Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan diefstal in vereniging door middel van braak.

Zaakgegevens

Op 4 februari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
4 februari 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
Zaaknummer
20-000778-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:686
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplichtigheid aan diefstal in vereniging door middel van braak.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000778-25

Uitspraak : 4 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 17 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-293313-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting als huidig woonadres: [adres]

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘medeplichtigheid aan diefstal in vereniging door middel van braak’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 13 februari 2022 te Axel , gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldkisten met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 13 februari 2022 te Axel , gemeente Terneuzen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die onbekend gebleven perso(o)n(en) bij voornoemd uitzendbureau af te zetten en/of

- met een vluchtauto klaar te staan en/of de vluchtauto te besturen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

een of meer onbekend gebleven personen op 13 februari 2022 te Axel , gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een of meerdere geldkisten met inhoud, die aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 13 februari 2022 te Axel , gemeente Terneuzen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen heeft verschaft, door

- die onbekend gebleven personen bij voornoemd uitzendbureau af te zetten en

- met een vluchtauto klaar te staan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Er kan niet, althans niet buiten gerede twijfel, worden vastgesteld dat de verdachte de inbrekers zou hebben afgezet, dan wel klaar stond als vluchtauto. Enkel getuige [getuige 1] verklaart over een directe link tussen de auto van de verdachte en de inbraak, maar dit vult hij echter in en heeft hij niet zelf waargenomen. De enkele omstandigheid dat de verdachte daar aanwezig was, is onvoldoende om te concluderen dat de verdachte als medeplichtige bij de inbraak is betrokken. De verdachte heeft immers voor zijn aanwezigheid een reden gegeven en de politie heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te doen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In art. 48 Sr worden twee, niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden, vormen van medeplichtigheid omschreven: het "behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf" (gelijktijdige of simultane medeplichtigheid) en het "gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf" (voorafgaande of consecutieve medeplichtigheid). De vraag of bij toepassing van deze bepaling de beide vormen van medeplichtigheid strikt kunnen of moeten worden afgebakend ten opzichte van elkaar, moet in ontkennende zin worden beantwoord. Voor beide vormen geldt – en daarin is het kernverwijt bij medeplichtigheid gelegen – dat het door een ander begaan misdrijf wordt bevorderd en/of vergemakkelijkt. Medeplichtigheid betreft een indirecte deelnemingsvorm, hetgeen betekent dat betrokkenheid in die sfeer pas strafbaar is indien daadwerkelijk een bepaald strafbaar grondfeit is begaan. Met dit zogenoemde vereiste van accessoriteit hangt samen dat de medeplichtigheid objectief gezien enig effect moet hebben gehad, dat wil zeggen een aantoonbare bijdrage aan het begane misdrijf moet hebben geleverd. Maar niet hoeft de bijdrage van de medeplichtige van doorslaggevende of substantiële betekenis te zijn.

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.

Het hof stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 13 februari 2022 heeft er een inbraak plaatsgevonden bij [benadeelde] te Axel . Uit de aangifte van [aangever] volgt dat de inbrekers via een stukgeslagen glas in lood raam het pand hebben betreden en hier een kluis (en 3 of 4 kleine ‘nepkluisjes’) hebben weggenomen. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat die avond omstreeks 20:35 uur een grijze vijfdeurs Mercedes A180 (waarbij het kenteken begon met twee cijfers, gevolgd door de letter ‘ [kenteken] ’) op de [locatie 1] stopte, en drie mannen achter uit het voertuig stapten. Twee van deze mannen verdwenen vervolgens in de inham van het hoekpand alwaar [benadeelde] gevestigd zit. De Mercedes A180 reed vervolgens naar de rotonde, maar keerde even later terug de [locatie 1] op. In het voertuig bevonden zich twee personen: een bestuurder en een bijrijder. Blijkens de getuigenverklaring van [getuige 2] klonken er vervolgens twee harde klappen. Even later zag hij twee personen met een kluis over straat lopen. Getuige [getuige 3] heeft in dit kader verklaard dat twee jonge mannen met een vierkante kist (ter grootte van 60 x 40 x 50 centimeter) richting een lichtgrijze/beige personenauto liepen. Uit de getuigenverklaring van [getuige 4] kan worden afgeleid dat deze twee personen vervolgens hard zijn weggerend. Op het moment dat deze twee personen wegrenden, zag [getuige 4] twee andere personen in een grijze personenauto stappen en met hoge snelheid wegrijden. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat op het moment dat de auto wegreed, twee jongens ''wacht, wacht'' riepen, maar de auto desondanks doorreed.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn naar aanleiding van de melding van de inbraak uit gaan zien naar de auto die bij de inbraak betrokken zou zijn, te weten een grijze Mercedes A-Klasse met een letter ‘ [kenteken] ’ in het kenteken. Rijdend over de [locatie 2] , zagen zij een grijs voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] vanuit de [locatie 3] te Axel de [locatie 2] opdraaien. De verbalisanten besloten het voertuig staande te houden teneinde de identiteit van de inzittende vast te stellen. Het voertuig had twee inzittenden: de verdachte (als bestuurder) en zijn vriendin [medeverdachte] (als bijrijder).

