Strafrecht overig

De verdachte is ter zake ‘seksuele intimidatie in het openbaar’ veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00…

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
20-000355-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1906
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte is ter zake ‘seksuele intimidatie in het openbaar’ veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 subsidiair 10 dagen hechtenis waarvan € 250,00 subsidiair 2 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken ter zake van schuldaanranding.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000355-25

Uitspraak : 15 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-296527-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘schuldaanranding’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 879,89, bestaande uit € 129,89 aan vergoeding van materiële schade en € 750,00 aan vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.

Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep bevestigd.

Door de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 21 augustus 2024 te Heerlen met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, immers heeft hij, verdachte

- de hand van die [slachtoffer] vastgepakt/gegrepen en/of daarmee op/over zijn, verdachtes, borst gelegd/bewogen/gewreven en/of

- de zij en/of heup van die [slachtoffer] aangeraakt/betast en/of

- die [slachtoffer] vastgepakt en/of naar zich toe bewogen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] op de wang gezoend,

terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

subsidiair
hij op of omstreeks 21 augustus 2024 te Heerlen in het openbaar een ander, te weten [slachtoffer] , indringend seksueel heeft benaderd, door middel van een of meer opmerkingen, gebaren, geluiden en/of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend en/of onterend was te achten, door

- die [slachtoffer] (gedurende enige tijd) te (achter)volgen en/of

- meermaals (seksueel getinte) opmerkingen richting die [slachtoffer] te maken die (ongewenst) zijn en /of

- verdachtes telefoonnummer aan die [slachtoffer] te verstrekken en/of

- de hand van die [slachtoffer] vast te pakken/grijpen en/of op/over zijn, verdachtes, borst te leggen/bewegen/wrijven en/of

- de zij en/of heup van die [slachtoffer] aan te raken/betasten en/of

- die [slachtoffer] vast te pakken en/of naar zich toe te bewegen en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] op de wang te zoenen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het verschil tussen aanrakingen als onderdeel van de strafbaarstelling van seksuele intimidatie en een seksuele handeling in het kader van de strafbaarstelling van (delictsvormen van) aanranding is dat de gedraging in het geval van seksuele intimidatie kortstondig is en een geringe fysieke component heeft en in beginsel bestaat uit aanrakingen van niet seksuele lichaamsdelen. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake, waardoor niet de grens wordt behaald van een (schuld)aanranding.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
hij op 21 augustus 2024 te Heerlen in het openbaar een ander, te weten [slachtoffer] , indringend seksueel heeft benaderd, door middel van een of meer opmerkingen en aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend en/of onterend was te achten, door

- die [slachtoffer] gedurende enige tijd te volgen en

- seksueel getinte opmerkingen richting die [slachtoffer] te maken die ongewenst zijn en

- verdachtes telefoonnummer aan die [slachtoffer] te verstrekken en

- de hand van die [slachtoffer] vast te pakken/grijpen en op zijn, verdachtes, borst te leggen en

- de zij van die [slachtoffer] aan te raken en

- die [slachtoffer] vast te pakken en naar zich toe te bewegen en

- die [slachtoffer] op de wang te zoenen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2024137656, gesloten d.d. 25 augustus 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 45). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2024 (p. 6-8), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Plaats delict: Heerlen

Pleegdatum: 21 augustus 2024

Ik doe aangifte van seksuele intimidatie. Ik liep de Honigmannstraat in Heerlen in. Ik liep richting het theater. Ik zag dat een man mij volgde. Nog geen moment later begon hij tegen mij te praten. Hij wilde allerlei informatie van mij weten. Hij zei dat ik er mooi uitzag en dat hij met mij wilde afspreken. Ook zei hij dat ik zijn droommeisje was. Ik was echt heel erg bang. Ik wist niet wat ik nog meer kon gaan verwachten van deze man.

De man bleef mij achtervolgen en bleef zeggen dat hij met mij wilde afspreken. Ik heb tegen de man gezegd dat hij mij met rust moest laten en dat ik vooral niet met hem wil afspreken. Ook heb ik gezegd dat ik minderjarig ben. De man bleef nog altijd achter mij aanlopen en bleef vragen om af te spreken, ondanks dat ik vaker heb gezegd dat hij mij met rust moet laten. De man ging ook naast mij lopen en ik voelde me hier ook echt onprettig bij.

