afkomstig is.
De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënt niet weet waar het filmpje vandaan komt. Hij stelt zich op het standpunt dat het filmpje van de verdachte en de overige verstrekte gegevens onvoldoende zijn om aan te nemen dat zijn cliënt actief heeft bijgedragen aan het witwassen. De raadsman neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de verdachte een handtekening heeft gezet om de rekening te openen en evenmin blijkt dat een legitimatiebewijs van de verdachte is overgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Bunq bank is gevraagd om de informatie en gegevens te verstrekken die zijn aangeleverd bij het openen van de rekening waarop aangever € 13.000,00 heeft gestort.
Bij het openen van een rekening doorloopt een bank een identificatieproces om er zeker van te kunnen zijn dat de persoon die de rekening probeert te openen correspondeert met de persoon op wiens naam de rekening komt te staan. Aldus is inherent aan een identificatieproces dat er contact wordt gemaakt tussen de bank en de persoon die de rekening probeert te openen. Bij de bunq bank is daarvoor een (identificatie)filmpje vereist. Op het filmpje dat door de bank is verstrekt, is te zien dat de verdachte een houding aanneemt en met zijn hoofd beweegt, welke houding en beweging past bij een dergelijke identificatie. Ook de opgegeven naam en geboortedatum komen overeen met die van de verdachte. Het hof is aldus van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zelf is geweest die deze rekening heeft geopend. Uit de verstrekte gegevens volgt verder dat deze bankrekening een dag voor de bankhelpdeskfraude, namelijk op 19 juni 2023, is geopend, dat de rekening acht dagen later werd gesloten en dat de transacties op de rekening vrijwel hoofdzakelijk samenhangen met de gepleegde oplichting.
Bovenstaande belastende feiten en omstandigheden – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – duiden zozeer op betrokkenheid van de verdachte dat zij schreeuwen om een verklaring van de verdachte. Deze verklaring is uitgebleven. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg immers niet meer verklaard dan dat hij nooit van bunq bank heeft gehoord en dat hij geen idee heeft wie de bankrekening heeft geopend.
Het hof overweegt dat – gelet op het kort daarvoor openen van de rekening middels het hiervoor beschreven identificatieproces – er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat het iemand anders was dan de verdachte die ten tijde van de bankhelpdeskfraude toegang had tot de rekening. De verdachte had aldus de beschikking over de rekening en daarmee ook het geldbedrag dat daarop was gestort voorhanden. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen minst genomen redelijkerwijs moest vermoeden dat het op zijn rekening gestorte geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van een geldbedrag van € 13.000,00. De verdachte heeft dit bedrag, dat afkomstig is van de benadeelde partij [benadeelde] , die slachtoffer is geworden van bankhelpdeskfraude, ontvangen op zijn rekening waarna het kort daarop is overgemaakt naar een bankrekening in het buitenland. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan bankhelpdeskfraude, een maatschappelijk probleem dat naast financiële schade, ook gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gebracht door de raadsman. De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij van de verdachte heeft begrepen dat hij werkzaam is bij de gemeente Tilburg en dat niet langer sprake is van schuldhulpverlening.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 27.300,00. De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft de vordering inhoudelijk niet betwist en heeft zich bij een eventuele veroordeling gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt dat ten aanzien van een bedrag van € 13.000,00 sprake is van rechtstreekse schade. Dit bedrag is door de benadeelde partij op de bankrekening van de verdachte gestort en vormt het object van het bewezenverklaarde witwassen. Het bewezenverklaarde vormt een onmisbare schakel tussen de gepleegde fraude/oplichting – en het daaruit voortvloeiende (schuld)witwassen – en de door de benadeelde partij geleden schade. Daarom is het hof van oordeel dat de geldbedragen die door de oplichting van de benadeelde partij zijn overgemaakt en de in de bewezenverklaring centraal staande gedraging in zodanig nauw verband staan met elkaar dat door het bewezenverklaarde (schuld)witwassen rechtstreeks een gedeelte van € 13.000,00 van de door de benadeelde partij geleden schade is veroorzaakt.
Ten aanzien van het meer gevorderde bedrag van € 14.300,00 overweegt het hof dat dit bedrag niet op de rekening van de verdachte maar op die van een ander is gestort en dat niet is gebleken van een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de gevorderde schade. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dat gedeelte van de vordering.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 13.000,00 aan materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2023, zijnde de datum waarop de benadeelde partij het bedrag heeft overgemaakt naar de rekening van de verdachte.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij.
De benadeelde partij heeft als reeds gemaakte proceskosten opgevoerd een bedrag van € 3,30, bestaande uit reiskosten naar het politiebureau voor het doen van aangifte. Het hof is van oordeel dat deze reiskosten voor toewijzing vatbaar zijn. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten. Deze kostenpost wordt begroot op nihil.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat bij het bewezenverklaarde tenminste één andere persoon betrokken is geweest. Nu de verdachte en deze (onbekend gebleven) ander(en) ieder een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 13.000,00. De verdachte en de (onbekend gebleven) ander(en) zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.000,00 (dertienduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3,30 (drie euro en dertig cent);
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.000,00 (dertienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 juni 2023.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,
en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.