Strafrecht overig

Opzettelijk een der feiten begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a en b van de Algemene wet…

Zaakgegevens

Op 2 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
2 april 2026
Datum publicatie
13 april 2026
Zaaknummer
20-001699-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:994
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Opzettelijk een der feiten begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a en b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-001699-25

Uitspraak : 2 april 2026

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 september 2022, parketnummer 83-080278-21 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

wonende te [adres] .

Procesverloop

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: “Opzettelijk een der feiten begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel a en b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, de verdachte deswege strafbaar verklaard en aan de verdachte opgelegd een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, subsidiair 85 dagen hechtenis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 9 april 2024 (ressortsparketnummer 20-002129-22) het vonnis waarvan beroep vernietigd en het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De advocaat-generaal heeft namens het Openbaar Ministerie tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 1 juli 2025 (rolnummer 24/01529) het bestreden arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – al dan niet onder aanvulling van gronden, te weten de overwegingen – zal bevestigen, met aanvulling van de opgelegde straf, met dien verstande dat het hof de verdachte, naast betaling van een geldboete, tevens zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan verbonden – naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit – de bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest alsnog inlichtingen en bescheiden verstrekt aan de belastinginspecteur te Breda over het buitenlandse vermogen, betreffende de periode 2006 tot en met 2017.

De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging wegens een gebrek in de tenlastelegging, dan wel dat het hof de dagvaarding nietig zal verklaren. Subsidiair is eveneens de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit, zij het omdat sprake is van willekeur en détournement de pouvoir. Meer subsidiair zijn diverse tot vrijspraak strekkende verweren gevoerd. Bij het niet slagen van deze verweren heeft de raadsman betoogd dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, wegens een geslaagd beroep op overmacht. Uiterst subsidiair heeft de verdediging gepersisteerd bij het in eerste aanleg gevoerde strafmaatverweer.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop het berust, met dien verstande dat de overwegingen van de rechtbank worden aangevuld op de wijze als hierna is vermeld. Voorts komen de aangehaalde artikelen 72 en 96 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te vervallen.

Het hof ziet in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de rechtbank. De door de rechtbank opgelegde geldboete, acht het hof onverminderd passend en geboden, met dien verstande dat het aantal dagen vervangende hechtenis thans wordt bepaald op 75 dagen. Hoewel het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel is dat artikel 14c (tweede lid, onder 140) van het Wetboek van Strafrecht wel ruimte biedt om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan verbonden de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde, ziet het hof geen aanleiding om deze aan de verdachte op te leggen. De overwegingen van de rechtbank hierover dienen te vervallen. De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging overwogen dat sprake is van een schending van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg. De rechtbank heeft volstaan met een constatering daarvan. Het hof schaart zich achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank op dat punt. In hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Aanvullende overwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – samengevat weergegeven – de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, de nietigheid van de dagvaarding, ontslag van alle rechtsvervolging en - op uiteenlopende gronden - vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – in de kern bezien en één en ander telkens op de gronden zoals nader in de overgelegde pleitnota verwoord – de in eerste aanleg ten overstaan van de rechtbank gevoerde verweren, al dan niet aangevuld, in hoger beroep herhaald, met dien verstande dat het eerdere tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie strekkende verweer, waarover de Hoge Raad zich reeds in diens arrest van 1 juli 2025 heeft uitgelaten, thans niet meer wordt gevoerd.

Naar het oordeel van het hof vindt het merendeel van de - tot vrijspraak strekkende en de overige - verweren van de verdediging reeds hun weerlegging in de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de overwegingen van de rechtbank. Het hof is van oordeel dat de rechtbank die verweren op juiste gronden heeft verworpen, zodat het hof zich daarbij in de kern aansluit. De in hoger beroep nieuw gevoerde verweren, slagen naar het oordeel van het hof evenmin. Het hof overweegt in dat verband – en waar nodig in aanvulling op de rechtbank – het navolgende.

