Strafrecht overig
Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1700 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1700
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-002053-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1700
Samenvatting
Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van een medewerkster van een supermarkt, het bedreigen met zware mishandeling door een mes te richten op meerdere personen en het vernielen van een ruit. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door een (computer)monitor in de richting van het gezicht van het slachtoffer te gooien en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een toetsenbord. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien weken.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-002053-25
Uitspraak : 29 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 augustus 2025, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-271568-22, 01-160984-24 en 01-297707-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
thans uit anderen hoofde verblijvende in Penitentiaire Inrichting te Sittard.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
-
‘mishandeling’ (parketnummer 01-271568-22 feit 1),
-
‘bedreiging met zware mishandeling’ (parketnummer 01-271568-22 feit 2 en parketnummer 01-160984-24 feit 1 subsidiair),
-
‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’(parketnummer 01-271568-22 feit 3 en parketnummer 01-160984-24 feit 2), en
-
‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (parketnummer 01-297707-24),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van alle bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Daarnaast heeft de politierechter de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beide integraal toegewezen tot een bedrag van
€ 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij [slachtoffer 3] is veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Ten slotte heeft de politierechter het in beslag genomen mes verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het ad informandum gevoegd feit
In de zaak met parketnummer 01-297707-24 wordt op de tweede pagina van de dagvaarding een mededeling gedaan van een ad informandum gevoegd feit, omschreven als het negeren van een straatverbod. Het aantekening mondeling vonnis van de politierechter maakt echter geen melding van dit feit. Nu niet is gebleken dat de politierechter het ad informandum feit heeft meegenomen in de strafoplegging, is dit ad informandum feit niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] , die in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend ter hoogte van € 10.000,00 aan immateriële schade, is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren, het in de zaak met parketnummer
01-160984-24 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en het in de zaak met parketnummer 01-297707-24 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal het hof verzocht om de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] conform het vonnis van de politierechter toe te wijzen en gevorderd dat ter hoogte van het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen mes verbeurd zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 01-271568-22 primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van alle drie de tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit het vonnis ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde te bevestigen, met dien verstande dat sprake is van bedreiging met zware mishandeling.
In de zaak met parketnummer 01-160984-24 heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Voor het onder feit 2 tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
In de zaak met parketnummer 01-297707-24 refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Voorts heeft de raadsman van de verdachte een strafmaatverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak betoogd dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen af te wijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Inzake parketnummer 01-271568-22:
1.
hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar in haar gezicht te slaan;
2.
hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Eindhoven [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door hem/hen een mes te tonen en/of in de richting van hem/hen te houden;
3.
hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd;
Inzake parketnummer 01-160984-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op of omstreeks 3 mei 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een (computer)monitor naar/in de richting van het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 5] te hebben gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 mei 2024 te Eindhoven [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (computer)monitor naar/in de richting van het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 5] te gooien;
2.
hij op of omstreeks 3 mei 2024 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een (computer)monitor en/of een toetsenbord, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Inzake parketnummer 01-297707-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op of omstreeks 17 september 2024 te Best, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] agent, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: “jij bent een stronthoer en een narcist” en/of “machtsmisbruiker”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 01-297707-24 heeft begaan, met dien verstande, dat:
Inzake parketnummer 01-271568-22:
1.
hij op 6 mei 2022 te Eindhoven [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar in haar gezicht te slaan;
2.
hij op 6 mei 2022 te Eindhoven [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door hen een mes te tonen en in de richting van hen te houden;
3.
hij op 6 mei 2022 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] toebehoorde, heeft vernield;
Inzake parketnummer 01-160984-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
1.
hij op 3 mei 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een (computer)monitor in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 5] te hebben gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 3 mei 2024 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een toetsenbord, dat geheel of ten dele aan [bedrijf 2] toebehoorde, heeft vernield;
Inzake parketnummer 01-297707-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op 17 september 2024 te Best opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] agent, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: “jij bent een stronthoer en een narcist” en “machtsmisbruiker”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Inzake parketnummer 01-271568-22:
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, op ambtseed opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2100-2022095674, door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie, gesloten d.d. 23 mei 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-58.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2022, dossierpagina’s 12-13, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] :
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik heb niemand toestemming gegeven mij pijn/letsel toe te brengen. Niemand had het recht daartoe. Ik ben werkzaam als assistent filiaalmanager bij de [bedrijf 1] , gelegen te Eindhoven. Op 6 mei 2022 was ik werkzaam bij de [bedrijf 1] . Ik stond achter de servicebalie en de man stond loodrecht tegenover mij. Ik zag dat de man dichter naar mij toeboog en uit het niets met zijn rechtervuist met kracht een slaande beweging richting mijn gezicht maakte. Ik voelde dat ik door deze vuist hard geraakt werd op de linkerkant van mijn voorhoofd. Direct hierop voelde ik een stekende pijn aan mijn hoofd.
