Gerechtshof 's-Hertogenbosch, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHSHE:2026:1837

Op 15 July 2026 heeft de Gerechtshof 's-Hertogenbosch een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 20-004045-18, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHSHE:2026:1837. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
20-004045-18
Datum uitspraak:
15 July 2026
Datum publicatie:
15 July 2026

Indicatie

Artikel 6 EVRM niet geschonden door afwijzing aanhoudingsverzoek van de verdachte. Daarbij heeft het hof geoordeeld – gelet op de procesgang in hoger beroep, de ouderdom van de zaak – dat met name de belangen van de slachtoffers bij de voortgang en afdoening van de strafzaak inmiddels prevaleren boven het belang van de verdachte op aanhouding daarvan, teneinde zich te kunnen voorzien van rechtsbijstand (door mr. Moszkowicz dan wel door een nieuwe advocaat). Het hof heeft hierbij gewicht toegekend aan de eerder geuite wens van de slachtoffers de behandeling van onderhavige strafzaak spoedig te plannen en dat zij gelet op het grote aantal zittingen alsmede de blijvende en langdurige belasting die deze zaak voor hen teweeg heeft gebracht en nog altijd brengt, niet ter zitting zullen verschijnen maar dat zij graag willen dat er een einde komt aan de procedure en hopen met een uitspraak van het hof een en ander te kunnen afsluiten. Ook is meegewogen dat de feitenbehandeling grotendeels al heeft plaatsgevonden met bijstand van mr. Moszkowicz op de terechtzitting van 30 mei 2022 en dat door de verdediging reeds is aangegeven dat dezelfde verweren als in eerste aanleg zouden worden gevoerd. Het hof heeft geoordeeld dat, gelet hierop, het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces, door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, niet is geschonden. Hierop is de strafzaak inhoudelijk behandeld en na afronding van het onderzoek gesloten.

Afwijzing beroep op noodweer(exces).

Uitspraak

Parketnummer : 20-004045-18

Uitspraak : 15 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2018, in de strafzaak met parketnummer 03-700214-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedatum] 1994,

wonende te [ adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde feit bewezen verklaard, met vrijspraak van het onderdeel ‘medeplegen’, dit (abusievelijk) gekwalificeerd als ‘doodslag, meermalen gepleegd’ en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 233,16 aan materiële schade toegewezen en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van

€ 247,08 aan materiële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens zijn de proceskosten van de benadeelde partijen toegewezen tot telkens een bedrag van € 461,00. De vorderingen zijn voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geen beslissing op het beslag genomen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesgang

Op de terechtzitting van 14 januari 2022 heeft het hof een aanvang genomen met de behandeling van de onderhavige strafzaak. Echter, aangezien de toenmalige raadsman van de verdachte zich kort daarvoor – op 6 januari 2022 – had teruggetrokken heeft mr. Y. Moszkowicz zich als raadsman gesteld en om aanhouding gevraagd, omdat hij onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden. Dit verzoek is door het hof toegewezen.

Op de terechtzitting van 30 mei 2022 heeft de feitenbehandeling grotendeels plaatsgevonden en is de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden, waarop de stukken van de zaak in handen zijn gesteld van de advocaat-generaal en de raadsheer-commissaris om uitvoering te geven aan op verzoek van de verdediging tet terechtzitting geformuleerde en door het hof toegewezen onderzoekswensen.

De volgende terechtzitting stond gepland op 18 maart 2024, maar mr. Moszkowicz heeft op de dag van de zitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, ditmaal vanwege ziekte van de verdachte. Het aanhoudingsverzoek is door het hof toegewezen en in overleg met de verdediging is vervolgens een nieuwe zittingsdatum bepaald, te weten 19 juli 2024.

Op 16 juli 2014 heeft mr. Moszkowicz het hof een bericht gestuurd met daarbij een foto van de verdachte met letsel aan zijn hoofd. Op 17 juli 2024 heeft mr. Moszkowicz het hof verzocht om de zaak wederom aan te houden, omdat de verdachte gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar dat hij op advies van de inrichtingsarts 2 tot 3 weken rust moest houden vanwege een hersenschudding. Bij e-mailbericht van 18 juli 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partijen, mr. W.J. van Bel, verzocht om de zaak spoedig te plannen. In de voetnoot van het proces-verbaal van de zitting van 19 juli 2024 staat vermeld dat het hof meermalen tevergeefs heeft getracht om met de verdediging tot een geschikte zittingsdatum in 2024 te komen, dat de verdediging hierover geen uitsluitsel heeft gegeven en dat de zitting is gepland op 16 oktober 2024 te 10.30 uur. In dit verband is ook een

e-mailwisseling in het procesdossier gevoegd, waaruit het volgende blijkt:

bij e-mailbericht van 18 juli 2024 heeft de verkeerstoren aan de raadsman gemeld dat het hof de zaak voor bepaalde tijd op zitting wil aanhouden en de raadsman gevraagd of hij op 7 oktober 10.30 uur beschikbaar is;

bij e-mailbericht van 18 juli 2024 heeft het kantoor van de raadsman bericht dat de raadsman op die datum verhinderd is en is het verzoek gedaan om in overleg met de raadsman te kijken naar een geschikte datum voor de inhoudelijke behandeling;

bij e-mailbericht van 19 juli 2024 heeft de verkeerstoren de datum van 16 oktober 2024 te 10.30 uur of 30 oktober 2024 te 10.30 uur aan het kantoor voorgelegd;

bij e-mailbericht van 19 juli 2024 heeft het kantoor van de raadsman bericht dat de raadsman op beide data verhinderd is en heeft het kantoor de verkeertoren gevraagd om de verhinderdata op te vragen, zodat de zitting ingepland zou kunnen worden;

bij e-mailbericht van 22 juli 2024 heeft de verkeerstoren per ommegaande de verhinderdata van de raadsman voor de maanden oktober, november en december opgevraagd;

bij e-mailbericht van 22 juli 2024 is door het kantoor van de raadsman bericht dat mr. Moszkowicz in de maanden oktober, november en december geheel verhinderd is, vanwege een aantal megazaken en de vakantieperiode en is de verkeerstoren verzocht om nieuwe verhinderdata op te vragen;

bij e-mailbericht van 23 juli 2024 heeft de verkeerstoren gemeld dat het een oud feit betreft, dat de zaak meermalen is aangehouden en dat de advocaat van de benadeelde partijen te kennen heeft gegeven bezwaar te hebben tegen aanhouding van de zaak. Zijdens het hof is te kennen gegeven dat het hof in dat verband een belangenafweging moet maken, het hof de zaak nog dit kalenderjaar wenst af te doen, waarbij de raadsman is verzocht om een waarnemer aan te stellen, dan wel de verhinderdata voor de vrijdagen van het lopend kalenderjaar door te geven en beschikbaar te zijn op een door het hof voorgestelde datum;

