Strafrecht overig

Vrijspraak van verkrachting. Onvoldoende (steun)bewijs.

Zaakgegevens

Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 juni 2026
Datum publicatie
24 juni 2026
Zaaknummer
20-001265-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1648
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vrijspraak van verkrachting. Onvoldoende (steun)bewijs.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-001265-25

Uitspraak : 24 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-081474-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de [benadeelde partij] tot een bedrag van € 10.822,55 integraal toegewezen,

te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedings-maatregel.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Met betrekking tot de vordering van de [benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering tot een totaalbedrag van

€ 10.822,55 geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair, in geval van een veroordeling, is verzocht om oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden (zoals geadviseerd door Forensisch Maatwerk) en een proeftijd van 1 jaar, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de [benadeelde partij] heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht de materiële schade tot een bedrag van

€ 385,00 toe te wijzen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De immateriële schade is uitdrukkelijk niet betwist.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2021 in de gemeente [pleegplaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,

 die [aangeefster] aan de haren heeft getrokken en/of

 het gezicht van die [aangeefster] heeft weggeduwd en/of

 die [aangeefster] naar voor heeft getrokken en/of naar achteren heeft geduwd, terwijl hij haar hoofd vasthield en/of

 die [aangeefster] (op haar rug) op het bed heeft geduwd en/of

 de body en/of de onderbroek van die [aangeefster] opzij heeft geschoven en/of getrokken en/of de broek van die [aangeefster] heeft uitgetrokken en/of

 zijn penis in de vagina van die [aangeefster] heeft geduwd/gebracht en/of

 die [aangeefster] (meermalen) in het gezicht heeft geslagen en/of

 die [aangeefster] (meermalen) heeft uitgescholden en/of

 die [aangeefster] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

 die [aangeefster] (meermalen) op haar vagina heeft geslagen en/of

 een vinger in de anus van die [aangeefster] heeft geduwd/gebracht en/of

 die [aangeefster] heeft omgedraaid op haar buik en/of

 die [aangeefster] (meermalen) op haar billen heeft geslagen, terwijl hij haar penetreerde en/of

 zijn penis in de mond van die [aangeefster] heeft geduwd/gebracht en/of

 (telkens) voorbij is gegaan aan de (verbale en non-verbale) signalen van die [aangeefster] dat zij dit niet wilde en/of

 (aldus) een dreigende situatie heeft gecreëerd waarin die [aangeefster] zich niet kon en/of durfde te verzetten tegen en/of kon onttrekken aan en/of weerstand kon bieden tegen de handelingen van verdachte.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Juridisch kader

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een

bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever of getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van

het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke ‘de auditu- verklaring’ levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de ‘de auditu-getuige’ persoonlijk heeft gedaan, voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis te kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.

Voorts overweegt het hof dat voor een bewezenverklaring van ‘dwang’ in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat het geweld en/of de andere feitelijkheden voor degene die eraan blootstaat, leidt tot het ondergaan van wat zij (of hij) zonder dat geweld of die feitelijkheden niet zou hebben laten gebeuren. Van ‘dwingen’ kan ook sprake zijn als het slachtoffer zich door het onverhoedse (in betekenis van onverwachte) van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten of in het geval dat nadat de seksuele handelingen aanvankelijk zonder dwang zijn aangevangen, het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid wordt gedwongen tot voortzetting daarvan. Ten slotte is slechts aan ‘dwingen’ voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte – dat in ‘dwingen’ besloten ligt – mede omvat dat de verdachte het slachtoffer handelingen, die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen haar (of zijn) wil. Of die dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Verklaringen verdachte versus verklaringen aangeefster

Uit zowel de verklaringen van aangeefster [aangeefster] als de verklaringen van de verdachte komt naar voren dat zij op 10 december 2021 in de woning van de verdachte seks hebben gehad en dat deze seks in elk geval aanvankelijk heeft plaatsgevonden, nadat zij elkaar hadden gezoend, zonder dat aangeefster in woord en/of gebaar had aangegeven dat zij geen seks wilde.

Over de meeste seksuele handelingen verklaren de aangeefster en de verdachte eensluidend, met uitzondering van het door de verdachte slaan op de vagina van aangeefster en het duwen van zijn vinger in haar anus, over welke handelingen de aangeefster heeft verklaard en die juist door de verdachte worden ontkend.

Over het verloop van de seks – welke op een gegeven moment ruig/ruw werd – hebben de aangeefster en de verdachte echter geheel uiteenlopend verklaard. De verdachte heeft verklaard dat de ruwe seks inclusief ‘spanking’ op verzoek van de aangeefster heeft plaatsgevonden en dat hij uit haar (non-verbale) reacties daarop heeft afgeleid dat zij dit als prettig ervaarde. In de visie van de verdachte maakten de tenlastegelegde geweldshandelingen onderdeel uit van hun seksuele spel. Achteraf bezien vindt de verdachte het spijtig dat de aangeefster dit kennelijk op een andere manier heeft ervaren. De aangeefster heeft daarentegen verklaard dat zij de seks en de daarmee gepaard gaande tenlastegelegde geweldshandelingen als dwingend heeft ervaren, dat zij op enig moment duidelijk aan de verdachte heeft aangegeven dat zij dit niet wilde en dat het pijn deed en dat de verdachte desondanks is doorgegaan. Hij heeft haar daarmee gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.

Steunbewijs voor verklaringen aangeefster?