Ik zag dat achter ons aan de man liep, die mij zojuist geslagen had. Ik zag dat hij rustig richting de uitgang van de winkel liep met een mes in zijn hand.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2022, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :
Op 6 mei 2022 was ik werkzaam als medewerker bij de [bedrijf 1] gelegen te Eindhoven. Ik hoorde dat er een conflict was aan de servicebalie. Ik zag dat de man over de toonbank ging hangen en [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) een klap in het gezicht gaf.
Wij stonden met vijf man in het kleine kantoor. De man, ik, [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 4]), [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 2]). Ik zag dat hij zich met zijn rug naar ons draaide en dat hij bezig was met zijn nektasje. Vervolgens zag ik dat hij zich naar ons draaide en dat hij een mes in zijn hand had.
Ik zag dat het mes uitgeklapt was en dat hij het mes voor zich richting ons hield. Ik hoorde dat hij zei: “Als het zo op die manier moet” of woorden van gelijke strekking. Ik voelde mij enorm bedreigd op dat moment. Ik rende samen met mijn collega’s het kantoor uit. Ik hield samen met [slachtoffer 2] de klink vast zodat de man niet naar buiten kon. Ik zag dat de man met de punt van het mes tegen het raam stootte. Als gevolg hiervan splinterde het raam en kwam er een ster in. Vervolgens zag ik dat de man dit nogmaals met volle kracht deed. Als gevolg daarvan ging het volledige raam van de deur eruit.
Ik doe tevens namens de [bedrijf 1] aangifte van vernieling van de ruit die de man vernield heeft.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2022, dossierpagina’s 8-9, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 4] :
Op 6 mei 2022 was ik werkzaam als medewerker bij de [bedrijf 1] gelegen te Eindhoven. Toen ik bij de servicebalie stond, zag ik dat er een man met [slachtoffer 3] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 3]) in conflict was. Ik zag dat de man over de toonbank ging hangen en [slachtoffer 3] een klap in het gezicht gaf.
Ik zag dat hij zich met zijn rug naar ons draaide en dat hij bezig was met zijn nektasje. Vervolgens zag ik dat hij zich naar ons draaide en dat hij een mes in zijn hand had.
Ik zag dat het mes uitgeklapt was en dat hij het mes voor zich richting ons hield. Ik hoorde dat hij iets tegen ons riep. Ik weet niet meer precies wat. Al die tijd hield hij het mes gericht naar ons. Als gevolg hiervan voelde ik mij bedreigd. Ik rende samen met mijn collega’s het kantoor uit. [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) hield samen met [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) de klink vast zodat de man niet naar buiten kon. Ik zag dat de man met de punt van het mes tegen het raam stootte. Als gevolg hiervan splinterde het raam en kwam er een ster in. Vervolgens zag ik dat de man dit nogmaals met volle kracht deed. Als gevolg daarvan ging het volledige raam van de deur eruit.
4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2022, dossierpagina’s 8-9, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
Op 6 mei 2022 was ik werkzaam als medewerker bij de [bedrijf 1] gelegen te Eindhoven. Ik hoorde dat er een conflict was aan de servicebalie. Aldaar zag ik dat er een man in conflict was met [slachtoffer 3] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 3]). Ik zag dat de man over de toonbank ging hangen en [slachtoffer 3] een klap in het gezicht gaf.
Wij stonden met vijf man in het kleine kantoor. De man, ik, [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] ), [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 1] ). Ik zag dat hij zich met zijn rug naar ons draaide en dat hij bezig was met zijn nektasje. Vervolgens zag ik dat hij zich naar ons draaide en dat hij een mes in zijn hand had.