bij e-mailbericht van 26 juli 2024 heeft de verkeerstoren verzocht om een reactie op voormeld e-mailbericht;

bij e-mailbericht van 30 juli 2024 heeft de verkeerstoren andermaal verzocht om een onmiddellijke reactie op de twee laatste e-mailberichten van het hof;

bij e-mailbericht van 1 augustus 2024 heeft het kantoor van mr. Moszkowicz bericht dat de e-mailberichten in goede orde zijn ontvangen, maar dat deze eerst met de verdachte besproken moeten worden en dat het hof in de loop van de week van 12 augustus 2024, wegens vakantie mr. Moszkowicz, een reactie zou ontvangen;

bij e-mailbericht van 1 augustus 2024 heeft de verkeerstoren de raadsman bericht dat het e-mailbericht van 1 augustus 2024 van de raadsman aan de voorzitter is voorgelegd en dat de zaak definitief op 16 oktober 2024 10.30 uur is gepland;

bij e-mailbericht van 1 augustus 2024 heeft het kantoor van de raadsman de verkeertoren bericht dat de raadsman op de genoemde datum verhinderd is en dat dit eerst met de verdachte moet worden besproken, alsmede dat het hof in de loop van de week van 12 augustus 2024 een reactie kan verwachten en mocht dit niet mogelijk zijn, dat mr. Moszkowicz zich dan genoodzaakt zou zien om zich terug te trekken als raadsman.

Het hof heeft daarna niets meer van de raadsman of zijn kantoor vernomen. Op instructie van het hof heeft de griffier op 8 oktober 2024 tweemaal met het kantoor van de raadsman gebeld en een e-mailbericht gestuurd naar het kantoor met het verzoek om het hof te informeren of mr. Moszkowicz op 16 oktober 2024 ter terechtzitting zou verschijnen, dan wel of hij zich als raadsman heeft onttrokken en, zo ja, of de verdachte dan een nieuwe raadsman of raadsvrouw heeft.

Op 9 oktober 2024 heeft de raadsman een e-mailbericht gestuurd naar het hof met de mededeling dat hij niet ter terechtzitting van 16 oktober 2024 zou verschijnen, hij de verdachte nog altijd bijstaat en deze geen andere advocaat wenst. De raadsman heeft in het desbetreffende e-mailbericht verzocht om aanhouding van de zaak en om in overleg met hem een andere datum voor de inhoudelijke behandeling te plannen.

Op 11 oktober 2024 heeft de griffier namens het hof een e-mailbericht gestuurd aan de raadsman en de advocaat-generaal, kort gezegd inhoudende dat het hof de zaak ter terechtzitting van 16 oktober 2024 zal aanhouden, waarbij de raadsman is verzocht om uiterlijk op 14 oktober 2024 toe te lichten waarom er vanuit de zijde van de verdediging in de week van 12 augustus 2024 geen reactie is ontvangen, zoals bij e-mailbericht van 1 augustus 2024 was toegezegd. Deze reactie is op 15 oktober 2024 om 16.15 uur per

e-mailbericht ingekomen bij het hof. Gelet op het tijdstip van inkomen daarvan, heeft het hof daarvan pas in de ochtend van 16 oktober 2024 kennis genomen. De raadsman schreef de reactie is uitgebleven in verband met een fout op zijn kantoor, waarvoor hij zijn excuses heeft aangeboden.

Omdat het transport van de verdachte niet tijdig kon worden geannuleerd, is hij alleen – zonder zijn raadsman – ter terechtzitting van 16 oktober 2024 verschenen. Gelet op de gang van zaken was het hof genoodzaakt de behandeling van de zaak wederom aan te houden, waarbij werd bepaald dat de zaak op de nadere terechtzitting inhoudelijk zou worden behandeld.

Op 3 juli 2025 te 14.00 uur stond de zaak weer op zitting bij het hof. Door uitloop van een andere strafzaak, kon de zaak eerst om 14.15 uur worden uitgeroepen. Hierop is een conflict ontstaan tussen die samenstelling van het hof en mr. Moszkowicz. Vervolgens is door de verdachte een wrakingsverzoek ingediend, welk verzoek door de wrakingskamer van het hof gegrond is verklaard.

Op 5 december 2025 zijn de verhinderdata van de raadsman opgevraagd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak in het tweede kwartaal van 2026. Op 9 december 2025 is namens de raadsman verzocht om eerst een regiebehandeling te plannen. Namens de voorzitter van de behandelend strafkamer is de raadsman op 10 december 2025 bericht dat het hof vooralsnog geen reden ziet een regiebehandeling in te plannen en is nogmaals verzocht om de verhinderdata van de raadsman. Daarop is namens de raadsman op 11 december 2025 bericht dat dan tijdens de inhoudelijke behandeling wensen zullen worden geformuleerd en zijn de verhinderdata voor de tweede kwartaal van 2026 doorgegeven. De inhoudelijke behandeling is vervolgens gepland op 1 juli 2026.

Op 1 juli 2026 heeft het hof vanwege de gewijzigde samenstelling, het onderzoek opnieuw aangevangen. De verdachte is op deze terechtzitting samen met een voor mr. Moszkowicz waarnemend raadsman, te weten zijn kantoorgenoot mr. W.B. Lisi, verschenen, omdat mr. Moszkowicz op dat moment in het vliegtuig naar de Antillen zou zitten. Na de voordracht van de advocaat-generaal en de bespreking van de reden van het appel, heeft mr. Lisi medegedeeld dat hij en de verdachte in de veronderstelling waren dat op deze zitting slechts een regiebehandeling van de zaak zou plaatsvinden, dat hij van mr. Moszkowicz opdracht heeft gekregen om de onderzoekswensen kenbaar te maken en dat hij de zaak niet inhoudelijk kent. Hierop heeft de voorzitter medegedeeld dat duidelijk met het kantoor van mr, Moszkowicz is gecommuniceerd dat op 1 juli 2026 de inhoudelijke behandeling van de zaak zou plaatsvinden. De raadsman is vervolgens in de gelegenheid gesteld om de onderzoekswensen naar voren te brengen, welke – na beraad – door het hof zijn afgewezen. Vervolgens is de gang van zaken in de aanloop naar de terechtzitting van 1 juli 2026 nogmaals uitgebreid besproken en heeft de voorzitter de behandeling een uur geschorst, zodat de raadsman een poging kon doen om mr. Moszkowicz te bereiken en zich op een inhoudelijke behandeling voor te bereiden.