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (wegens een ernstig en onherstelbaar gebrek in de tenlastelegging) dan wel nietigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte wegens een ernstig en onherstelbaar gebrek in de tenlastelegging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging de woorden “6 maart 2020 tot en met heden” bevat. Dit betreft volgens de raadsman een onbeperkte, althans onbepaalde periode, zodat het voor de verdachte onduidelijk is wanneer het strafbare feit heeft plaatsgevonden en aldus is het de verdachte onduidelijk waartegen deze zich dient te verdedigen. Daar komt bij dat de (navorderings-)aanslagen waarop de verzochte inlichtingen betrekking hebben reeds onder de rechter zijn gebracht (het hof begrijpt - blijkens de aan de pleitnota gehechte bijlage - per 2024). De inspecteur mag, onder verwijzing naar het arrest van Hoge Raad van 10 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761, vanaf het moment dat het geding onder de fiscale rechter is, geen gebruik meer maken van de inlichtingenbevoegdheid van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Vanwege de woorden “tot en met heden” heeft de tenlastelegging derhalve voor een belangrijk deel betrekking op een periode waarin de inspecteur geen gebruik meer mocht maken van voornoemde inlichtingenbevoegdheid, hetgeen een inbreuk oplevert op een fundamenteel beginsel van de (fiscale) procesorde. Daarnaast brengt het voorgaande met zich mee dat het vereiste opzet voor die desbetreffende periode niet kan worden bewezen. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:971, is het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, geschonden en dient primair het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard en subsidiair dient de dagvaarding nietig te worden verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het tenlastegelegde feit, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit begaan zou zijn. Bij de uitleg van deze bepaling dient voortdurend in het oog te worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er - tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek - redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen de verdachte worden verweten. Voor de rechtbank – en in hoger beroep, het hof – moet duidelijk en begrijpelijk zijn wat het concreet, ten aanzien van de verdachte, te onderzoeken heeft.

In het licht van bovenstaande vooropstelling overweegt het hof dat het aan de verdachte tenlastegelegde delict een omissiedelict betreft. Het gaat hier immers om een strafbaar gesteld nalaten, namelijk het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om – kort gezegd –desgevraagd inlichtingen te verschaffen en het voor raadpleging beschikbaar stellen van stukken (artikel 68, eerste lid, onder a en b, van de AWR, juncto artikel 69, eerste lid, AWR). Dit omissiedelict duurt in beginsel voort tot het moment waarop alsnog aan de verplichting(en) wordt voldaan.

Het hof volgt de verdediging niet in haar stelling dat aan de woorden “tot en met heden” in de tenlastelegging de betekenis ‘heden ten dage’ of ‘anno nu’ of ‘tot vandaag’ moet worden toegekend, maar dat in strafrechtelijke zin aansluiting gezocht moet worden bij de datum van het uitbrengen van de tenlastelegging. Uit het dossier leidt het hof af dat de dagvaarding, met de inhoud zoals die aan verdachte is uitgebracht, op 1 juni 2022 is opgesteld. Het hof leest de woorden “tot en met heden” in de bewezenverklaring van de rechtbank derhalve als “tot en met 1 juni 2022”, zijnde de datum van het uitbrengen van de tenlastelegging. Waar ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding (nog) niet aan voormelde verplichting(en) was voldaan, zodat op dat moment het omissiedelict nog voortduurde, was de in de bewezenverklaring genoemde einddatum “tot en met heden” met de betekenis die het hof daaraan toekent, naar het oordeel van het hof, niet alleen feitelijk juist, maar ook voldoende duidelijk. Bij deze stand van zaken komt aan het verweer, dat om voormelde redenen sprake zou zijn van een schending van een fundamenteel beginsel van de (fiscale) procesorde en het recht op een eerlijk proces, de feitelijke grondslag te vervallen. Dat geldt eveneens voor het op gelijke grond gevoerde opzetverweer. Het door de raadsman aangehaalde arrest van het hof Amsterdam brengt het hof in dezen niet tot een ander oordeel, daar de in dat arrest aan de orde zijnde feiten en rechtsvragen geheel onvergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak.

