Strafrecht overig

Mishandeling politieambtenaar (geweld van voetbalsupporter) Het hof ziet geen reden om tot een andere, hogere…

Zaakgegevens

Op 11 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 maart 2026
Datum publicatie
30 maart 2026
Zaaknummer
20-000548-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:856
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling politieambtenaar (geweld van voetbalsupporter)

Het hof ziet geen reden om tot een andere, hogere straf te komen dan de politierechter, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof betrekt daarbij dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte reeds op andere wijze de gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden en thans nog steeds ondervindt. Aan de verdachte is namelijk een landelijk stadionverbod voor de duur van drie jaren en een aanzienlijke boete, van ongeveer 600 euro, opgelegd door de KNVB. Daarnaast acht het hof het door de verdachte toegepaste geweld relatief gering van ernst. Het hof acht de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, dan ook passend en geboden. Het hof ziet gelet op het voornoemde tevens geen reden om – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod, op te leggen.

Afwijzing vordering benadeelde partij.

Door de verdachte is wel pijn, maar geen lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW veroorzaakt. Het hof is tevens van oordeel dat van een ander geval als opgesomd in dat artikel geen sprake is, waardoor in onderhavige zaak de grondslag voor vergoeding van immateriële schade ontbreekt. Het hof zal de vordering daarom afwijzen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000548-25

Uitspraak : 11 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-041224-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 100,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil. De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Tot slot is het jegens de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen, te weten een locatieverbod voor – kort gezegd – het gebied rondom het stadion van RKC Waalwijk op wedstrijddagen of dagen met wedstrijdgerelateerde evenementen, voor de duur van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal het hof verzocht deze conform het vonnis van de politierechter toe te wijzen en gevorderd dat ter hoogte van het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de raadsman in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak primair betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair kan de verdediging zich in het geval van een veroordeling vinden in de in eerste aanleg toegekende immateriële schadevergoeding.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.

Als gevolg daarvan vervangt het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de politierechter zijn gegrond door de hierna opgenomen artikelen.

Verbetering van de bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat het navolgende door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 1.
op onderdelen aanvulling dan wel verbetering behoeft, welke aanvullingen of verbeteringen hieronder onderstreept en cursief zijn weergegeven:

1.
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 11 en 12 van het eindproces-verbaal met

dossiernummer PL2000-2025001261 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant,

opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en

doorgenummerd van 1 tot en met 64, voor zover inhoudende:

Op 26 januari 2025 was ik, [benadeelde] , werkzaam voor de mobiele eenheid als brigadier

bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant te Waalwijk. Ik was werkzaam voor de voetbalwedstrijd RKC Waalwijk tegen Willem II Tilburg. Op het moment dat de wedstrijd ten einde was, was ik, verbalisant, samen met collega’s opgesteld in een linie. Wij stonden verspreid over de Akkerlaan met de Olympiaweg en Bloemendaalweg te Waalwijk. Ik voelde een duw in mijn rug. Ik voelde direct een stekende pijn.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte bekent dat hij aangever [benadeelde] in zijn rug heeft geduwd, maar stelt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat deze duw pijn heeft veroorzaakt bij aangever en zeker niet de pijn die aangever stelt te hebben ervaren. De verdachte heeft aangever bovendien halverwege zijn rug geduwd en niet in zijn onderrug. Een duw halverwege de rug levert waarschijnlijk minder pijn op dan een duw in de onderrug. Daarnaast is aangever door de duw enkel uit balans geraakt en niet (hard) tegen de bus aan geklapt of gevallen. Dat aangever wel degelijk pijn heeft ervaren, wordt door de verdediging niet betwist. De verdediging stelt echter dat deze pijn niet het gevolg kan zijn geweest van de duw van de verdachte, maar het gevolg moet zijn geweest van een gegooide aardappel die aangever in de onderrug raakte, waar geen protectie zat. De later omschreven klachten die aangever van de duw heeft ervaren, passen volgens de verdediging juist goed bij de inslag van de aardappel.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 26 januari 2025 te Tilburg een duw heeft gegeven aan een ambtenaar, te weten verbalisant [benadeelde] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De verdachte bekent dit ook bij de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep. Verbalisant [benadeelde] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025 gerelateerd dat hij direct na de duw in zijn rug een stekende pijn voelde. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van dit relaas dat de verbalisant heeft vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Bovendien maakt verbalisant [benadeelde] in zijn latere aangifte d.d. 6 februari 2025 ook een duidelijk onderscheid tussen de pijn die hij voelde nadat er een aardappel tegen zijn rug werd gegooid, en de pijn die hij voelde na de duw in zijn rug.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Aanvullende overweging omtrent de strafoplegging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal het hof verzocht een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen, te weten in de vorm van een locatieverbod voor het gebied rondom het stadion van RKC Waalwijk (begrensd door de wegen Ambrosiusweg, Van de Merwedelaan, Akkerlaan, De Coubertinlaan en Burg. Smeelelaan) op wedstrijddagen of dagen met wedstrijdgerelateerde evenementen in een periode van 4 uur voor en 4 uur na aanvang hiervan, voor de duur van 2 jaren en daarbij te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel.

Daartoe is in het bijzonder aangevoerd dat het Openbaar Ministerie sterk wil optreden tegen de toenemende mate van geweld van voetbalsupporters. Mede gelet op het strafdoel van generale preventie acht de advocaat-generaal een lagere straf niet passend.

De verdediging heeft te kennen gegeven dat zij zich, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, kan vinden in de door de politierechter opgelegde straf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof ziet geen reden om tot een andere, hogere straf te komen dan de politierechter, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof betrekt daarbij dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte reeds op andere wijze de gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden en thans nog steeds ondervindt. Aan de verdachte is namelijk een landelijk stadionverbod voor de duur van drie jaren en een aanzienlijke boete, van ongeveer 600 euro, opgelegd door de KNVB. Daarnaast acht het hof het door de verdachte toegepaste geweld relatief gering van ernst. Het hof acht de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, dan ook passend en geboden.

Het hof ziet gelet op het voornoemde tevens geen reden om – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod, op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 223,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het hof overweegt dat bij de benadeelde partij [benadeelde] door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte wel pijn, maar geen lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is veroorzaakt. Het hof is tevens van oordeel dat van een ander geval als opgesomd in dat artikel geen sprake is, waardoor in onderhavige zaak de grondslag voor vergoeding van immateriële schade ontbreekt. Het hof zal de vordering daarom afwijzen.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof vervangt de door de politierechter aangehaalde artikelen door de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot schadevergoeding af;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter,

mr. G.J. Hanssen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 11 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.