Ik liep voorbij het theater in de richting van de bushalte op de Geerstraat, halte Schouwburg. De man liep nog altijd naast mij en bleef tegen mij praten. Hij maakte herhaaldelijk dezelfde opmerkingen. Bij de bushalte wilde ik niet in de buurt van de man gaan zitten.

De man herhaalde weer dat hij met mij wilde afspreken en wilde mijn telefoonnummer hebben. Ik had mijn telefoon in mijn handen, want ik wilde iemand gaan bellen, omdat ik bang was. De man zei dat ik toch mijn telefoon in mijn handen had en hij pakte de telefoon van mij af. Ik zag dat hij zijn telefoonnummer in mijn telefoon zette.

De man stond met mij mee op en kwam naast mij staan. Hij wilde mij een hand geven en pakte mijn hand echt stevig vast. Hij zei dat ik zachte handen heb en begon met mijn hand over zijn borst te wrijven. Ik was zo verstijfd, dat het mij niet lukte om mijn hand weg te trekken. Ik wilde dit allemaal echt niet. Ik was zo bang. De man zei dat hij mij doei wilde zeggen en legde zijn hand in mijn zij tegen mijn heup aan. De man had mij nog altijd vast en zei 'je gaat me nu een kusje op mijn wang geven' en begon mij echt te dwingen door mijn lichaam naar hem toe te trekken. Ik probeerde mijn hoofd nog weg te trekken, maar ik kwam echt niet weg, omdat hij mij zo stevig vast had. Ik voelde dat zijn lip tegen mijn wang aangeduwd werd.

Pas toen de man mij niet meer aanraakte kon ik hem zeggen dat ik dat absoluut niet wil. Ik ben zo snel mogelijk de bus ingegaan. Deze bus hoefde ik eigenlijk helemaal niet te nemen, maar ik stapte in zodat ik bij de man weg kwam. Tijdens de hele situatie voelde ik mij zo onveilig en voelde ik mij zo overdonderd, dat het achteraf pas in mij opgekomen was om hulp te roepen.

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 augustus 2024 (p. 22-28), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: Wat kunt u verklaren over de reden dat u nu hier bent?

A: Ik was in het centrum van Heerlen en kwam onderweg naar mijn auto een meisje tegen. Ik raakte met haar in gesprek en wandelde samen verder.

Toen heb ik gevraagd zullen wij een keer wat gaan drinken. Ik vroeg of haar vriend niet boos zou worden. Ik zei dat ze een mooie vrouw was. Ik heb haar mijn telefoonnummer gegeven.

Toen de bus kwam gaf ik haar een hand en heb ik haar gekust op de wang. Wij bewogen beide naar elkaar toe naar de linkerkant, ik corrigeerde haar en zei dat ze mij aan de rechterkant moest kussen. Daarna kuste ze mij op de rechterkant, zij kuste mij aan de andere zijde. Ze gaf aan dat ze in Simpelveld woonde bij haar ouders.

O: Er is aangifte gedaan van aanranding, de aangeefster verklaart: "Ik liep richting het theater. Ik zag dat een man mij volgde. Nog geen moment later begon hij tegen mij te praten. Hij wilde allerlei informatie van mij weten. Hij zei dat ik er mooi uitzag en dat hij met mij wilde afspreken. Ook zei hij dat ik zijn droommeisje was."

V: Wat kunt u hier over verklaren?

A: Ik zei wel dat het een mooie vrouw was maar dat was pas bij de bushalte.

V: Welk nummer hebt u erin gezet?

A: Mijn eigen nummer.

