Strafrecht overig
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en…
ECLI:NL:GHSHE:2026:717 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-717
Zaakgegevens
Op 13 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 16 maart 2026
- Zaaknummer
- 20-003375-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:717
Samenvatting
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en mishandeling jegens de directrice van haar voormalige school. De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk, nu aan de verdachte een aantal dagen eerder een locatieverbod was uitgereikt voor deze school. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-003375-24
Uitspraak : 13 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 december 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder parketnummers 03-307219-24 en 03-289587-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2004,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis van beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 03-289587-24. De politierechter heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
-
bedreiging met zware mishandeling (feit 1 in de zaak met parketnummer 03-307219-24), en
-
mishandeling (feit 1 subsidiair in de zaak met parketnummer 03-289587-24), en
-
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen (feit 2 in de zaak met parketnummer 03-289587-24),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bepaald is dat elke dag die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht daar vanaf getrokken dient te worden en gewaardeerd is op 2 uur te verrichten arbeid. De politierechter heeft aan het voorwaardelijke strafdeel naast de algemene voorwaarde tevens een bijzondere voorwaarde verbonden, te weten een contactverbod met [slachtoffer] . De politierechter heeft voorts een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd, te weten een contact- en gebiedsverbod voor de duur van 2 jaren, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarbij is bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 maanden. De opgelegde maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor het [school] .
Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van gronden waarop dit berust en met verbetering van de kwalificatie ter zake van parketnummer 03-307219-24
feit 1, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. De vrijheidsbeperkende maatregel betreft een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 2 jaar.
Hetgeen in hoger beroep nog door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verenigt zich daarbij met de bewijsoverwegingen van de politierechter waarin de – gelijkluidende – verweren van de verdediging zijn verworpen, zoals weergegeven op pagina’s 8 tot en met 11 van het beroepen vonnis.
Verbetering van de kwalificatie
De politierechter heeft bewezenverklaard dat de bedreiging is gedaan door middel van het sturen van e-mailberichten op twee verschillende momenten, namelijk op 3 september 2024 en 13 september 2024. Gelet op deze bewezenverklaring heeft de politierechter als gevolg van een kennelijke misslag verzuimd in de kwalificatie te vermelden “meermalen gepleegd”. Het hof leest de kwalificatie van het bewezenverklaarde met verbetering van deze misslag. Het bewezenverklaarde onder feit 1 met parketnummer 03-307219-24 wordt – na verbetering – gekwalificeerd als:
bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.
De verdachte wordt door deze verbetering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde niet in zijn belangen geschaad.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de in het proces-verbaal van de openbare zitting van de politierechter op 11 december 2024 gebezigde bewijsmiddelen (pagina’s 8 t/m 10), met aanvulling als hiernavolgend.
I.
In aanvulling op de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen in de zaak met parketnummer 03-289587-24, zoals weergegeven op pagina’s 9 en 10 van het beroepen vonnis, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen:
f) Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 25 september 2024 (pg. 36 t/m 40 van het in het vonnis waarvan beroep onder 1 weergegeven dossier), voor zover inhoudende:
[slachtoffer] heeft gezegd dat ik niet meer welkom was op school.
Ik heb een locatieverbod gekregen, omdat ik naar school ging. Iedere keer dat ik naar school ging werd ik weggesleept door de politie.
g) Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 september 2024 (in de zaak met parketnummer 03-307219-24), voor zover inhoudende:
Ik heb uit boosheid verschillende mails gestuurd, omdat ik niet meer op school mocht komen.