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij weliswaar samen met zijn vriendin nabij het [benadeelde] geparkeerd stond, dat hij heeft gezien dat twee jongens een kluis tilden en dat hij is weggereden op het moment dat hij een klap hoorde, maar dat hij deze jongens niet kende en verder ook niks van de inbraak afwist. Die ontkenning treft het hof niet als overtuigend.

Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte degene is geweest die de onbekend gebleven personen naar de [locatie 1] heeft gebracht en deze personen aldaar heeft afgezet nabij [benadeelde] . Vervolgens is de verdachte ten tijde van de inbraak in en bij het voertuig blijven wachten. De verdachte is hierdoor zowel voorafgaand, als gelijktijdig aan het plegen van het misdrijf behulpzaam geweest bij het plegen van de inbraak. Dat de verdachte niets te maken zou hebben met de inbraak, acht het hof onaannemelijk. Door getuige [getuige 1] is immers (telefonisch) verklaard dat de personen die hebben ingebroken, stapten uit de Mercedes A180 met mogelijk de eerste de twee cijfers [kenteken] (of iets met [kenteken] ) in het kenteken een daarop volgende mogelijke lettercombinatie [kenteken] , hetgeen grotendeels overeenkomt met het kenteken van het voertuig waarin de verdachte kort na de inbraak werd aangetroffen. Het hof wordt nog verder in zijn oordeel gesterkt nu uit de getuigenverklaring van [getuige 5] blijkt dat de inbrekers ''wacht, wacht'' riepen naar het wegrijdende voertuig dat de verdachte bestuurde, hetgeen moeilijk verklaarbaar is indien het voertuig niet tevens bij de inbraak betrokken zou zijn geweest, te minder als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de verdachte eerst wegreed nadat de twee inbrekers werden betrapt en in (lichamelijk) conflict kwamen met de getuige [getuige 2] .

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft het hof, in geval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, verzocht om – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het feit dat hij de afgelopen tijd nauwelijks met justitie in aanraking is gekomen en het lange tijdsverloop – af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en in plaats daarvan te volstaan met een geldboete, geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag (gecombineerd met een andersoortig voorwaardelijke straf). Het opleggen van een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal niet alleen de verdachte en zijn bedrijf hard raken, maar ook zijn gezin, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een diefstal met braak bij [benadeelde] , door daar personen af te zetten en met een vluchtauto klaar te staan. In het algemeen geldt voor diefstallen dat deze schade teweeg brengen aan de eigenaar van de weggenomen goederen en overlast en ergernis veroorzaken bij de gedupeerden. Door zijn handelswijze heeft de verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen voor [benadeelde] .

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 6 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder, zij het langer dan vijf jaren geleden, meermaals onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensfeiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de voorzichtig positieve ontwikkeling die zich af lijkt te tekenen in het leven van de verdachte, ziet het hof echter aanleiding om een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de politierechter is opgelegd. Alles afwegende, acht het hof het passend en geboden om een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. J. Nederlof en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,

en op 4 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.