O: De aangeefster verklaart verder: "Hij wilde mij een hand geven en pakte mijn hand echt stevig vast. Hij zei dat ik zachte handen heb en begon met mijn hand over zijn borst te wrijven. Ik was zo verstijfd, dat het mij niet lukte om mijn hand weg te trekken. Ik wilde dit allemaal echt niet. Ik was zo bang. De man zei dat hij mij doei wilde zeggen en legde zijn hand in mijn zij tegen mijn heup aan. De man had mij nog altijd vast en zei 'je gaat me nu een kusje op mijn wang geven' en begon mij echt te dwingen door mijn lichaam naar hem toe te trekken. Ik probeerde mijn hoofd nog weg te trekken, maar ik kwam echt niet weg, omdat hij mij zo stevig vast had. Ik voelde dat zijn lip tegen mijn wang aangeduwd werd. De man liet mij pas los op het moment dat de man zag dat de bus eraan kwam. Ik voelde mij helemaal verstijfd op het moment dat de man mij aanraakte. Pas toen de man mij niet meer aanraakte kon ik hem zeggen dat ik dat absoluut niet wil. Ik ben zo snel mogelijk de bus ingegaan. Deze bus hoefde ik eigenlijk helemaal niet te nemen, maar ik stapte in zodat ik bij de man weg kwam."

V: Wat kunt u hier over verklaren?

A: Haar hand tegen mijn borst is een gewoonte in [land van herkomst] .

V: Waarom duwt u uw lippen tegen haar wang, had u daar toestemming voor?

A: Niet gevraagd.

3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juli 2026, voor zover inhoudende:

U vraagt mij wat ik me nog herinner van wat zich heeft voorgedaan. Ik kwam aanlopen en zij kwam ook aanlopen. Ik begon te praten. We liepen verder. U vraagt mij of zij mij ook vragen heeft gesteld. Ik herinner het me niet. U vraagt mij of ik haar heup heb aangeraakt. Dat heb ik gedaan. U vraagt mij of ik haar heb gezoend. Het klopt dat wij gezoend hebben, ik moet zeggen van wel. Op het gezicht, twee zoenen op de wang. U vraagt mij of ik mijn hand op haar borst heb gelegd en of ik haar hand heb gepakt. Het klopt dat ik haar hand op mijn borst heb gelegd. Ik bood mijn hand aan, zij pakte mijn hand en ik bracht hem naar mijn borst.

Ik zei dat er dicht bij de plek waar we elkaar hadden ontmoet een restaurant was. Ik zei: “Ik wil je wel uitnodigen om daar een keer iets te gaan drinken.”

Ik heb mijn naam en nummer in haar telefoon ingetikt.

Vervolgens bleven we praten tot de bus kwam. Ik bood haar mijn hand aan, zij pakte die. Ik legde toen haar hand op mijn borst. En toen kwamen we dichterbij elkaar en kusten we elkaar. Ik legde mijn hand op dit deel van haar rug, niet lager maar op haar zij. (Het hof neemt waar hoe de verdachte opstaat en zijn hand bij zichzelf op de rechter zij plaatst.)

De advocaat-generaal vraagt mij of ik aan het slachtoffer gevraagd heb of ze wilde dat ik haar aanraakte. Nee, dat heb ik haar niet gevraagd.

Bewijsoverwegingen

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het contact tussen hem en het slachtoffer [slachtoffer] vriendschappelijk en wederzijds is geweest, dat hij niet wist dat het slachtoffer minderjarig was en dat zij op geen enkel moment tekenen zou hebben getoond dat ze niet van zijn gedrag gediend was. De wijze waarop de verdachte het slachtoffer heeft benaderd, zou niet vanuit enige seksuele bedoeling zijn geweest. Het hof begrijpt dit als een tot vrijspraak strekkend verweer.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt:

Voor seksuele intimidatie in het openbaar, in de zin van artikel 429ter van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat iemand een ander in het openbaar indringend seksueel benadert door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen, op een wijze die vreesaanjagend vernederend, kwetsend of onterend is te achten.

De verdachte is het slachtoffer in Heerlen tegengekomen, waarna zij richting een bushalte zijn gelopen. Het incident vond plaats aan de openbare weg, namelijk in het centrum van Heerlen bij een bushalte. Daarmee is voldaan aan het bestanddeel dat het feit in het openbaar moet hebben plaatsgevonden.