Ik zag dat het mes uitgeklapt was en dat hij het mes voor zich richting ons hield. Ik voelde mij enorm bedreigd op dat moment. Ik rende samen met mijn collega’s het kantoor uit. Ik hield samen met [slachtoffer 1] de klink vast zodat de man niet naar buiten kon. Ik zag dat de man met de punt van het mes tegen het raam stootte. Als gevolg hiervan splinterde het raam en kwam er een ster in. Vervolgens zag ik dat de man dit nogmaals met volle kracht deed. Als gevolg daarvan ging het volledige raam van de deur eruit.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2022, dossierpagina 25, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Naar aanleiding van het geweldincident dat op 6 april (het hof begrijpt: mei) 2022 plaatsvond in de supermarkt [bedrijf 1] gevestigd aan [adres] werden de geregistreerde beelden van de beveiligingscamera’s uit deze winkel veiliggesteld en ter beschikking van de politie gesteld voor nader onderzoek. Op tijdstip 13:46:24 maakt de man een slaande beweging met zijn rechterhand en
-arm over de balie naar de supermarktmedewerker die hem te woord staat. De supermarktmedewerker duikt met haar hoofd achteruit. Het lijkt of de slag het gelaat van de supermarktmedewerker raakt.
Op tijdstip 13:50:16 uur komt de man weer in beeld. De man heeft een op een mes gelijkend voorwerp in zijn tot vuist gebalde linkerhand en de man houdt het lemmet naar voren gericht.
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] .
Inzake parketnummer 01-160984-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2100-2024094619, door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van de politie, gesloten d.d. 16 mei 2024, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met digitale doorgenummerde dossierpagina’s 1-38.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2024, dossierpagina’s 6-9, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] :
Op 3 mei (het hof begrijpt: 2024) begon ik mijn werkdag bij het bedrijf serviceapotheek [bedrijf 2] (het hof begrijpt: te Eindhoven). Ik zag dat mijn assistente binnen kwam lopen op het kantoor en hoorde haar zeggen: “Een patiënt heeft mij uitgescholden met trut, omdat zijn recept nog niet binnen was gekomen.” De betreffende patiënt wilde dat ik naar de balie kwam. De meneer kwam erg agressief op mij over. Dit kwam zo doordat hij erg hard schreeuwde en ons uitschold.
Ik zag dat de man met beide handen richting de monitor bewoog. Ik zag dat hij met beide handen de computermonitor optilde. Ik zag dat hij met kracht de monitor naar mij en mijn collega toegooide. Ik zag dat dit bewust naar ons gezicht was. Ik zag dat de monitor ons niet raakte, omdat deze vast zat aan een kabel. Ik weet dat als de monitor niet aan de kabel zat dat deze mij mogelijk wel had geraakt. Ik zag dat er een flinke beschadiging in het kastje onder de monitor zat. Ik beschrijf de schade als een stuk uit het hout van het kastje.
Ik zag dat hij het bijbehorende toetsenbord oppakte. Ik zag dat hij meermaals het toetsenbord op de balie sloeg. Ik zag dat er hierdoor meerdere toetsen uit het toetsenbord sprongen. De man staat in ons klantensysteem. Hij is hier vaker geweest. De man betreft [verdachte] geboren op [geboortedag] 1971.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 mei 2024, dossierpagina’s 15-17, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Ik ben werkzaam binnen de apotheek als apothekersassistent. Ik zag dat de man een beeldscherm met beide handen vastpakte van de balie, het beeldscherm boven zijn hoofd hield en met kracht naar de collega’s gooide. Ik zag dat het beeldscherm nog aan een snoer vastzat, waardoor het scherm mijn collega’s niet raakte. Vervolgens zag ik dat de man een toetsenbord van de balie oppakte en deze twee keer hard tegen de balie sloeg. Ik zag dat er veel toetsen door de lucht vlogen.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 mei 2024, dossierpagina’s 18-20, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
Ik ben werkzaam in de apotheek als apothekersassistent in Eindhoven. Er kwam een patiënt bij mij aan de balie. Ik gaf het medicijn aan hem en toen zei hij dat hij meer medicatie moest krijgen. Ik verwees hem terug naar de huisarts, omdat er geen recept was daarvoor. Hierop reageerde hij fel dat ik mijn baas er bij moest halen. [slachtoffer 5] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 5]) kwam bij mij staan achter de balie. Toen zag ik dat de man het computerbeeldscherm van de pc op de balie vastpakte, met twee handen en met kracht over de balie naar ons gooide. Doordat de voedingskabel van het beeldscherm vast zat, bleef het scherm aan de balie hangen en kregen [slachtoffer 5] en ik het scherm niet tegen ons hoofd/gezicht. Die intentie had de man wel en hij gooide ook met die kracht om ons te verwonden. Het beeldscherm is van een groot formaat met daar een voet/steun onderaan vast, een behoorlijk gewicht. Daarna zag ik dat de man het toetsenbord van de balie pakte en op de balie kapot sloeg. De man bleek volgens het recept [verdachte] [geboortedag] 1971 te zijn.
