Strafrecht overig

Gedeeltelijke vrijspraak terzake mishandeling slachtoffer 2 en beroep op noodweer gedeeltelijk gehonoreerd…

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
20-002092-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2256
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Gedeeltelijke vrijspraak terzake mishandeling slachtoffer 2 en beroep op noodweer gedeeltelijk gehonoreerd.

De verdachte zag zich, terwijl hij zich achteruit op het terras begaf, door de gedragingen van de groep personen waartoe slachtoffer 1 behoorde geconfronteerd met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. De hierop door verdachte gemaakte slaande beweging en de zwaaiende beweging met zijn been zijn naar het oordeel van het hof gemaakt ter noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf. Voor zover de verdachte met deze handelingen slachtoffer 1 heeft geraakt, komt hem een geslaagd beroep op noodweer toe. In zoverre wordt hij van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Veroordeling mishandeling slachtoffer 1. Nadat slachtoffer 1 was gevallen en op de grond lag, heeft de verdachte een trap tegen zijn hoofd en/of (boven)lichaam gegeven, Met die gedraging heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het op de camerabeelden geen geweldshandelingen heeft waargenomen vanuit de personen die de verdachte op het terras naderden en dat slachtoffer 1, toen hij eenmaal op de grond lag, ook geen enkele bedreiging meer voor de verdachte vormde. Het beroep op noodweer wordt daarom in zoverre verworpen.

Voor het overige is het beroep op noodweerexces verworpen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-002092-25

Uitspraak : 21 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-378523-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling, meermalen gepleegd’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en ten behoeve van deze benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] en het overige tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat het hof dezelfde beslissing zal nemen als de politierechter heeft gedaan. De advocaat-generaal heeft gevorderd voor het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit, omdat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging nu de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak primair betoogd dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair is het verweer gevoerd dat schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd of dienen te worden gematigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 3 juli 2024 te Breda [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen, en/of

- die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen, en/of

- die [slachtoffer 1] te trappen en/of schoppen tegen het hoofd en/of (boven)lichaam.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte hem schopte met zijn linker- en rechterbeen en dat de verdachte hem vervolgens probeerde te slaan met een gebalde rechtervuist. Aangever [slachtoffer 2] kon de slagen van de verdachte ontwijken en werd niet geraakt.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij – kort gezegd – die [slachtoffer 2] in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen. Nu ook anderszins uit het dossier niet blijkt dat de verdachte aangever [slachtoffer 2] in het gezicht of tegen het lichaam heeft geslagen, zal het hof de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 juli 2024 te Breda [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te trappen tegen het hoofd en/of (boven)lichaam.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Politie-Eenheid Zeeland-West-Brabant, proces-verbaalnummer PL2000-2024166426, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, gesloten d.d. 9 oktober 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, alsmede geschriften, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-66. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 3 juli 2024, dossierpagina’s 9-11, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Plaats delict: [adres 2]

Pleegdatum/tijd: Tussen woensdag 3 juli 2024 om 00:18 uur en woensdag 3 juli 2024 om 00:53 uur.

Ik heb vandaag in [bedrijf] naar het Nederlands elftal gekeken. Ik ben op enig moment naar het terras aan de voorkant van het café gegaan en bij hoge tafels gaan zitten. Ik ben ten val gekomen en ik heb toen ik op de grond lag een aantal schoppen tegen mijn hoofd gehad. Ik voelde direct pijn aan de linkerzijde van mijn hoofd en aan mijn oog. Ik heb een wond op mijn linker wenkbrauw. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 3 juli 2024, dossierpagina’s 12-14, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :

Op woensdag 3 juli 2024, omstreeks 00.15 uur was ik de zaak, [bedrijf] aan het afsluiten.

Ik hoorde een collega roepen dat er buiten voor de zaak een vechtpartij gaande was. Ik zag dat de jongen met het beige/groene shirt een opgefokte houding had. Ik zag dat het slachtoffer op de grond viel. Ik zag dat de verdachte trappende bewegingen maakte naar het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachte één keer raak trapte tegen de verdachte (Het hof begrijpt op basis van de camerabeelden: het slachtoffer). Ik weet niet precies of hij het hoofd of het bovenlichaam van het slachtoffer raakte. Ik ben vervolgens de verdachte en zijn vriend gevolgd tot dat de politie hen aansprak.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 juli 2024, dossierpagina’s 20-23, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op woensdag 03 juli 2024, omstreeks 00:20 uur hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2] , middels de portofoon dat er op de Ginnenkemarkt een vechtpartij zou zijn. Op het moment dat ik, bij [bedrijf] aan kwam zag ik dat een man een doek tegen de linkerkant van zijn hoofd hield. Ik, zag dat de man een snee had boven zijn linker wenkbrauw en ik zag dat zijn linkerkant van zijn gezicht rood en gezwollen was. Hij bleek te zijn aangever/slachtoffer [slachtoffer 1] .

4. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 juli 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Het spijt mij dat ik geweld heb gebruikt. Het slachtoffer heeft letsel en heeft daar nog steeds last van. Dat vind ik verschrikkelijk.

5. Een opname van beeld en geluid als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden met bestandsnaam 20240703_040430.mp4, voor zover inhoudende:

Het hof neemt op de camerabeelden waar dat een persoon (het hof begrijpt uit de overige inhoud van het procesdossier: aangever [slachtoffer 1] ), ten val komt. Terwijl de persoon op de grond ligt, haalt een andere persoon (het hof begrijpt uit de overige inhoud van het procesdossier: de verdachte) uit met zijn been en maakt een trappende beweging in de richting van aangever [slachtoffer 1] .