De seksuele benadering moet hebben plaatsgevonden door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen. Daarbij is het totaalbeeld doorslaggevend. Vereist is dat de handelingen een seksuele lading hebben. In de onderhavige zaak heeft de benadering plaatsgevonden door middel van opmerkingen en aanrakingen en is het initiatief daarvan uitgegaan van verdachte. De verdachte noemt het slachtoffer onder meer een mooi meisje en zegt dat ze er goed uitziet en dat hij met haar af wil spreken. Ook verstrekt hij ongewenst zijn telefoonnummer aan haar. Daarnaast heeft de verdachte ongewenst het slachtoffer bij de zij aangeraakt, haar vastgepakt en naar zich toe bewogen en heeft hij haar op de wang gezoend. Ook heeft hij haar hand vastgepakt en deze op zijn borst gelegd. Deze handelingen van de verdachten zijn naar het oordeel van het hof, vanwege de plek van de aanrakingen en de context waarin deze werden verricht, zonder meer aan te merken als seksuele handelingen.

Voorts wordt onder een indringende seksuele benadering verstaan een seksuele benadering met een zekere intensiteit. Daarbij dient sprake te zijn van een sterk overheersende wijze van contact zoeken die als opdringerig kan worden beschouwd. De verdachte komt het slachtoffer op straat tegen, besluit haar aan te spreken en met haar mee te lopen. Het slachtoffer heeft een heel andere kijk op hoe het contact met de verdachte is gelopen. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij niet gediend was van de manier waarop de verdachte haar aansprak, haar bleef volgen en contact met haar probeerde te krijgen, ondanks dat zij aangaf dat zij dit niet wilde. Hij maakte herhaaldelijk opmerkingen over hoe ze eruitzag en dat hij graag met haar wilde afspreken. Ze was bang en totaal overdonderd door de wijze waarop de verdachte haar benaderde. Ze voelde zich onveilig. Nergens is uit gebleken dat het slachtoffer hiervan gediend was, sterker nog, zij heeft verklaard dat ze zich zeer onprettig voelde bij dit contact. Het hof merkt daarbij op dat sprake is van een zeer ongelijkwaardige uitgangspositie. Er is een zeer groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer. De verdachte was op het pleegmoment 52 jaar, terwijl het slachtoffer slechts 16 jaar oud was. Ook waren zij complete vreemden voor elkaar. Voorts zou het slachtoffer volgens de verdachte niets hebben gezegd over haar jonge leeftijd. Het slachtoffer is veel jonger dan de verdachte en heeft ook verklaard dat zij meermaals heeft laten weten dat zij minderjarig is en nog thuis woonde. Over dit laatste heeft de verdachte zelf ook verklaard. De verdachte had moeten inzien dat hij dergelijk gedrag niet kon tonen bij een meisje dat zoveel jonger is dan hij. Dit feit alleen al maakt dat het voor de verdachte duidelijk moest zijn dat zij geen interesse zou hebben in (seksueel) contact met hem en niet gediend was van zijn seksueel beladen toenaderingen.

Daarnaast lijkt geen sprake te zijn van een (geheel) wederzijdse contactwens. Het is de verdachte die contact zoekt met het slachtoffer en haar volgt tot waar ze moet zijn. De verdachte heeft verklaard dat hij van alles over haar te weten is gekomen, maar dat hij zich niet kan herinneren of zij ook vragen aan hem heeft gesteld, terwijl het slachtoffer verklaard heeft dat de man haar lastig viel en allerlei informatie over haar wilde weten. Dit laat zien dat het om een eenzijdige vorm van interesse ging. Hij wilde iets van haar, niet andersom. Voorts heeft zij verklaard dat zij meermaals heeft herhaald dat hij haar met rust moest laten en dat zij zeker niet met hem wilde afspreken. De verdachte had er op elk moment voor kunnen kiezen om het slachtoffer alsnog verder met rust te laten, maar in plaats daarvan kiest hij ervoor om het contact voort te zetten, zijn telefoonnummer in haar telefoon te zetten en haar fysiek aan te raken en te zoenen. Het hof acht het niet meer dan begrijpelijk dat een meisje van 16 niet door een oudere en onbekende man aangeraakt of gekust wil worden.