Na hervatting van het onderzoek heeft mr. Lisi op instructie van en namens de verdachte medegedeeld dat hij niet langer gemachtigd is om de verdachte bij te staan en heeft hij de verdediging neergelegd. De raadsman heeft vervolgens als toehoorder in de zittingszaal plaatsgenomen. De verdachte heeft hierop verklaard dat hij niet in staat is zijn eigen verdediging te voeren en heeft verzocht om aanhouding van de behandeling, zodat hij zich kan voorzien van rechtsbijstand (het hof begreep: door mr. Moszkowicz). De advocaat-generaal heeft uitgebreid toegelicht waarom er alle aanleiding is dit verzoek af te wijzen, maar heeft zich uiteindelijk op het standpunt gesteld dat de zaak nog een laatste maal dient te worden aangehouden, onder de voorwaarde dat de verdachte een week de tijd krijgt om zich te beraden over door wie hij wenst te worden bijgestaan. In tweede instantie heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het aanhoudingsverzoek van de verdachte dient te worden afgewezen.

Na beraadslaging, heeft het hof het aanhoudingsverzoek van de verdachte afgewezen, waarbij het hof heeft geoordeeld – gelet op de hiervoor omschreven procesgang in hoger beroep, de ouderdom van de zaak – dat met name de belangen van de slachtoffers bij de voortgang en afdoening van de strafzaak inmiddels prevaleren boven het belang van de verdachte op aanhouding daarvan, teneinde zich te kunnen voorzien van rechtsbijstand (door mr. Moszkowicz dan wel door een nieuwe advocaat). Het hof heeft hierbij gewicht toegekend aan de eerder geuite wens van de slachtoffers bij e-mailbericht van hun advocaat van 18 juli 2024 de behandeling van onderhavige strafzaak spoedig te plannen en op het op 1 juli 2026 bij het hof van die zijde binnengekomen e-mailbericht dat zij gelet op het grote aantal zittingen alsmede de blijvende en langdurige belasting die deze zaak voor hen teweeg heeft gebracht en nog altijd brengt, niet ter zitting zullen verschijnen maar dat zij graag willen dat er een einde komt aan de procedure en hopen met een uitspraak van het hof een en ander te kunnen afsluiten. Ook is meegewogen dat de feitenbehandeling grotendeels al heeft plaatsgevonden met bijstand van mr. Moszkowicz op de terechtzitting van 30 mei 2022 en dat door de verdediging reeds is aangegeven dat dezelfde verweren als in eerste aanleg zouden worden gevoerd. Het hof heeft geoordeeld dat, gelet hierop, het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces, door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, niet is geschonden. Hierop is de strafzaak inhoudelijk behandeld en na afronding van het onderzoek gesloten.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht, in het bijzonder op de terechtzitting van 30 mei 2022.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 1 juli 2026 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen primair aan de verdachte is tenlastegelegd (poging tot doodslag, meermalen gepleegd) en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot materiële schade, dat de immateriële schade tot een bedrag van € 2,500,00 kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de benadeelde partij in de meergevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, met toewijzing van de proceskosten conform de beslissing van de rechtbank (€ 461,00).

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot materiële schade tot een bedrag van € 601,46 kan worden toegewezen en de immateriële schade tot een bedrag van

€ 5.000,00, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient in de meergevorderde materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard en de proceskosten kunnen worden toegewezen conform de beslissing van de rechtbank (€ 461,00).

De verdediging heeft ter terechtzitting van 30 mei 2022 naar voren gebracht dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Mocht het hof dat verweer verwerpen, is verzocht om matiging van de in eerste aanleg opgelegde straf. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 15 april 2015 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 2] en/of [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de/het (boven)licha(a)m(en) van die [aangever 2] en/of [aangever 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 april 2015 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [aangever 2] en/of [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de/het (boven)licha(a)m(en) van die [aangever 2] en/of [aangever 1] te steken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 april 2015 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 2] en [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven,

meermalen met een mes in het (boven)lichaam van die [aangever 2] heeft gestoken en eenmaal met een mes in het (boven)lichaam van die [aangever 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen en overwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen (Voetnoot 1) in onderlinge samenhang beschouwd.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2015 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (Voetnoot 2) blijkt het navolgende:

Op 15 april 2015 waren wij op de Heyendallaan te Kerkrade. We zagen een man die met zijn rug tegen het hek aanzat. Ik sprak met de man die nog rechtstond, dit bleek [aangever 1] . Ik sprak met de man die tegen het hek zat, dit bleek [aangever 2] . We zagen dat [aangever 2] meerdere malen in zijn lichaam gestoken was. We zagen diverse steekwonden in zijn borst, buik, nek, rug, armen en benen. We zagen dat [aangever 2] nauwelijks aanspreekbaar was. We zagen dat [aangever 1] één steekwond had in zijn linkerborst.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2015 van verbalisant [verbalisant 3] (Voetnoot 3) blijkt:

Op 15 april 2015 werd ik naar de SEH van het ziekenhuis in Maastricht gestuurd, alwaar een slachtoffer van een steekpartij die in Kerkrade had plaatsgevonden, [aangever 1] genaamd, was opgenomen. [aangever 1] vertelde mij, samengevat:

dat hij en zijn broer samen in een park bij een klooster in Kerkrade had gelopen;

dat er een lichtgrijze of lichtblauwe Opel Corsa met [een] Nederlandse kentekenplaat was komen aanrijden;

dat er 2 personen uit deze Corsa gestapt waren;

dat was dikke jongen, 1.75 à 1.80 meter groot en een jongen met een normaal postuur en zwart haar;

dat de dikke jongen meteen op zijn broer begon in te steken;

dat hij naar zijn broer rende om die te helpen;

dat die dikke jongen hem toen met het mes 1x in zijn borst stak.

Uit het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] (Voetnoot 4) blijkt voorts nog:

Op 15 april 2025, omstreeks 15.00 uur, ben ik samen met mijn broer [aangever 2] naar Rolduc in Kerkrade gereden. [aangever 2] en ik zijn daar gaan wandelen. Op een gegeven moment kwam een auto naast ons gereden. De inzittenden maakten een beweging met hun hoofd, zo van: wat moeten jullie? Hierna stopte de auto meteen. Ik zag dat de bijrijder en de bestuurder uit de auto stapten. De bijrijder kwam op mij afgelopen en begon meteen met mij te vechten. Ik herkende deze bijrijder als een Marokkaanse jongen uit Rotterdam (het hof begrijpt: [medeverdachte] ). Deze bijrijder maakte meteen een slaande beweging in de richting van mijn gezicht. Ik dook weg en die bijrijder wilde weer naar mij slaan. In de kracht waarmee hij dit deed, zag ik dat hij zichzelf verwonde, want ik zag zijn arm uit de kom geraken. De bijrijder had hevige pijn en kon niet meer verder vechten.