4. De eigen waarneming van dit hof, gedaan in de raadkamer, aan de hand van de foto op dossierpagina’s 13, voor zover inhoudende:
Het hof neemt op de foto op pagina 13 van het procesdossier waar dat de (computer)monitor van grote omvang is en dat de (computer)monitor scherpe hoeken bevat.
5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2024, dossierpagina’s 34-38, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
Ik heb alleen een toetsenbord gepakt en deze kapot geslagen op de balie.
Inzake parketnummer 01-297707-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, op ambtseed opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2100-2024205289, door verbalisant [verbalisant 3] , brigadier van de politie, gesloten d.d. 18 september 2024, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met digitale doorgenummerde dossierpagina’s 1-32.
1. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 17 september 2024, dossierpagina’s 7-10, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [benadeelde] en [verbalisant 4] :
Op 17 september 2024 waren wij belast met een noodhulpdienst in het werkgebied Best. Wij kregen het verzoek om te gaan naar de Eindhovenseweg in Best. Wij kregen te horen dat handhaving daar aanwezig was en de heer [verdachte] bij zich hadden staan. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , ontving van handhaving een rijbewijs. Ik zag dat op het rijbewijs stond, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971.
Terwijl de verdachte [verdachte] werd gefouilleerd, zag ik, verbalisant [benadeelde] , dat de verdachte [verdachte] naar de handhavers keek. Wij hoorden dat de verdachte [verdachte] daarbij riep op een luide toon dat het stronthoeren waren. Ik, verbalisant [benadeelde] , vertelde hem dat hij geen beledigingen moest uiten en hier direct mee moest stoppen. Vervolgens riep hij naar ons dat wij machtsmisbruikers waren en dictators. Ik, verbalisant [benadeelde] , bracht de verdachte [verdachte] naar het dienstvoertuig en plaatste hem in het dienstvoertuig. Terwijl ik dit deed, keek de verdachte [verdachte] mij aan en riep dat ik een stronthoer was. Ik vertelde hem dat ik mij hierdoor beledigd voelde en dat hij hiermee moest stoppen en hij anders hiervoor een proces-verbaal kreeg. Ik hoorde dat hij meteen reageerde met de woorden: “Jij bent een stronthoer en een narcist.” Ik deelde hem mede dat hij hiervoor een proces-verbaal kreeg. Ik hoorde dat hij riep: “Je bent een machtsmisbruiker.”
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 september 2024, dossierpagina’s 14-18, voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte [verdachte] :
V: Begrijp jij dat als jij ambtenaren in functie, en in hun rechtmatige uitvoer van bediening, beledigt, dat je dan een strafbaar feit pleegt?
A: Ik heb niet beledigd, ik heb de waarheid gezegd.
Bewijsoverwegingen
Inzake parketnummer 01-160984-24 onder feit 2 en in de zaak met parketnummer 01-297707-24
De beslissing dat het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 2 en in de zaak met parketnummer 01-297707-24 door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Inzake parketnummer 01-271568-22
Noodweerverweren
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde, nu de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe is – in de kern genomen – aangevoerd dat de verdachte een astma-aanval kreeg en hij geen toegang had tot zijn medicijnen. Hierdoor ontstond voor hem een ogenblikkelijke en wederrechtelijke noodsituatie, waaraan hij zich niet kon onttrekken. In de toestand van paniek meende de verdachte dat het pakken van een mes, gevolgd door het vernielen van de ruit de enige mogelijkheid was om weg te komen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de aanvaarding van een beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De enkele vrees voor zo een aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig dreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding.
Op grond van het procesdossier stelt het hof vast dat er op 6 mei 2022 in de [bedrijf 1] in Eindhoven een incident heeft plaatsgevonden. Dientengevolge is de verdachte onder begeleiding van medewerkers van de [bedrijf 1] naar het kantoor gebracht in afwachting van de politie. Aldaar begon de verdachte te hijgen en gaf hij aan zijn medicatie nodig te hebben. Toen de verdachte zijn medicatie niet kreeg, trok hij een mes en hield dat mes richting aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] . Hierop hebben aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de deur van het kantoor dichtgetrokken, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Als reactie hierop heeft de verdachte met de punt van het mes de ruit ingeslagen, waardoor de ruit is gebroken.
