Strafrecht overig

Het hof verklaart het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, nu de gemachtigd…

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
20-002679-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2228
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het hof verklaart het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, nu de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte zijn grieven tegen het vonnis van de politierechter niet langer handhaaft en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002679-24

Uitspraak : 29 juli 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 oktober 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-245198-20 en 03-049621-22, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Grave.

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-245198-20 onder feit 1 primair tenlastegelegde.

De politierechter heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:

  • ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-245198-20, feit 1 subsidiair), en

  • ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’ (parketnummer 03-049621-22, feit 1),

de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De politierechter heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 520,00, bestaande uit € 270,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het overige afgewezen. De politierechter heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 1] , tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Daarnaast heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de benadeelde partij daarbij veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Ten slotte heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen, te weten diverse kledingstukken, een mes, een GSM, divers handgereedschap en een muts verbeurd verklaard.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft een aanvang genomen door het uitroepen van de zaak op de terechtzitting van het hof van 15 september 2025. Vervolgens heeft er op 8 april 2026 nog een terechtzitting plaatsgevonden.

Op de terechtzitting van 29 juli 2026 was het hof anders samengesteld en is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De raadsvrouw van de verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdachte zijn grieven tegen het vonnis van de politierechter niet langer handhaaft en heeft het hof verzocht, bij gebrek aan belang aan de zijde van de verdachte, het namens hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De advocaat-generaal heeft, gehoord de raadsvrouw van de verdachte, gevorderd dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren bij gebrek aan enig rechtens te respecteren belang bij een behandeling van het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof is van oordeel dat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte op de terechtzitting van 29 juli 2026 kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte zijn grieven tegen het vonnis van de politierechter niet langer handhaaft en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

verklaart het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door:

mr. R. Lonterman, voorzitter,

mr. M.J.M.A. van der Put en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,

en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.