Ik zag dat mijn broer [aangever 2] in gevecht was met de bestuurder van de auto. Ik zag dat [aangever 2] onder het bloed zat. Ik zag dat [aangever 2] flauw dreigde te vallen en dat de bestuurder stekende bewegingen naar [aangever 2] zijn rug maakte. Ik ben toen naar de vechtende bestuurder en [aangever 2] gegaan, met de bedoeling om de bestuurder van [aangever 2] af te trekken. Ik trok hem van [aangever 2] af. De bestuurder maakte toen een stekende beweging in de richting van mijn borst. Ik wist niet dat de bestuurder mij toen ter hoogte van mijn hart gestoken had. Dit heb ik pas later gemerkt.

Nadat de bestuurde mij gestoken had, zijn de bestuurder en de bijrijder in de auto gestapt en met hoge snelheid weggereden.

Ik zag dat [aangever 2] meerdere verwoningen had.

Volgens de behandelend arts heeft het niet veel gescheeld of ik was in mijn hart geraakt en dan had ik hier nu niet meer gezeten.

Uit de letselbeschrijving, opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, forensisch geneeskundige, (Voetnoot 5) blijkt ten aanzien van [aangever 1] :

dat [aangever 1] een wond van ca. 2 cm lengte naast de linker tepel richting borstbeen had;

dat het letsel eenduidig veroorzaakt is door uitwendig geweld met een scherp voorwerp, te kwalificeren als steek/snijletsel.

Uit het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] (Voetnoot 6) blijkt:

Op 15 april 2015 zijn [aangever 1] en ik naar Rolduc in Kerkrade gereden. Er kwam een baby blauwe Opel Corsa met hoge snelheid aan ons voorbij gereden. In deze Corsa zaten twee personen. Ik zag dat deze Corsa kort achter ons stopte en dat de bijrijder meteen uit de auto stapte en naar [aangever 1] liep. De bestuurder stapte ook uit en kwam direct naar mij gelopen. Ik heb geen mes gezien maar volgens mij kan het niet anders zijn dat hij mij meerdere malen met een mes heeft gestoken. Mijn broertje [aangever 1] heeft nog geprobeerd om tussen mij en de bestuurder te komen. [aangever 1] is hierbij door de bestuurder in zijn borst gestoken, ter hoogte van zijn hart. Later heb ik van de arts gehoord dat ik minimaal 12 keer gestoken was. Ik heb steekwonden in het been, hals, borst, rug en schouder. Ik ben in mijn linker long geraakt en heb hierdoor een klaplong opgelopen. In verband met de steekwonden ben ik geopereerd.

Uit de letselbeschrijving, eveneens opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, (Voetnoot 7) blijkt ten aanzien van [aangever 2] :

Lichamelijk onderzoek

Hoofd: 2 snij/steekverwondingen in de linker kaakhoek;

Borst: grote steek/snijwond horizontaal verlopend ter hoogte van de linkerborst;

Buik: grote verticaal over het midden van de gehele buik verlopende steek/snijwond;

Benen: een halverwege het linker bovenbeen horizontaal verlopende steek/snijwond;

Medisch dossier:

Naast het reeds gedocumenteerde letsel zijn er meerdere steekwonden in de rug/flank. Er is een klaplong links. Het was noodzakelijk de borstholte links gedeeltelijk operatief te openen. Het hart is net gemist. Er is longletsel. Een klein stukje (het hof begrijpt: van de long) wordt verwijderd. Vanwege steekverwondingen in de buik/rug/flank was het noodzakelijk de volledige buikholte te inspecteren, hetgeen het grote litteken verticaal over de buik heeft veroorzaakt.

Er is sprake van medisch ernstig letsel, waarbij chirurgische interventie noodzakelijk was. Het hart is net niet geraakt. Dit had overlijden ter plekke veroorzaakt. Het letsel is eenduidig veroorzaakt door uitwendig geweld met een scherp voorwerp. Het letsel is te kwalificeren als steek/snijletsel. Afweerletsel ontbreekt.

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek van 31 augustus 2015 van verbalisant [verbalisant 4] (Voetnoot 8) blijkt, met betrekking tot het door de verdachte gebruikte mes, nog het volgende:

Op 21 mei 2015 werd door mij als forensisch onderzoeken onderzoek verricht aan aangeleverde goederen die in verband worden gebracht met een vermoedelijke poging tot doodslag/moord, gepleegd op 15 april 2015.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden:

Goednummer: PL2300-2015069789-607009

Object: mes (vouw)

Bijzonderheden: in lemmet opschrijft: c.jul.herbertz, lengte 7,5 cm, totaal 15 cm.

Eigenaar: de verdachte [verdachte]

Nadat de verdachte op 3 mei 2015 door de politie werd aangehouden, heeft de politie hem op 3 mei 2015, op 4 mei 2015 en op 5 mei 2015 verhoord. De verdachte heeft zich toen steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst op 11 mei 2015 heeft de verdachte een inhoudelijke verklaring afgelegd. Tijdens zijn vijfde verhoor op 15 mei 2015 heeft de verdachte uitgebreid over het steekincident gesproken. Hij heeft toen het navolgende verklaard (Voetnoot 9):

We waren met mijn auto (het hof begrijpt: op 15 april 2015 te Kerkrade), de lichtblauwe Opel Corsa. Ik reed. [bijnaam] (het hof begrijpt telkens: de bijnaam van [medeverdachte] ) zat naast mij en verder was niemand in de auto. Ik reed naar het klooster van Rolduc. Ik zag op een gegeven moment een jongen met een zwarte jas aan. Het was een kleine jongen (het hof begrijpt telkens: [aangever 1] ). Ik reeds stapvoets en passeerde de kleine jongen. Even verderop zag ik een grote jongen (het hof begrijpt telkens: [aangever 2] ) komen. [bijnaam] stapte via het bijrijdersportier uit de auto. Ik stapte ook uit de auto. Ik haalde mijn zakmes uit mijn broekzak, klapte dit open en hield dit met het lemmet voor me in de richting van de [grote] jongen. Ik maakte zwaaiende bewegingen met het mes. Op een gegeven moment kwam die kleine [jongen] erbij. Het kan zijn dat ik beide heb geraakt met het mes.