Naar het oordeel van het hof kan uit het procesdossier, noch het verhandelde ter terechtzitting worden afgeleid dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte heeft er eigenhandig voor gezorgd dat hij in het kantoor van de [bedrijf 1] is beland, door zich te gedragen zoals onder feit 1 bewezen is verklaard en hij niet uit eigen beweging op de politie wilde wachten. Dat de verdachte eenmaal in het kantoor aangekomen begon te hijgen, vroeg om zijn medicatie en die niet kreeg, maakt naar het oordeel van het hof niet dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen lijf, eerbaarheid of goed, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waardoor hij genoodzaakt was een mes te trekken, personen te bedreigen en een ruit te vernielen. Het beroep op noodweer voor zowel feit 2 als feit 3 wordt verworpen.
De bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster daadwerkelijk heeft geraakt. Ten aanzien van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde heeft de verdediging, zoals hierboven weergegeven, een beroep op noodweer gedaan. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde betoogd dat sprake is van bedreiging met zware mishandeling, nu geen feiten of omstandigheden aanwezig zijn die de vrees voor levensgevaar rechtvaardigen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er op 6 mei 2022 een incident heeft plaatsgevonden in de [bedrijf 1] in Eindhoven. Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde heeft aangeefster [slachtoffer 3] verklaard dat de verdachte uit het niets met zijn rechtervuist met kracht een slaande beweging maakte richting haar gezicht. Zij verklaart hard te zijn geraakt, waarop zij een stekende pijn voelde aan haar hoofd. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] . Bovendien wordt het feit dat de verdachte aangeefster [slachtoffer 3] heeft geslagen en daarbij dus heeft geraakt, ondersteund door de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde hebben aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] allen verklaard dat de verdachte een mes uit zijn nektasje haalde en dit uitgeklapte mes in de richting van de aangevers hield. Zij voelden zich hierdoor bedreigd. De afgelegde verklaringen van aangevers ondersteunen elkaar over en weer, waardoor het hof geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers. Het hof is van oordeel dat nu de verdachte een mes heeft getrokken, dit richting aangevers heeft gehouden, en de verdachte en aangevers zich op dat moment in een klein kantoor bevonden, de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de aangevers zwaar zou mishandelen. Het hof is – met de verdediging – van oordeel dat er geen sprake is van vrees voor levensgevaar.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Inzake parketnummer 01-160984-24 onder feit 1 primair
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder feit 1 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat de verdachte de (computer)monitor doelbewust in de richting van aangeefster heeft gegooid, vindt steun in alle getuigenverklaringen. Gezien het aanzienlijke gewicht van de (computer)monitor en de hoeveelheid aan scherpe hoeken, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, nu de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt en de verdachte ontkent dat hij de (computer)monitor heeft gegooid. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman – in de kern genomen – aangevoerd dat de verdachte verklaart dat hij geen pijn of letsel wilde veroorzaken. Met betrekking tot het gooien van de (computer)monitor bepleit de raadsman dat de verdachte wist dat de (computer)monitor vast zat aan een kabel en dat het valt te betwijfelen of de verdachte fysiek in staat was om de (computer)monitor te gooien, gezien het formaat en gewicht daarvan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor de bewezenverklaring van een strafbare poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is niet gebleken van ‘vol opzet’ en heeft in dat kader onderzocht of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 5] .