Nu de seksuele handelingen in de slaapkamer van de verdachte hebben plaatsgevonden en hier geen anderen bij aanwezig waren, dient het hof in dit geval – om tot een veroordeling te komen van de tenlastegelegde verkrachting – de vraag te beantwoorden of er bewijs is dat ‘voldoende steun’ geeft aan de verklaringen van de aangeefster en dient daarbij rekening te houden met het juridisch kader als hiervoor weergegeven. Het hof zal het door de advocaat-generaal gepresenteerde steunbewijs nalopen.

Het hof is van oordeel dat de emotionele toestand die de moeder van de aangeefster die nacht waarneemt – de moeder heeft de aangeefster, nadat deze tevergeefs elders onderdak had proberen te krijgen, overstuur aan de telefoon gehad en is haar gaan ophalen in [pleegplaats] – in deze niet onderscheidend is voor het ene scenario of het andere. De waargenomen emotie kan evenzeer worden verklaard vanuit een ervaring van ongewilde seks als aanvankelijk gewilde seks die achteraf bezien te ruw was of werd, waardoor het als onprettig is ervaren.

De verklaringen van de getuige [getuige 1] betreffen wat de seksuele handelingen aangaat en de omstandigheden waaronder die tussen de verdachte en de aangeefster zouden hebben plaatsgevonden alleen ‘de auditu-verklaringen’ van de zijde van de aangeefster en komen dus niet uit een andere bron dan de verklaringen die de aangeefster zelf heeft afgelegd, zodat de verklaringen van deze getuige niet als steunbewijs in de hier bedoelde zin vallen aan te merken.

Wat betreft de appjes die zich in het dossier bevinden, is het hof met de verdediging eens dat het bericht dat de aangeefster die nacht nog aan de getuige [getuige 1] stuurt, dat de verdachte een ‘tyfusmongool’ is, ook niet onderscheidend is en bij beide scenario’s zouden kunnen passen. Bovendien staat tegenover dit bericht een appbericht van de getuige [getuige 2] aan getuige [getuige 1] , inhoudende dat de verdachte niet wist waarom de aangeefster die nacht bij hem is weggegaan en dat hij ontdaan was toen hij hoorde wat de aangeefster over die nacht had verteld en dat het volgens hem wel anders was gegaan.

Steunbewijs zou tot slot kunnen worden gevonden in de foto’s en de bevindingen die zich in het dossier bevinden van het bij de aangeefster geconstateerde letsel. Dit past echter naar het oordeel van het hof evenzeer in de lezing van de verdachte van hetgeen die nacht zou zijn voorgevallen als in de lezing van de aangeefster. De letselrapportage als zodanig is dan ook niet onderscheidend voor het scenario van de aangeefster of dat van de verdachte.

Conclusie

Het hof concludeert dat – hoewel het hof wel wil aannemen dat de aangeefster terugkijkt op een voor haar vervelende seksuele situatie met de verdachte op 10 december 2021 en dat zij daar nog altijd geestelijk last van heeft en de gevolgen van ondervindt – het hof niet uit wettig (steun)bewijs de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen in de zin van artikel 242 Sr (oud) om de in de tenlastelegging omschreven handelingen tegen haar zin te ondergaan. Het hof is van oordeel dat die handelingen (zoals ‘spanking’) immers ook kunnen passen bij de verklaring van de verdachte over het hebben van, kortgezegd, ruwe seks. Het hof heeft daarbij ook meegewogen dat de verdachte heeft verklaard juist positieve signalen te hebben opgevangen, de aangeefster niet te hebben zien huilen en dat hij (voortijdig, voor het klaarkomen) is gestopt toen de aangeefster haar hoofd had gestoten en hij zag dat ze daardoor pijn had en anderzijds dat de aangeefster heeft verklaard dat er ook handelingen op haar initiatief hebben plaatsgevonden (zoals het wisselen van positie en het oraal bevredigen van de verdachte) en dat zij doorging met de seks in de hoop dat het prettiger zou worden.

Nu het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zal hij daarvan worden vrijgesproken.

Nieuwe wetgeving

Het hof merkt nog op dat sinds 1 juli 2024 nieuwe zedenwetgeving van kracht is gegaan, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen schuldverkrachting en opzetverkrachting. Van schuldverkrachting is sprake wanneer iemand seksuele handelingen verricht en redelijkerwijs had moeten of kunnen vermoeden dat de ander hiermee niet instemde. Verricht iemand desondanks seksuele handelingen, dan kan dat juridisch worden gekwalificeerd als schuldverkrachting.

Nu in dit geval de verdachte mogelijk niet op afdoende wijze is nagegaan of de aangeefster het (ruwer wordende) seksuele contact vrijwillig wilde en wilde voortzetten, daarnaar in ieder geval – naar eigen zeggen – op geen enkel moment expliciet heeft geïnformeerd, zou hij zich onder de huidige wetgeving wellicht wel schuldig hebben gemaakt aan schuldverkrachting. Deze wetgeving is echter pas na het tenlastegelegde in werking getreden en daarmee niet van toepassing in deze zaak.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 10.822,55. Dit bedrag bestaat uit € 2.822,55 aan materiële schade (onderverdeeld in 3 schadeposten) en € 8.000,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en duurt derhalve in hoger beroep van rechtswege voort. Bovendien heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (de verdachte wordt immers vrijgesproken), kan de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Hanssen, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.