Bij de rechter-commissaris op 1 juni 2016 heeft de verdachte voorts nog verklaard (Voetnoot 10):

Ik zag dat [medeverdachte] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte] ) uit de auto stapte. Ik ben ook uitgestapt. Ik heb een zakmes dat ik in mijn zak had tevoorschijn gehaald. Ik weet dat ik allerlei bewegingen met dat zakmes heb gemaakt.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat de verdachte op 15 april 2015 te Kerkrade, in de confrontatie van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] met de gebroeders [aangevers] , met zijn mes allerlei zwaaiende bewegingen heeft gemaakt. Daarbij heeft hij zowel [aangever 2] als [aangever 1] verwond. De verdachte heeft [aangever 2] verwond door met een mes vele malen (minimaal 12 keer) te steken in zijn rug, buik, borst en been, waarbij een klaplong is ontstaan en een stukje van zijn long operatief verwijderd diende te worden en waarbij verder operatief ingrijpen noodzakelijk was, enkel al om eventuele inwendige bloedingen uit te sluiten. Bij [aangever 1] heeft de verdachte een steek/ snijletsel in zijn borst, naast onder zijn linker tepel, toegebracht.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte hierbij (voorwaardelijk) opzet op de dood van de broers [aangevers] heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het handelen van de verdachte – het telkens steken met een mes, met een lemmet van ruim 7 centimeter, in vitale delen van het bovenlichaam – een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers in het leven heeft geroepen. Dat bij [aangever 1] , anders dan bij [aangever 2] , die ten gevolge van het steken door de verdachte onder meer een klaplong heeft opgelopen, ‘slechts’ sprake is van één steekwond, maakt dat oordeel niet anders. Deze steekwond is immers bij hem toegebracht in de hartstreek. Het is een feit van algemene bekendheid dat een steekwond op deze plek in het lichaam fatale gevolgen kan hebben. Bovendien volgt uit de aangifte van [aangever 1] dat de behandelend arts hem heeft verteld dat het niet veel had gescheeld of hij was in zijn hart geraakt.

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij slechts zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt, overweegt het hof nog dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de aard van het door de beide slachtoffers opgelopen letsel niet past bij zwaaien met een mes, maar bij het daarmee steken.

Het hof is voorts van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het gevolg dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, de dood van beide slachtoffers, heeft aanvaard.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals primair tenlastegelegd.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat voor het tenlastegelegde ‘medeplegen’ van het feit wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte door zowel [aangever 2] als [aangever 1] is aangevallen en door ieder afzonderlijk met een boksbeugel is bewerkt, waarbij hij meermalen op zijn hoofd is geslagen. Omdat de verdachte geen kant op kon, heeft hij zichzelf tegen die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval verweerd met een mes, ten einde zijn eigen leven te redden en te kunnen ontsnappen aan het geweld. De verdachte heeft zich aan één en ander niet kunnen onttrekken en ook niet behoeven te onttrekken. Het verweren met een mes in niet disproportioneel te achten ten opzichte van een belaging door twee personen, waarbij (een) boksbeugel(s) werden gebruikt.

Dat de verdachte ook gewond is geraakt aan zijn hoofd door het jegens hem gepleegde geweld met de boksbeugel(s), vindt bevestiging in de omstandigheid dat in de auto van de verdachte bloedsporen, corresponderend met het DNA-profiel van de verdachte, zijn aangetroffen op het stuur, de ruitenwisserhendel, de stuurkolom, op de middenconsole, op de versnellingspook en op de hoes daarvan.

Een geslaagd beroep op noodweer dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Indien het aantal steekletsels aan de hoge kant zou worden bevonden, is het evident dat de verdachte in zijn toestand, zoals door hemzelf beschreven, het mogelijk overschrijden van de grenzen van een toegestane verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als waarvan sprake, niet kan worden toegerekend c.q. dat dit impliceert dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

Een geslaagd beroep op noodweerexces betekent dat de verdachte niet strafbaar is en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Juridisch kader

Het hof stelt op grond van bestendige jurisprudentie het volgende beoordelingskader voorop. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding, als hiervoor bedoeld.

Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.

Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.

Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde feitelijke toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust.

Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende.

De verdachte heeft zich tijdens zijn eerste drie verhoren (zaaks)inhoudelijk op zijn zwijgrecht beroepen, omdat zijn toenmalige raadsman het dossier nog niet had ontvangen. Eerst tijdens zijn vierde verhoor op 11 mei 2015, heeft de verdachte een verklaring afgelegd, waarbij hij ook heeft verklaard dat hij met zijn rug tegen een hekwerk stond en door twee Marokkaanse mannen (het hof begrijpt: de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 2] ) is geslagen met een boksbeugel. In zijn latere verhoren is de verdachte hierbij gebleven.

Naar aanleiding van de verklaringen van de verdachte over de boksbeugel – hetgeen geen bevestiging vond in de verklaringen van de slachtoffers – is door de politie uitgebreid naar de boksbeugels gezocht op de plaats delict en in de verdere omgeving daarvan, maar deze zijn niet aangetroffen. Ook is de kleding van [aangever 1] en [aangever 2] onderzocht en ook daarin zijn geen boksbeugels aangetroffen. Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat de kans dat de slachtoffers de door de verdachte genoemde boksbeugels nog weg hebben kunnen maken, gelet op de lichamelijke staat waarin zij zijn aangetroffen en het bij hen vastgestelde letsel, verwaarloosbaar gering is.

De verklaring van de verdachte dat hij meermalen door de slachtoffers met de boksbeugel is geslagen, waaronder op zijn hoofd en tot bloedens toe, komt het hof ongeloofwaardig toe. Niet alleen omdat de verdachte hier pas tijdens zijn vierde verhoor mee is gekomen en de vermeende boksbeugels niet zijn aangetroffen, maar voorts omdat de verdachte na het voorval de huisartsenpost bij het ziekenhuis heeft bezocht en daar bij de verdachte geen hoofdwonden, maar slechts twee kleine snijverwondingen aan zijn hand, zijn geconstateerd. Deze snijwondjes zijn naar het oordeel van het hof verenigbaar met actief letsel: een snijwond die de dader oploopt bij een steekbeweging, bijvoorbeeld doordat de hand tijdens het steken wegglijdt over het lemmet. Daarnaast is het hof van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat bloed van de verdachte is aangetroffen op het stuur, de stuurkolom, de ruitenwisserhendel, de middenconsole en (de hoes van) de versnellingspook, veel beter past bij bloed afkomstig van de door de verdachte opgelopen snijwondjes dan bij bloed van hoofdletsel, nu al deze onderdelen van de auto waarop bloed is aangetroffen met de hand worden aangeraakt of bediend.

Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte, kort gezegd inhoudende dat hij met een boksbeugel is aangevallen door de slachtoffers en dat hij zichzelf daartegen heeft verdedigd, niet aannemelijk is geworden en ook geen steun vindt in het dossier.

Nu niet aannemelijk is geworden dat jegens de verdachte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [aangever 2] en/of [aangever 1] , dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daartoe, waartegen verdediging van zijn eigen lijf noodzakelijk en geboden was, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een noodweersituatie. Dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen.

Het verweer van de verdediging wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte uitsluiten. De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar en de verdachte is daarvoor ook strafbaar.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

(ten aanzien van [aangever 2] ) poging tot doodslag en

(ten aanzien van [aangever 1] ) poging tot doodslag.