Het indringende en overheersende gedrag van de verdachte leidde ertoe dat het slachtoffer zich onveilig voelde, niet goed wist wat ze moest doen en uiteindelijk uit angst een verkeerde bus heeft gepakt die een hele andere richting op ging, om maar weg te kunnen komen. Ook heeft ze haar vader kort daarop gebeld en heeft zij diezelfde dag nog aangifte gedaan bij de politie. Ook hieruit valt op te maken dat geen sprake is geweest van normaal gedrag tussen twee vreemden waarbij de een de ander even op straat aanspreekt. Naar het oordeel van het hof vormen de gedragingen van de verdachte een sterk overheersende wijze van contact zoeken met een seksuele lading die zonder meer als opdringerig kan worden gezien, des te meer omdat zij elkaar pas kort daarvoor ontmoet hadden en complete vreemden van elkaar waren. Ook aan dit bestanddeel is daarmee voldaan.

Als laatste vereiste geldt dat het intimiderende effect moet plaatsvinden op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten. Uit het dossier blijkt in voldoende mate dat deze indringende seksuele benadering van de verdachte het slachtoffer bang maakte en haar totaal overdonderde. Derhalve is ook aan dit bestanddeel voldaan.

Naar het oordeel van het hof is aldus genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

Seksuele intimidatie in het openbaar

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de door de rechtbank opgelegde straf zal bevestigen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie in het openbaar. De kern van dit onder de per 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven strafbaar gestelde verwijt is dat iemand een ander in het openbaar op intimiderende wijze als seksueel object benadert, waarbij het gevolg daarvan is dat mensen zich onveilig voelen of worden gehinderd om zichzelf te zijn als zij zich in het openbaar begeven. In het onderhavige geval heeft het gedrag van de verdachte veel angst bij het slachtoffer veroorzaakt en heeft het slachtoffer nadien langere tijd niet met het openbaar vervoer durven reizen. Ook heeft zij EMDR-sessies gehad om de situatie te verwerken, hetgeen ook blijkt uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. De verdachte heeft de situatie naar het oordeel van het hof compleet verkeerd ingeschat en heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Daarmee heeft hij voor haar een onveilige en beangstigende situatie gecreëerd die veel impact op haar heeft gehad. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld is ter zake van soortgelijke feiten.

Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij uit [land van herkomst] komt, dat hij sinds 13 jaar in Nederland woont en daarvoor 11 jaar in België woonde, dat hij fulltime werkt als constructiebankmedewerker en dat hij 3 kinderen heeft die om de week een weekend bij hem verblijven. Voorts heeft de verdachte aangegeven dat hij voldoende verdient om van rond te komen en dat het voor hem financieel geen probleem is om een geldboete of schadevergoeding te betalen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende acht het hof een geldboete van € 1.000,00, waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.629,89, bestaande uit € 129,89 aan materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 879,89, bestaande uit € 129,89 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.

Materiële schade

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft reiskosten gemaakt, omdat zij na het incident gedurende 2 maanden niet zelf met de bus naar haar stage durfde te reizen. Hierdoor hebben haar ouders haar in die periode gebracht en opgehaald.

Het hof stelt vast dat de gevorderde schade door de verdediging niet inhoudelijk is betwist en dat deze schadepost voldoende is onderbouwd. Derhalve zal het hof de materiële schade voor een bedrag van € 129,89 toewijzen.

Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.?

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat zij door de huisarts was doorverwezen naar de praktijkondersteuner en op een wachtlijst stond voor EMDR-therapie.


Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 500,00 billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. Het hof bepaalt dat het overige deel van de vordering afgewezen wordt.

Toewijzing (algemeen)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 629,89, bestaande uit € 129,89 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering wordt voor het overige deel afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 629,89. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 629,89, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 429ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 629,89, bestaande uit € 129,89 als vergoeding van materiële schade en € 500,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is;

Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 629,89, bestaande uit € 129,89 aan materiële schadevergoeding en € 500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. A.C. van Campen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,

en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.