Strafrecht overig

Bevestiging strafvonnis met uitzondering van straf. Naast oplegging van gedeeltelijk voorwaardelijke…

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
20-003322-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2158
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging strafvonnis met uitzondering van straf. Naast oplegging van gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf voor de duur van 480 uren subsidiair 240 dagen hechtenis.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 3 december 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:8234
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2158

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-003322-24

Uitspraak : 30 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-241319-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander te trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 3: witwassen, meermalen gepleegd;

feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Verder heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de strafoplegging.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

Op te leggen sanctie

Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest gecombineerd met een substantiële taakstraf dan wel een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat met oplegging van enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden kan worden volstaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft, met een enkele aanpassing door het hof, omtrent de strafoplegging het navolgende overwogen:

“Verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan vier maanden schuldig gemaakt aan het dealen van 24 kilogram cocaïne. Ook heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze harddrug en heeft hij ongeveer één kilogram cocaïne aanwezig gehad in zijn berging. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voorde volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van

harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast of genereren andere vormen van criminaliteit. Dergelijke misdrijven hebben dan ook een ontwrichtend effect op de samenleving als geheel. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een wezenlijke

bijdrage geleverd. Het drugscircuit kenmerkt zich door gewelds- en vermogensmisdrijven. Op die manier worden ook nietsvermoedende en onschuldige burgers geconfronteerd met allerlei nare gevolgen, terwijl verdachten zich er doorgaans niks gelegen aan laten liggen om hun crimineel handelen voort te zetten.

Kennelijk heeft verdachte zich om al deze gevolgen niet bekommerd en zich enkel laten

leiden door eigen belang, in de vorm van financieel gewin. Dit neemt de rechtbank

verdachte kwalijk.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende meer dan een jaar schuldig gemaakt aan het

witwassen van geldbedragen. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en

tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat

verdachte al eerder (in 2005) is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

Deze veroordeling is weliswaar van langer geleden, maar het is dus niet de eerste keer. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Verdachte heeft in zijn laatste verhoor bij de politie van 26 september 2024 en op zitting

enige openheid van zaken gegeven over zijn rol en aandeel. De rechtbank zal deze

proceshouding in zijn voordeel meewegen. Daarnaast zal de rechtbank er in strafmatigende

zin rekening mee houden dat verdachte zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft

gehouden. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij zijn leven wil en kan beteren. Hij lijkt

zijn leven inmiddels ook op de rit te hebben. Verdachte is aan het werk, is getrouwd en

wordt binnenkort vader.

Ook houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat de feiten

grotendeels in 2019 en 2020 hebben plaatsgevonden, waardoor sprake is van tijdsverloop.”

Het hof neemt vorenstaande, op een enkel onderdeel aangepaste, overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.

Aanvullend overweegt het hof dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een bevestiging behelst van hetgeen in vorenstaande overweging van de rechtbank is opgenomen over de omstandigheid dat verdachte zijn leven wil beteren. Voor het hof is het duidelijk geworden dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor het vaderschap en dat hij ook of juist als gescheiden vader voornemens is een goede vader voor zijn kind te zijn. Verdachte woont inmiddels weer thuis bij zijn ouders en is voornemens een opleiding tot brandwacht te volgen. Het leven van verdachte lijkt daardoor ook meer aan structuur te hebben gewonnen.

Naast deze positieve ontwikkeling ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof eveneens de overtuiging bekomen dat verdachte niet de “grote man” in het geheel is geweest.

Het hof is gelet op dit alles van oordeel dat het onwenselijk is wanneer verdachte in detentie zou moeten terugkeren, hetgeen bij een bevestiging (overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal) van de strafoplegging van de rechtbank het geval zou zijn. Verdachte heeft in totaal 247 dagen in voorarrest verbleven en het hof zal aan verdachte opleggen een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarmee hoeft verdachte niet naar de gevangenis terug te keren.

Daarnaast zal het hof aan verdachte een taakstraf voor de duur van 480 uren opleggen.

Met oplegging van een langer voorwaardelijk gedeelte bij de gevangenisstraf en met oplegging van de opgelegde taakstraf wenst het hof de ernst van de feiten te benadrukken.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 16 (zestien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Het overige gedeelte van het dictum van het bevestigde vonnis luidt:

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

* 1000 GR Cocaïne (Omschrijving: G65798I);

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* 395 EUR IBN 13-1 1-2023 (Omschrijving: G2658025);

* 1 STK Papier (Omschrijving: G265802I half biljet van 5 euro. Groen);

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* 1 PR Schoenen (Omschrijving: PL2000-2022290103-2658061. Blauw, merk: Louis

Vuitton);

* 1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: PL2000-2022290103-2657958, Zwart,

merk: Volvo, chassisnr: [chassisnummer] , bouwjaar 2014, met papieren, met

sleutels).

Aldus gewezen door:

mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 30 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.P.J. Scheele en mr. H.A.T.G. Koning zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.