Op te leggen sanctie
Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, een en ander zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daartoe heeft de raadsvrouw gewezen op de nadelige gevolgen die de verdachte heeft ondervonden naar aanleiding van het conflict tussen haar en de directrice. De verdachte heeft veel schade ondervonden van het incident. Zo heeft zij – nadat zij door aangeefster [slachtoffer] was geschorst van de middelbare school – haar opleiding niet kunnen afmaken en heeft verdachte daardoor psychisch gezien een hele nare tijd gehad. Verder heeft de verdachte geen relevante documentatie en is zij na haar aanhouding in september 2024 niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en mishandeling jegens de directrice van haar voormalige school, te weten aangeefster [slachtoffer] . De verdachte heeft met haar handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij het slachtoffer een gevoel van angst en onveiligheid veroorzaakt. De mishandeling heeft plaatsgevonden op de werkplek van het slachtoffer, een plek waar zij haar werkzaamheden dient te kunnen verrichten zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar en hinderlijk gedrag. Het hof houdt daarbij ook rekening met het gegeven dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd bij het [school] , terwijl aan haar een aantal dagen eerder een locatieverbod was uitgereikt voor deze school. De verdachte heeft zich dus tevens schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk en heeft daarmee de wens van de rechthebbende om zich aldaar niet te begeven, genegeerd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft het hof acht geslagen op het door de advocaat-generaal voorafgaand aan de zitting overgelegde proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2026, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , waaruit volgt dat er geen meldingen meer bij de politie zijn geweest over de verdachte sinds haar aanhouding op 24 september 2024.
Het hof heeft ook kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies omtrent de persoon van de verdachte in het kader van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris d.d. 26 september 2024. Daarin is onder meer gerapporteerd dat de verdachte een zeer zelf-bepalende jongere is met gediagnosticeerde ASS-(Autisme Spectrum Stoornis-)problematiek. In de daaropvolgende retourzending van de reclassering d.d. 24 oktober 2024 en het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 20 november 2025 ziet het hof dat de verdachte sindsdien heeft geweigerd haar medewerking te verlenen, waardoor geen nader onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de persoon van de verdachte.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat zij bij haar moeder in Venlo woont, regelmatig op haar halfzusje past en niet naar school of werk gaat. Voorts heeft de verdachte verklaard dat zij het jodendom praktiseert en dat de directrice haar daarom van de middelbare school had geschorst. Inmiddels is de studiefinanciering van DUO verplicht stopgezet en heeft de verdachte ook schulden bij haar zorgverzekeraar.
De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigen naar het oordeel van het hof in beginsel oplegging van een straf zoals eerder door de rechtbank is opgelegd. Het hof ziet echter in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met name in hetgeen bij die gelegenheid is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om in de onderhavige zaak hiervan af te wijken. Uit het dossier is gebleken dat sinds haar aanhouding op 24 september 2024 geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan en het hof leidt daaruit af dat de verdachte kennelijk in rustiger vaarwater is terechtgekomen. Gelet ook op de tijd die inmiddels is verstreken sinds het incident heeft plaatsgevonden, acht het hof het niet opportuun om de thans rustige situatie te doorkruisen met het opleggen van een onvoorwaardelijke straf.
Gelet op de ernst van het feit en om te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals zal inlaten met het plegen van dergelijke strafbare feiten, acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Het hof zal daarnaast aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor het [school] . Het hof wil hiermee voorkomen dat het slachtoffer [slachtoffer] ongewild opnieuw geconfronteerd wordt met de verdachte.
Het hof zal daarbij de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte meerdere e-mailberichten met daarin bedreigende teksten heeft verzonden aan slachtoffer [slachtoffer] en dat een eerdere opgelegde locatieverbod de verdachte er kennelijk niet van heeft kunnen weerhouden om de school betreden en slachtoffer [slachtoffer] te mishandelen. Gelet hierop moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf begaat en zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer. Het hof zal daarom bepalen dat voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat van de noodzaak van een vrijheidsbeperkende maatregel niet langer is gebleken. Om die reden zal het hof tevens het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel opheffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 138, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat:
-
de verdachte gedurende de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben -in welke vorm dan ook, ook niet via derden- met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1959 te [geboorteplaats 2] ;
-
de verdachte gedurende 3 jaren zich niet zal ophouden in/op het terrein van het [school] , [adres 2] ;
beveelt dat voormelde voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp en mr. N. van der Meer, griffiers,
en op 13 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.