Verzoek horen getuige [medeverdachte]

De verdediging heeft verzocht de in eerste aanleg vrijgesproken medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen en dit verzoek is door het hof toegewezen. Ondanks de diverse oproepingen en uitgevaardigde bevelen tot medebrenging van de getuige, is het niet gelukt [medeverdachte] als getuige te horen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Door de verdediging is geen afstand gedaan van het horen van deze getuige. Nu de getuige echter onvindbaar blijkt/blijft en het onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn alsnog kan worden gehoord, is het hof van oordeel dat van het horen van deze getuige kan worden afgezien.

Het hof overweegt in dit kader voorts dat de verdediging, op basis van artikel 6 EVRM, recht heeft om getuigen te ondervragen. Als een getuige niet gehoord kan worden, zoals in de onderhavige zaak het geval is, moet de rechter toetsen of de verdachte hierdoor onredelijk in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof overweegt dat er in dit geval een gegronde reden is waarom de getuige niet kan worden gehoord, nu deze langdurig – al sinds 2015 – onvindbaar is, en dat geen sprake is van een veroordeling die is gebaseerd op de verklaring van de niet-verschenen getuige. Immers, [medeverdachte] heeft geen enkele (inhoudelijke) verklaring afgelegd. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte hierdoor niet onredelijk in zijn verdediging is geschaad.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich op 15 april 2015 schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige strafbare feiten. Op klaarlichte dag heeft hij twee personen – broers van elkaar – met een mes in hun lichamen gestoken. [aangever 2] is hierbij minimaal 12 keer in zijn lijf gestoken en het is vooral geluk dan het gevolg van een bewuste keuze van de verdachte dat hij het voorval heeft overleefd. Zijn broer [aangever 1] heeft tijdens dit voorval één messteek in zijn borst opgelopen, maar op een dusdanig plek en van een dusdanige aard dat ook hij van geluk kan spreken dat dit hem niet fataal is geworden. Net als de rechtbank, acht ook het hof het aannemelijk dat sprake is geweest van een in de drugssfeer gelegen conflict tussen de verdachte en [medeverdachte] enerzijds en de broers [aangevers] anderzijds. Een dergelijk conflict is echter geen vrijbrief of verzachtende omstandigheid voor het handelen van de verdachte. Daar komt nog bij dat de verdachte, in tegenstelling tot de broers [aangevers] , slechts twee snijwondjes aan zijn handen heeft opgelopen (het hof gaat er daarbij vanuit dat de verdachte de snijverwonding heeft doordat zijn hand is weggeleden over het lemmet), hetgeen aangeeft hoe ongelijk de strijd moet zijn geweest. Net als de rechtbank, concludeert het hof dat dit te wijten is aan het feit dat de verdachte wel de beschikking had over een wapen (het mes) en de broers [aangevers] daar met blote handen tegenover stonden.

Uit de slachtofferverklaringen van de broers [aangevers] blijkt ook dat deze gebeurtenis grote gevolgen voor hen beiden heeft (gehad). [aangever 2] is meermalen geopereerd aan zijn verwondingen. Los van alle littekens, heeft het voorval ook psychisch veel leed en problemen bij hem veroorzaakt. [aangever 1] heeft, los van zijn litteken, geen medische klachten meer, maar heeft wel veel psychische klachten sinds het voorval. Hij heeft gezien hoe zijn broer door de verdachte met een mes te lijf is gegaan en dit heeft veel impact op hem (gehad).

Bij de straftoemeting heeft het hof ook gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2026, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en in zoverre als ‘first offender’ dient te worden beschouwd. Uit voornoemd uittreksel volgt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, in verband met latere veroordelingen ter zake van (onder andere) de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Gelet op straffen die grosso modo in soortgelijke zaken worden opgelegd, neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van niet minder dan 8 jaren als uitgangspunt. Echter, gelet op de ouderdom van de zaak – de feiten zijn inmiddels ruim 11 jaar geleden gepleegd – en de jonge leeftijd van de verdachte – hij was destijds exact 20 jaar en 7 maanden oud – acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn bedraagt in dit geval 24 maanden per instantie, nu de verdachte zijn strafproces grotendeels (op 97 dagen voorarrest na) in vrijheid heeft afgewacht.

In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep fors is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 3 mei 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 13 december 2018. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en ruim 7 maanden. Namens de verdachte is vervolgens op 21 december 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 15 juli 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met 5 jaar en ruim 6 maanden overschreden.

Het hof acht geen zodanig bijzondere omstandigheden aanwezig die de overschrijding in eerste aanleg rechtvaardigen. Dat is evenwel anders voor de overschrijding in hoger beroep. Deze overschrijding is niet geheel, maar wel grotendeels te wijten aan de verdediging, zoals hiervoor beschreven onder het kopje ‘Procesgang’. Desalniettemin is in twee instanties sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf. Voor wat betreft de hoogte van de matiging van de straf dient het hof te handelen naar bevind van zaken. Alles afwegende is het hof van oordeel dat in dit bijzondere geval oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, volstaat.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Uit het dossier volgt dat door de politie diverse voorwerpen in beslag zijn genomen tijdens de doorzoeking in de ouderlijke woning van de verdachte. Blijkens de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 29 november 2018 rust slechts nog beslag op één voorwerp, te weten: een mes met goednummer 607009. Hoewel dit mes, blijkens de Kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina 193) in beslag is genomen onder de moeder van de verdachte – nu zij tijdens de doorzoeking aanwezig was – is het hof van oordeel dat dit mes aan de verdachte toebehoorde. Het hof is voorts van oordeel dat dit mes vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan. Het hof heeft bij de beslissing tot verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 22.573,01. Dit bedrag bestaat uit € 2.573,01 aan materiële schade, opgebouwd uit de navolgende posten:

een bedrag van € 233,16 ter zake van vergoeding van reiskosten;

een bedrag van € 1.839,85 ter zake van advocaatkosten;

een bedrag van € 500,00 ter zake van vergoeding van kapotte kleding,

alsmede een bedrag van € 20,000,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzocht voorts om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 233,16 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. In plaats van de als materiële schade gevorderde advocaatkosten, is door de rechtbank een bedrag van € 461,00 aan proceskosten toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 22.573,01 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een totaalbedrag van € 3.000,00. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van de reiskosten van twee bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en het afleggen van een aanvullende verklaring, ten bedrage van in totaal (€ 0,29 x 402 kilometer x 2 =) € 233,16. Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten naar het politiebureau (en terug naar huis) niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse materiële schade, zodat die kosten niet kunnen worden toegewezen.