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 5] . Hoewel de verdachte ontkent de (computer)monitor te hebben gegooid, wordt de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] dat de verdachte de (computer)monitor met beide handen heeft vastgepakt en deze met kracht naar aangeefster heeft gegooid, ondersteund door de getuigenverklaringen van getuige [getuige 1] en [getuige 2] . Door een (computer)monitor van dit formaat, met een behoorlijk gewicht en voorzien van scherpe hoeken met kracht te gooien, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat het zwaar lichamelijk letsel zich niet heeft verwezenlijkt, is geenszins te danken aan het handelen van de verdachte. Dat de verdachte stelt dat hij wist dat de (computer)monitor vast zat aan kabels, laat dat onverlet. De verdachte kon immers niet weten of de kabels sterk genoeg waren om de (computer)monitor tegen te houden.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 3 en het in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 01-297707-24 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder dat hij een kwetsbaar persoon is met problemen met betrekking tot het psychosociaal functioneren zonder de aanwezigheid van een sociaal vangnet, woning of inkomen. In dit kader heeft de raadsman verzocht om te volstaan met de oplegging van een kortere gevangenisstraf dan door de politierechter is opgelegd, zodat de verdachte sneller de zorg kan krijgen die hij nodig heeft.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 6 mei 2022 schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van een medewerkster van de [bedrijf 1] , het bedreigen met zware mishandeling door een mes te richten op meerdere personen en het vernielen van een ruit. Voorts heeft de verdachte zich op 3 mei 2024 schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door een (computer)monitor in de richting van het gezicht van het slachtoffer te gooien. Tevens heeft de verdachte het toetsenbord van de betreffende apotheek vernield. De verdachte heeft met deze strafbare handelingen de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden, angstige gevoelens teweeg gebracht, alsmede het eigendomsrecht van de benadeelden aangetast.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 17 september 2024 schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent. Het handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Bij het bepalen van de op te leggen straffen, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 12 mei 2026 in een andere strafzaak. De reclassering ziet op basis van het dossier en de houding van de verdachte problemen op het psychosociaal functioneren. De reclassering ziet geen mogelijkheden binnen een reclasseringstoezicht. Vormen van zorg of begeleiding van de verdachte zijn niet beschreven.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat op grond van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof de oplegging een gevangenisstraf voor de duur van zestien weken passend bij de persoon van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in eerste aanleg nog het volgende.
In de zaak met parketnummer 01-271528-22 is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. De verdachte is immers op 23 mei 2022 voor het eerst gehoord, terwijl de politierechter op 18 augustus 2025 vonnis heeft gewezen. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve drie jaren en bijna drie maanden.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met twee weken. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 weken.
Beslag
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes (goednummer: PL2100-2022092296-1929930), volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het inzake parketnummer 01-271568-22 onder feit 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan en dit onder de verdachte in beslag is genomen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair is verzocht om de vordering af te wijzen, wegens gebrek aan onderbouwing.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof overweegt dat artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen wanneer sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gesteld dat hij als gevolg van de door de verdachte gedane bedreiging ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’, omdat hij zich erg onveilig voelde, slecht heeft geslapen en last heeft gehad van herbelevingen. Daarnaast is hij sindsdien erg alert en op zijn hoede.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] zich bedreigd en onveilig heeft gevoeld. Dit brengt echter niet zonder meer met zich dat er sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Het hof stelt vast dat de gestelde immateriële schade, behoudens een weergave van de gevolgen, niet is onderbouwd met enig stuk. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat er sprake is geweest van dergelijk letsel of een dusdanige inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde, dat de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is. De aard en de ernst van de normschending zijn ook niet van dien aard dat alleen al daarom de aangevoerde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij kan derhalve niet in de vordering tot vergoeding van immateriële schade worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.
De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair is verzocht om de vordering af te wijzen, wegens gebrek aan onderbouwing.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof overweegt dat artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen wanneer sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gesteld dat hij als gevolg van de door de verdachte gedane bedreiging ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’, omdat hij angstig is en extra alert is op zijn omgeving aangezien hij bang is om de verdachte tegen te komen. Daarnaast heeft hij vaak flashbacks naar de bedreiging en heeft hij last gehad van slaapproblemen.
Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich bedreigd en angstig heeft gevoeld. Dit brengt echter niet zonder meer met zich dat er sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Het hof stelt vast dat de gestelde immateriële schade, behoudens een weergave van de gevolgen, niet is onderbouwd met enig stuk. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat er sprake is geweest van dergelijk letsel of een dusdanige inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde, dat de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade zonder meer toewijsbaar is. De aard en de ernst van de normschending zijn ook niet van dien aard dat alleen al daarom de aangevoerde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij kan derhalve niet in de vordering tot vergoeding van immateriële schade worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 57, 63, 266, 267, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 1, feit 2 en feit 3 en in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 1 primair en feit 2 en in de zaak met parketnummer 01-297707-24 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 01-271568-22 onder feit 1, feit 2 en feit 3 en in de zaak met parketnummer 01-160984-24 onder feit 1 primair en feit 2 en in de zaak met parketnummer 01-297707-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) weken;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een mes (kleur: zwart, merk: Stainless, goednummer: PL2100-2022092296-1929930);
vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;
vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,
en op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.J.M.A. van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.