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte zag een groep mannen op het terras dreigend op zich afkomen, terwijl er voor de verdachte geen redelijke mogelijkheid was om zich te onttrekken aan deze situatie. De verdachte mocht zich tegen deze groep en tegen het slachtoffer verdedigen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. Voor zover een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan die gedragingen en moet de verdachte in zoverre van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van – in dit geval – verdachtes lijf en dat de verdediging tegen die aanranding voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op woensdag 3 juli 2025 bevond de verdachte zich met zijn vriend, op het terras van café [bedrijf] in Breda. Op enig moment is daar onenigheid ontstaan met een groep cafébezoekers. De aanleiding van deze onenigheid is onbekend gebleven. De vriend van de verdachte probeerde de verdachte, die opgefokt was, in bedwang te houden. De verdachte wist zich echter los te breken. Op de camerabeelden neemt het hof vanaf dit moment waar dat de verdachte zich achteruit naar een terras met tafels en stoelen begeeft en dat ten minste twee personen zijn richting op lopen. De verdachte maakt op enig moment een slaande beweging en een zwaaiende beweging met zijn been in de richting van deze personen. Een van hen (het hof begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 1] ) komt vervolgens ten val. Hierna, op een moment dat het slachtoffer nog op de grond ligt, maakt de verdachte een trappende beweging in de richting van het slachtoffer. Het hof begrijpt uit het procesdossier dat het slachtoffer hierbij in ieder geval tegen zijn hoofd is geraakt en letsel heeft bekomen.

Het hof stelt op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden vast dat de verdachte, terwijl hij zich achteruit op het terras begaf, zich door de gedragingen van de groep personen waartoe het slachtoffer behoorde geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. De hierop door verdachte gemaakte slaande beweging en de zwaaiende beweging met zijn been zijn naar het oordeel van het hof gemaakt ter noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf. Voor zover de verdachte met deze handelingen het slachtoffer heeft geraakt, komt hem een geslaagd beroep op noodweer toe. In zoverre wordt hij van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Nadat het slachtoffer was gevallen en op de grond lag, heeft de verdachte een trap tegen zijn hoofd en/of (boven)lichaam gegeven, Met die gedraging heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het op de camerabeelden geen geweldshandelingen heeft waargenomen vanuit de personen die de verdachte op het terras naderden en dat het slachtoffer, toen hij eenmaal op de grond lag, ook geen enkele bedreiging meer voor de verdachte vormde. Het beroep op noodweer wordt daarom in zoverre verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Indien het hof van oordeel is dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging – door het slachtoffer te trappen nadat hij op de grond lag – verontschuldigbaar is. Daarvan kan slechts sprake zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’ kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces zonder feiten en omstandigheden te benoemen waaruit de voor een geslaagd beroep op noodweerexces hevige gemoedsbeweging zou moeten blijken. De verdachte verklaart zelf zich niets te herinneren van het geven van de trap nadat het slachtoffer op de grond lag. Het hof is, op basis van het thans voorliggende dossier, niet van feiten en omstandigheden gebleken waaruit de hevige gemoedsbeweging kan worden afgeleid. Het hof neemt ook hier in aanmerking dat het op de camerabeelden geen geweldshandelingen waarneemt vanuit de personen waartoe het slachtoffer behoorde en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde geweld weerloos op de grond lag. Voor zover de raadsman betekenis toekent aan de omstandigheid dat de verdachte bij zijn latere staandehouding hoog in zijn emotie zat, zegt dit - wat daar overigens ook van zij –niets over verdachtes toestand ten tijde van het trappen tegen het hoofd en/of (boven)lichaam van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het trappen tegen het hoofd en/of (boven)lichaam van het slachtoffer – voor zover er toen nog sprake was van een noodweersituatie – het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door (het onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Het beroep op noodweerexces wordt daarom verworpen.

Concluderend stelt het hof vast dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer te trappen terwijl het slachtoffer op de grond lag, waardoor letsel is toegebracht. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Dergelijke vormen van zinloos geweld op een voor het publiek toegankelijke plaats brengen tevens gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Ter terechtzitting heeft de verdachte blijk gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien en zijn excuses aangeboden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard, maar zal zijn proceshouding in positieve zin bij de straftoemeting meewegen.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 12 mei 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.483,77 bestaande uit een bedrag van € 233,77 aan materiële schade en een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:

  1. kosten medische hulpmiddelen € 13,78

  2. dagwaarde spijkerbroek € 119,99

  3. dagwaarde jas € 100,00

  4. smartengeld € 1.250,00.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 983,77, bestaande uit € 233,77 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep– zo begrijpt het hof de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting – bijgesteld in die zin dat naast de eerder gevorderde materiële schade in plaats van € 1.250,00 aan immateriële schade een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade wordt gevorderd.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. Volgens de verdediging heeft de politierechter de dagwaarde van de spijkerbroek en de jas te hoog ingeschat en is er teveel immateriële schadevergoeding toegekend.

Het hof overweegt ten aanzien van de materiële schade als volgt.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde materiële schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde. Blijkens het schade-onderbouwingsformulier zien de kosten voor de medische hulpmiddelen en de dagwaarde spijkerbroek op de gekneusde knie en is de schade aan de jas ontstaan als gevolg van de val. Nu de verdachte enkel wordt veroordeeld voor het geven van een trap tegen het hoofd en/of bovenlichaam nadat de benadeelde partij al ten val was gekomen, kan naar het oordeel van het hof niet de conclusie getrokken worden dat de gestelde materiële schade het gevolg is van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in de vordering worden ontvangen.

Het hof overweegt ten aanzien van de immateriële schade als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier en onderzoek ter terechtzitting volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen te weten een bloedneus en een wond in de wenkbrauw.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. Het hof zal de vordering voor het meerdere afwijzen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 2] heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 250,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. Y. van Setten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,

en op 21 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. Bosch en Van Setten zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.