Voorts is door de benadeelde partij verzocht om vergoeding van de advocaatkosten ten bedrage van € 1.839,85. Dit betreft de helft van het totaalbedrag van € 3.679,71 aan declaraties van de advocaat, nu het andere gedeelte van de kosten voor rekening zijn gekomen van de broer van de benadeelde partij.

Het hof overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kosten van rechtsbijstand niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), maar als proceskosten, zoals bedoeld in artikel 532 Sv. Indien een benadeelde partij dergelijke kosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv vordert, dient de benadeelde partij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en deze kosten nader bespreken onder het kopje ‘Proceskosten’.

Ten slotte is verzocht om vergoeding van de kosten van de kleding van de benadeelde partij die door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is vernield. De benadeelde partij droeg onder andere een dure jas van het merk Philip Plein. Gelet op de omstandigheid dat deze jas nog geen half jaar oud was, wordt verzocht om een vergoeding van € 500,00.

Het hof overweegt dat, hoewel de schade aan de jas en de waarde daarvan door de benadeelde partij niet nader zijn onderbouwd, uit het dossier volgt dat deze jas inderdaad door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte kapot is gegaan en niet meer door de benadeelde partij kan worden gedragen. Het hof schat de schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 500,00 en zal de gevorderde vergoeding dan ook toewijzen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 20.000,00 gesteld. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij door de verdachte met een mes in de hartstreek is gestoken. Gelukkigerwijs is chirurgisch ingrijpen niet nodig geweest en kan de wond gehecht worden. Wel heeft de messteek een blijvende ontsiering (litteken) op het bovenlichaam opgeleverd. Daarnaast heeft de benadeelde partij aanzienlijke psychische schade geleden als gevolg van hetgeen niet alleen hemzelf is overkomen, maar ook zijn broer. De benadeelde partij heeft immers gezien hoe zijn broer door de verdachte met meerdere messteken werd neergestoken. Hierdoor is bij de benadeelde partij de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld.

Het hof overweegt dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), acht het hof in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 2.500,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde immateriële schade wijst het hof af.

Proceskosten

Ingevolge artikel 532 Sv dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in ‘Liquidatarief kanton’ of ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van de wet op de rechterlijke organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de proceskostenveroordeling aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, nu de vordering niet van zeer eenvoudige aard is. Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt in dat geval met betrekking tot zaken met een geldswaarde van € 20.000,00 en € 40.000,00 in de regel € 695,00 per punt als salaris toegekend (tarief III, zoals dat gold ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank). De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door de advocaat indienen van de vordering tot schadevergoeding en één voor de aanwezigheid van de ter terechtzitting in eerste aanleg. Voor de rechtsgang in hoger beroep geldt thans bij een “principaal appèl/ hoger beroep van rechtbank op hof” een salaris van € 1.670,00 per punt in zaken van tarief III. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Op basis van het voorgaande zou het bedrag van € 1.390,00 (2x € 695,00 in eerste aanleg) plus een bedrag van € 1.670,00 (in hoger beroep) aan proceskosten moeten worden toegekend. De proceskosten die ten laste van de van de verdachte zullen worden gebracht, worden daarom tot op heden begroot op een totaalbedrag van € 3.060,00. Echter, nu deze kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zijn gedeeld en hun advocaat nagenoeg gelijkluidende vorderingen heeft ingediend en toegelicht, bestaat aanleiding op dit bedrag te matigen, in die zin dat ieder van de benadeelde partijen recht heeft op de helft van dit bedrag aan proceskosten, derhalve een bedrag van € 1.530,00.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van (€ 500,00 + € 2.500,00 =) € 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij voor zowel de materiële als de immateriële schade uit van de pleegdatum, te weten 15 april 2015.

Het meergevorderde zal gedeeltelijk (tot een bedrag van € 17.733,16) worden afgewezen en gedeeltelijk (tot een bedrag van € 1.839,85) zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tenslotte zal het hof een bedrag van € 1.530,00 aan proceskostenvergoeding toekennen en de verdachte in deze kosten veroordelen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer

[benadeelde partij 1] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 3.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 38.169,89. Dit bedrag bestaat uit € 3.057,89 aan materiële schade, opgebouwd uit de navolgende posten:

een bedrag van € 718,04 ter zake van vergoeding van diverse reiskosten;

een bedrag van € 1.839,85 ter zake van advocaatkosten;

een bedrag van € 500,00 ter zake van vergoeding van kapotte kleding,

alsmede een bedrag van € 35.112,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzocht voorts om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 247,08 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. In plaats van de als materiële schade gevorderde advocaatkosten, is door de rechtbank een bedrag van € 461,00 aan proceskosten toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 38.169,89 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof merkt daarbij nog op dat de gevorderde immateriële schade bestaat uit € 35.000,00 aan smartengeld en een bedrag van € 112,00 aan daggeldvergoeding voor de ziekenopname. Het hof is van oordeel dat laatstgenoemd bedrag dient te worden aangemerkt als gevorderde materiële schade. Gelet daarop strekt de vordering in hoger beroep tot vergoeding van een bedrag van € 3.169,89 aan materiële schade en € 35.000,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een totaalbedrag van € 20.859,08. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van diverse reiskosten, te weten:

een bedrag van € 470,96 voor familiebezoek in het AMC te Heerlen;

een bedrag van € 117,74 voor het laten verwijderen van hechtingen;

een bedrag van € 4,64 voor een bezoek aan ziekenhuis Sint Franciscus Rotterdam;

een bedrag van € 116,58 voor een bezoek aan het politiebureau te Heerlen voor het afleggen van een verklaring;

een bedrag van € 8,12 voor een bezoek aan de psycholoog.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten voor het familiebezoek geen kosten zijn die de benadeelde partij zelf rechtstreeks door het strafbare feit heeft geleden. Ook de gevorderde reiskosten naar het politiebureau (en terug naar huis) kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse materiële schade. Deze kosten, in totaal een bedrag van

(€ 470,96 + € 116,58 =) € 587,54 worden derhalve afgewezen.

De overige gevorderde reiskosten, te weten voor het laten verwijderen van hechtingen, het bezoek aan het ziekenhuis te Rotterdam en het bezoek aan de psycholoog komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het hof acht derhalve een bedrag van (€ 117,74 + € 4,64 +

€ 8,12 =) € 130,50 aan reiskosten toewijsbaar.

Voorts is door de benadeelde partij verzocht om vergoeding van de advocaatkosten ten bedrage van € 1.839,85. Dit betreft de helft van het totaalbedrag van € 3.679,71 aan declaraties van de advocaat, nu het andere gedeelte van de kosten voor rekening zijn gekomen van de broer van de benadeelde partij.

