Strafrecht overig
Artikel 310 en 416, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht bewezen dat…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2367 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2367
Zaakgegevens
Op 24 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2026
- Datum publicatie
- 3 september 2026
- Zaaknummer
- 20-002359-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2367
Samenvatting
Artikel 310 en 416, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een hond en de opzetheling van een auto. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts wijst het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, te vermeerderen met de wettelijke rente, en legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Ten slotte wijst het hof twee vorderingen tot tenuitvoerlegging toe.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-002359-25
Uitspraak : 24 augustus 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 september 2025 in de strafzaak met parketnummer 01-207701-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 01-238357-18 en 08-335312-22, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
ingeschreven te [adres 1] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Middelburg te Middelburg.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken voor het onder 2 primair tenlastegelegde feit. De politierechter heeft de verdachte ter zake van
-
‘diefstal’ (feit 1), en
-
‘opzetheling’ (feit 2 subsidiair),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met diezelfde wettelijke rente. De politierechter heeft de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft bepaald dat de vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Ten slotte heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van zowel de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken in de zaak met parketnummers 01-238357-18 als de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week in de zaak met parketnummer 08-335312-22.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en onder 2 subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering met uitzondering van de post proceskosten zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat beide vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen kunnen worden toegewezen.
Door de verdediging is vrijspraak van het onder 1, onder 2 primair en onder 2 subsidiair impliciet primair tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. De verdediging heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de raadsman primair de niet-ontvankelijkverklaring bepleit van de benadeelde partij [benadeelde 1] in de vordering en subsidiair is inhoudelijk verweer gevoerd. Ten slotte heeft de raadsman bepleit beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Eindhoven een hond, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Wintelre, gemeente Eersel, een auto, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Wintelre, gemeente Eersel, een auto, althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde
Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de bedrijfsauto op 7 juli 2025. Bij die beoordeling neemt het hof het volgende in aanmerking.
Op grond van het procesdossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 7 juli 2025 deed [benadeelde 1] aangifte van de diefstal van zijn bedrijfsauto. Hij had de auto die ochtend omstreeks 9.30 uur geparkeerd in Veldhoven. De auto stond niet afgesloten, want aangever had materialen uit de bus nodig voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden bij een woning nabij. De autosleutel lag in de auto op de grond. Omstreeks 10.00 uur zag aangever dat zijn auto er niet meer stond. De auto was voorzien van donkerblauwe stickers met de tekst “ [benadeelde 1] schilder en behangwerken”. Daarnaast lag er op het dak een ladder met imperialen en stonden er in de auto schuurmachines, verfmaterialen, gereedschappen, een haspel en een grote trap. Het door aangever opgegeven gestolen voertuig werd in de systemen geregistreerd en omstreeks 19.14 uur diezelfde dag kregen verbalisanten een ANPR-melding van het kenteken van de gestolen bedrijfsauto in de omgeving van Eindhoven Airport. Verbalisanten zijn ter plaatse gereden en gaven het voertuig een stopteken bij Wintelre. De bestuurder van de bedrijfsauto bleek de verdachte te zijn. Naast hem op de bijrijdersstoel zat medeverdachte [medeverdachte] en een hond, waarvan later bleek dat deze hond was weggenomen uit Eindhoven op diezelfde dag, te weten 7 juli 2025. De eigenaar van de hond beschikte over camerabeelden waarop verbalisant waarnam dat de verdachte de hond omstreeks 16.00 uur meenam in de bedrijfsauto van aangever.
Het hof overweegt dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de auto heeft weggenomen van aangever. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat tussen het moment waarop de auto is weggenomen en het moment dat de verdachte op de camerabeelden te zien is in de bedrijfsauto, minstens zes uren zijn verstreken. Gelet op deze tijdspanne kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de verdachte degene moet zijn geweest die de auto heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Gelet op al het voorgaande, heeft het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal van de bedrijfsauto heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:
1.
op 7 juli 2025 te Eindhoven een hond die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. subsidiair
op 7 juli 2025 te Wintelre, gemeente Eersel, een auto voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de diefstal van de hond bepleit. Daartoe heeft hij in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het oogmerk had om de hond zich wederrechtelijk toe te eigenen. Zo stelt de raadsman dat de verdachte de hond zonder eigenaar is tegengekomen en hij de hond toch niet zomaar kon achterlaten. De verdachte heeft de hond met goede bedoelingen meegenomen en heeft niet de kans gekregen om de hond naar een pension of asiel te brengen, voordat hij werd staande gehouden door de politie.
Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 7 juli 2025 deed [benadeelde 2] aangifte van de diefstal van haar hond. De hond verbleef die dag bij haar moeder in Eindhoven en omstreeks 17.30 uur werd aangeefster door haar moeder gebeld dat de hond was meegenomen door een persoon. De buren van de moeder van aangeefster beschikten over camerabeelden en deze zijn aan de politie overgedragen. Op de camerabeelden neemt verbalisant [verbalisant] waar dat de verdachte omstreeks 16.00 uur richting de brandgang liep welke leidde naar de achtertuin van [adres 2] . Op de parkeerplaats stond de gestolen bedrijfsauto. Achter de verdachte kwam een licht bruine puppy aangelopen. De verdachte had dit kennelijk niet door en begon te urineren op de stoep. Na het urineren wilde de verdachte doorlopen en stond hij vervolgens bijna op de puppy. De verdachte keek naar de puppy en liep om de bedrijfsauto heen. De puppy bleef achter de verdachte aanlopen en kroop onder de bedrijfsauto. De verdachte ging op zijn hurken zitten en gebaarde naar de puppy om deze naar hem te lokken. De puppy liep naar de verdachte toe, waarop de verdachte de puppy oppakte en onder zijn armen meenam in de bus. De verdachte reed weg met de puppy. Toen de politie de bedrijfsauto omstreeks 19.14 uur stilhield, zat de hond bij de voeten van de bijrijder. De verdachte verklaarde ter plaatse ten overstaan van de politie dat de hond al in het voertuig zat.
Het hof is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het wederrechtelijk toe-eigenen van de hond, dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat de verdachte dit opzettelijk heeft begaan. Hetgeen hieromtrent door de verdediging naar voren is gebracht, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte zijn best heeft gedaan om de hond in veiligheid te brengen. Zo is niet gebleken dat hij bij huizen in de buurt is gaan aanbellen om de hond terug te brengen, noch heeft de verdachte, toen hij door de politie werd staande gehouden, medegedeeld dat hij de hond ergens had gevonden en/of dat hij onderweg was om de hond ergens in veiligheid/onder te brengen. Integendeel, hij zei dat de hond al in het voertuig zat, hetgeen volledig wordt weerlegd door de camerabeelden. Het hof gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte als volstrekt ongeloofwaardig. Overigens merkt het hof nog op dat het al dan niet dragen van een halsband niet relevant is bij de beoordeling van dit feit, nu de verdachte zich in beide gevallen aan hetzelfde feit heeft schuldig gemaakt door zich deze puppy zonder enige toestemming toe te eigenen en daarover vervolgens als heer en meester te beschikken.
Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsman daarmee ook feitelijke grondslag mist en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde diefstal van de hond heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de impliciet primair tenlastegelegde opzetheling. Daartoe voert de raadsman aan dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte wist dat hij niet over de bus mocht beschikken. Ten aanzien van de impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldheling heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Het hof stelt het volgende voorop.
Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte "ten tijde van" bijvoorbeeld het "voorhanden krijgen" wist, respectievelijk redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het "een door misdrijf verkregen goed" betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.
Onder die wetenschap is naar bestendige rechtspraak voorwaardelijk opzet begrepen, in die zin dat de pleger bewust de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van een door misdrijf verkregen goed heeft aanvaard.
Tegen die achtergrond overweegt het hof als volgt.
Het hof verwijst naar hetgeen zij hierboven onder ‘vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde’ heeft overwogen voor wat betreft het vaststellen van de feiten en omstandigheden. Daaruit volgt dat de verdachte omstreeks 19.14 uur is aangetroffen in een bedrijfsauto die diezelfde dag omstreeks 10.00 uur was weggenomen bij aangever. De bedrijfsauto was voorzien van bestickering met de bedrijfsnaam van aangever. Bovendien lagen op en in de bus allerlei gereedschappen en materialen. Omstreeks 16.00 uur is op camerabeelden waargenomen dat de verdachte bij de gestolen bedrijfsauto stond, daaruit een krat met spullen tilde en deze op straat zette. Vervolgens reed de verdachte als bestuurder weg in deze bedrijfsauto. Het hof constateert voorts dat de verdachte bij de politie geen verklaring heeft willen afleggen over het voorhanden hebben van de bedrijfsauto en de sleutel van die auto en geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en met de camerabeelden waarop hij met die auto te zien is zoals ook volgt uit de bewijsmiddelen, zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Tevens stelt het hof vast dat de verdachte ook nadien niet van zich heeft laten horen. Hij was niet ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig, noch is hij in hoger beroep verschenen om hierover een verklaring af te leggen.