Het hof heeft reeds ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kosten van rechtsbijstand niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv, maar als proceskosten, zoals bedoeld in artikel 532 Sv. Indien een benadeelde partij dergelijke kosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv vordert, dient de benadeelde partij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en deze kosten nader bespreken onder het kopje ‘Proceskosten’.

Tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van de kleding van de benadeelde partij die door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is vernield. De benadeelde partij droeg onder andere een dure jas van het merk Gucci. Gelet op de dagwaarde van deze jas, wordt verzocht om een vergoeding van € 500,00.

Het hof overweegt dat, hoewel de schade aan de jas en de waarde daarvan door de benadeelde partij niet nader zijn onderbouwd, uit het dossier volgt dat deze jas inderdaad door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte kapot is gegaan en niet meer door de benadeelde partij kan worden gedragen. Het hof schat de schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 500,00 en zal de gevorderde vergoeding dan ook toewijzen.

Ten slotte is door de benadeelde partij verzocht om vergoeding van € 112,00 voor de opname in het ziekenhuis. De benadeelde partij heeft in totaal 4 dagen in het ziekenhuis gelegen. Volgens de Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding, opgesteld door de Letselschade Raad, wordt daarvoor een bedrag van € 28,00 per dag berekend. Het hof acht, gelet daarop, het gevorderde bedrag van (4 x € 28,00 =) € 112,00 toewijsbaar.

Daarmee acht het hof in totaal een bedrag van € 742,50 toewijsbaar.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 35.000,00 gesteld. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij door de verdachte minimaal twaalf keer met een mes is gestoken in zijn borst, hals, bovenbeen, rug en schouder. De benadeelde partij is met spoed overgebracht naar het AMC te Heerlen en daar direct geopereerd. Naast de steekwonden, was ook sprake van een klaplong en longletsel, waardoor een klein stukje van de long moest worden verwijderd. Tevens is de borstkastholte links gedeeltelijk operatief geopend om na te gaan of letsel aan het hart was opgelopen. Dat bleek niet het geval. Ook was het noodzakelijk om de volledige buikholte te inspecteren, hetgeen voor een groot verticaal litteken heeft gezorgd. Ten slotte heeft de benadeelde partij een aantal pennen in zijn borst gekregen.

Na de operatie heeft de benadeelde partij eerst vier dagen op de intensive care afdeling gelegen en daarna nog een week op een reguliere afdeling.

De littekens die de benadeelde partij heeft opgelopen blijven altijd zichtbaar. Ook is de tepel van de benadeelde partij scheef geworden door het steekincident en zal hij hiervoor minimaal twee operaties dienen te ondergaan (plastische chirurgie). Daarnaast zal de benadeelde partij nog herhaaldelijk moeten worden geopereerd om het littekenweefsel te verminderen.

Naast voornoemde lichamelijke schade, heeft de benadeelde partij ook veel psychische schade opgelopen door het steekincident. Niet alleen is bij hem de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld, maar hij is ook angstig om naar buiten te gaan, is zeer wantrouwend, heeft last van herbelevingen en kan zeer slecht slapen. De behandeling van de benadeelde partij bestaat uit traumabehandeling, EMDR en medicatie. Hij zal naar verwachting langere tijd onder behandeling moeten blijven bij zijn psycholoog.

Het hof overweegt dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), acht het hof in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 20.000,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde immateriële schade wijst het hof af.

Proceskosten

Het hof is, anders dan de rechtbank (en zoals ook overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ), van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de proceskostenveroordeling aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, nu de vordering niet van zeer eenvoudige aard is. Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt in dat geval met betrekking tot zaken met een geldswaarde van € 20.000,00 en € 40.000,00 in de regel € 695,00 per punt als salaris toegekend (tarief III, zoals dat gold ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank). De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door de advocaat indienen van de vordering tot schadevergoeding en één voor de aanwezigheid van de ter terechtzitting in eerste aanleg. Voor de rechtsgang in hoger beroep geldt thans bij een “principaal appèl/ hoger beroep van rechtbank op hof” een salaris van € 1.670,00 per punt in zaken van tarief III. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Op basis van het voorgaande zou het bedrag van € 1.390,00 (2x € 695,00 in eerste aanleg) plus een bedrag van € 1.670,00 (in hoger beroep) aan proceskosten moeten worden toegekend. De proceskosten die ten laste van de van de verdachte zullen worden gebracht, worden daarom tot op heden begroot op een totaalbedrag van € 3.060,00. Echter, nu deze kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn gedeeld en hun advocaat nagenoeg gelijkluidende vorderingen heeft ingediend en toegelicht, bestaat aanleiding op dit bedrag te matigen, in die zin dat ieder van de benadeelde partijen recht heeft op de helft van dit bedrag aan proceskosten, derhalve een bedrag van € 1.530,00.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van (€ 742,50 + € 20.00,00 =) € 20.742,50. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof gaat daarbij voor zowel de materiële als de immateriële schade uit van de pleegdatum, te weten 15 april 2015.

Het meergevorderde zal gedeeltelijk (tot een bedrag van € 15.587,54) worden afgewezen en gedeeltelijk (tot een bedrag van € 1.839,85) zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tenslotte zal het hof een bedrag van € 1.530,00 aan proceskostenvergoeding toekennen en de verdachte in deze kosten veroordelen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer

[benadeelde partij 2] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 20.742,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een mes, in lemmet opschrift: c.jul.herbertz, lengte 7,5 cm, totaal 15 cm (goednummer: 607009).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 17.733,16 (zeventienduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zestien cent) bestaande uit € 233,16 (tweehonderddrieëndertig euro en zestien cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.530,00 (duizend vijfhonderddertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.000,00 (drieduizend euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 april 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.742,50 (twintigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 742,50 (zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 15.587,54 (vijftienduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 587,54 (vijfhonderdzevenentachtig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.530,00 (duizend vijfhonderddertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 20.742,50 (twintigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 742,50 (zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) materiële schade en

€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 april 2015.

Aldus gewezen door:

mr. R. Lonterman, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, districtsrecherche Parkstad, proces-verbaalnummer 2015069789, gesloten d.d. 12 oktober 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 315.

Voetnoot 2

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24-25.

Voetnoot 3

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 59-60.

Voetnoot 4

Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , pagina 221-222.

Voetnoot 5

Het geschrift, te weten de letselbeschrijving, GGD Zuid Limburg, met betrekking tot [aangever 1] , pagina 207.

Voetnoot 6

Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , pagina’s 208-210.

Voetnoot 7

Het geschrift, te weten de letselbeschrijving, GGD Zuid Limburg, met betrekking tot [aangever 2] , pagina 215.

Voetnoot 8

Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina’s 153-154 (met foto op pagina 156).

Voetnoot 9

Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [verdachte] , pagina’s 278-281.

Voetnoot 10

Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 1 juni 2016.