Uit de uiterlijke kenmerken van de bedrijfsauto die voorzien was van de nodige bestickering en gegevens van aangever [benadeelde 1] en zijn schilders-/behangbedrijf evenals gelet op het feit dat er gereedschappen en andere materialen in en op de bedrijfsauto lagen, volgt naar oordeel van het hof zonder meer dat die bedrijfsauto toebehoorde aan een ander, te weten de aangever of een aan hem te verbinden persoon/medewerker/collega. De verdachte, waarvan is gesteld noch gebleken dat hij aan aangever te verbinden persoon/medewerker/collega betrof, moet van deze kenmerken op de hoogte zijn geweest. Niet alleen kunnen hem de bestickering op de bedrijfsbus en de materialen zoals de grote ladder op de bus hem niet zijn ontgaan, maar met name het feit dat hij zich heeft ontdaan van een krat met verfspullen uit de bus, die hij zelf op de stoep heeft gezet, geeft hiervan zonder meer blijk. De verdachte, geconfronteerd met alle onderzoeksbevindingen (inclusief de camerabeelden) heeft niet een verklaring afgelegd die het hof de overtuiging heeft moet geven dat hij niet op de hoogte was van de criminele herkomst van het voertuig. Integendeel, de verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de bedrijfsauto wetenschap, al dan niet in de zin van voorwaardelijk opzet, van de criminele herkomst moet hebben gehad.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair impliciet primair tenlastegelegde opzetheling heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzetheling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof verzocht om de opgelegde gevangenisstraf te matigen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich op 7 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een hond en de opzetheling van een bedrijfsauto. Opzetheling is een uitermate ergerlijk en hinderlijk strafbaar feit. Door heling wordt vermogenscriminaliteit in stand gehouden, terwijl deze vermogensdelicten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Bovendien heeft de verdachte, door het wegnemen van een zeer jonge hond, die nog bij zijn moeder thuis hoorde, voor veel stress en leed gezorgd bij de eigenaar. De verdachte heeft er, door aldus te handelen, blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander en ook niet voor het welzijn van het dier. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit volgt dat de verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die voor soortgelijke feiten gelden.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte eerder en herhaaldelijk ter zake van soortgelijke delicten onherroepelijk is veroordeeld, doch telkens daarmee is doorgegaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.599,70 aan materiële schade en proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
-
Inkomstenderving € 1.320,00 (post i.)
-
Gereedschappen en materialen € 590,00 (post ii.)
-
Huur hoogwerker € 387,20 (post iii.)
-
Nieuw slot voordeur € 67,50 (post iv.)
-
Proceskosten € 235,00 (post v.)
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft primair niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering bepleit, omdat de gevorderde schadeposten niet rechtstreeks in verband staan met de heling. Subsidiair, voor het geval dat verband wel zou worden aangenomen, zijn de schadeposten inhoudelijk betwist.
Post ii. (gereedschappen en materialen)
Met betrekking tot deze schadepost is het hof van oordeel dat deze voldoende is onderbouwd en ook in voldoende rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. De bewezenverklaarde opzetheling in de namiddag is in tijd (zeer) dicht gelegen op de diefstal van de bedrijfsauto diezelfde ochtend. Maar dat niet alleen. Het hof acht het zonder meer aannemelijk dat het verlies van deze goederen het gevolg is geweest van de bewezenverklaarde opzetheling, nu uit de camerabeelden is gebleken dat het de verdachte was die zich heeft ontdaan van een krat met gereedschappen en materialen uit de bus. Hij heeft deze uit de bus gehaald en op straat gezet. In zoverre acht het hof de verdachte verantwoordelijk voor de schade.
De raadsman heeft ten aanzien van deze post subsidiair inhoudelijk verweer gevoerd dat er in de kern op neerkomt dat voor de verdediging volstrekt onduidelijk is wat er zou zijn weggenomen uit de bus en wat er nog in de bus was aangetroffen. Immers, niet is gebleken dat alles uit de bus was weggehaald en een opsomming van zich wel in de bus had bevonden, ontbreekt. Met zoveel vragen en onduidelijkheden meent de verdediging dat deze post niet voor toewijzing gereedligt.
Hoewel de raadsman een punt heeft dat niet nauwkeurig kan worden vastgesteld welke materialen en gereedschappen zich in de bus hebben bevonden en of er nog materialen en gereedschappen in de bus zijn aangetroffen toen de bus werd teruggevonden, blijkt uit de met de bewezenverklaarde opzetheling gepaard gaande gedragingen die de verdachte vallen te verwijten dat de benadeelde niet in deze situatie zou zijn komen te verkeren als de bewezenverklaarde opzetheling door de verdachte was uitgebleven. Dat de benadeelde partij schade heeft geleden doordat hij zonder materialen en gereedschappen achterbleef, acht het hof overigens onvoldoende betwist. Die schade komt voor rekening van de verdachte. Het spreekt dan ook redelijkerwijs voor zich dat de benadeelde partij vervangende materialen en gereedschappen heeft moeten kopen teneinde zijn schilderwerkzaamheden alsnog te kunnen voortzetten. Het hof acht dat ook voldoende aannemelijk gemaakt. Hoewel een en ander aldus niet nauwkeurig kan worden vastgesteld maakt het hof bij de vaststelling van de hoogte van de te vergoeden schade gebruik van de het hof toekomende schattingsbevoegdheid. Het hof schat deze schadepost op het gevorderde bedrag. Als uitgangspunt heeft het hof daarbij de door de benadeelde partij aan deze post ten grondslag gelegde onderbouwing bezien en die komt het hof alleszins redelijk voor als basis voor de te schatten omvang van de schade. Het hof zal daarom de vordering ter zake van deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 590,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
Post iii. en iv. (huur hoogwerker en nieuw slot voordeur)
Het hof is van oordeel dat voor deze posten niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door de onder 2 subsidiair bewezenverklaarde opzetheling. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre niet in de vordering worden ontvangen.
Post i. (inkomstenderving)
Met betrekking tot deze kostenpost is het hof van oordeel dat, hoewel het rechtstreeks verband aanwezig wordt geacht om gelijke redenen als voormeld onder ii, deze schadepost onvoldoende onderbouwd is. Om vast te kunnen stellen in hoeverre deze schadepost betreffende het verlies aan verdienvermogen rechtstreeks samenhangt met de bewezenverklaarde opzetheling is een nadere onderbouwing en aansluitende standpuntwisseling nodig. Het daartoe in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij door nadere bewijslevering zou een nadere behandeling van de zaak ter terechtzitting vergen en levert daarmee naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat deze schadepost en daarmee dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Post v. / Proceskosten
Het hof begrijpt dat een deel van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade ziet op de proceskosten, te weten post v. (proceskosten). De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd van € 235,00, bestaande uit € 220,00 ten aanzien van gederfde inkomsten, nu de benadeelde partij niet heeft kunnen werken op de dagen van de behandeling van de strafzaak, en € 15,00 aan reis- en parkeerkosten voor het bijwonen van de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof is van oordeel dat de gestelde gederfde inkomsten in verband met het bijwonen van de terechtzitting niet zijn aan te merken zijn als proceskosten, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Voor wat betreft de reis- en parkeerkosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt teneinde een terechtzitting bij te wonen, komen deze voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij de vordering zelf heeft toegelicht en geen gebruik heeft gemaakt van een gemachtigde.
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op
€ 30,00 voor het bijwonen van de terechtzitting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 590,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 590,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 01-238357-18
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 31 januari 2019 onder parketnummer 01-238357-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De verdediging heeft het hof verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel om de proeftijd van de vordering te verlengen.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 08-335312-22
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 april 2023 onder parketnummer 08-335312-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De verdediging heeft bepleit om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel om de proeftijd van de vordering te verlengen.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 590,00 (vijfhonderdnegentig euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de posten ‘huur hoogwerker’ en ‘nieuw slot voordeur’;
verklaart de vordering niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de post ‘inkomstenderving’ en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 30,00 (dertig euro);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 590,00 (vijfhonderdnegentig euro), bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 (vijf) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 31 januari 2019, gewezen onder parketnummer 01-238357-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 april 2023, gewezen onder parketnummer 08-335312-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Meer en J.W.J. de Leeuw, griffiers,
en op 24 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.M.G. Smit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.