Naar het oordeel van het hof kon er aan de zijde van de verdachte dan ook redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de vraag welke specifieke gedragingen de verdachte werden verweten. De verdachte is immers meermalen expliciet en duidelijk verzocht om inlichtingen te verstrekken en bescheiden ter raadpleging beschikbaar te stellen, telkens met betrekking tot verdachtes (eventuele) buitenlands vermogen. De verdachte heeft stelselmatig geweigerd om aan die verplichting(en) te voldoen. De verdachte is vervolgens ten laatste male door een duidelijk schrijven met daarin een nadrukkelijke termijnstelling verzocht om uiterlijk 6 maart 2020 de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De verdachte heeft vervolgens ook daar geen gehoor aan gegeven en dit is het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. De omstandigheid dat de verdachte eerdere vragenbrieven evenmin heeft beantwoord, maakt de in de tenlastelegging opgenomen datum van 6 maart 2020 niet arbitrair, zoals de raadsman heeft aangevoerd. Noch, en anders dan de raadsman, vermag het hof niet in te zien hoe die omstandigheid op enigerlei wijze bijdraagt aan de beweerdelijke onduidelijkheid van de tenlastelegging.

De tenlastelegging behelst derhalve, naar het oordeel van het hof, een voldoende duidelijke opgave van het feit nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Het hof is, gezien het bovenstaande, dan ook van oordeel dat de gehele tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet en verwerpt derhalve het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, alsmede het nietigheidsverweer van de verdediging.

De informatiebeschikking, schending van het verbod op willekeur en détournement de pouvoir.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep andermaal betoogd dat de belastingdienst op grond van het voor het BCEE-project gemaakte draaiboek verplicht was om eerst een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de AWR te nemen, alvorens over kon worden gegaan tot strafvervolging.

Anders dan de raadsman, maar met de rechtbank, is het hof van oordeel dat er voor de inspecteur in rechte geen verplichting bestond om eerst een informatiebeschikking te nemen, alvorens de zaak in aanmerking te laten komen voor een strafrechtelijke afdoening. Op grond van artikel 52a van de AWR is de inspecteur immers eerst tot het afgeven van een voor bezwaar en beroep vatbare informatiebeschikking verplicht, op het moment dat hij – ingeval een belastingplichtige zijn informatie- en/of administratieplichten niet nakomt – het instrument van de omkering en verzwaring van de bewijslast wil toepassen. Wil de inspecteur de bewijslast omkeren en verzwaren dan, kan hij in dat geval een informatiebeschikking nemen. Echter, de omkering en verzwaring van de bewijslast speelt in onderhavige zaak geen rol. Het wel of niet nemen van een informatiebeschikking staat verder ter discretie van de inspecteur en betreft een zogeheten ‘freies Ermessen’. Indien geen informatiebeschikking wordt genomen, laat zulks de verplichting om op grond van artikel 47 AWR inlichtingen te verstrekken onverlet. Dat er van de zijde van het Openbaar Ministerie bewust tekort is gedaan aan de rechtsbescherming van de belastingplichtige dan wel dat de vervolging om die reden prematuur is, zoals de raadsman heeft betoogd, is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Het hof schaart zich in dit verband voorts achter het oordeel en de overwegingen van de rechtbank dat het ‘uitvoeringsplan’ niet kan worden aangemerkt als een (geheel van) beleidsregel(s) waaraan de belastingdienst kon worden gebonden en op grond waarvan de inspecteur gehouden was om eerst een informatiebeschikking te nemen. In aanvulling op de rechtbank overweegt het hof op dit punt overigens nog het volgende:

In het uitvoeringsplan staat met betrekking tot het nemen van een informatiebeschikking – voor zover in dezen relevant – het volgende opgenomen:

Blijft belastingplichtige volharden in het niet verstrekken van de gevraagde informatie dan zouden we op grond van art. 41 AWR de belastingplichtige kunnen oproepen om persoonlijk op het belastingkantoor te verschijnen. De praktijk leert dat een face-to-face-contact een (voor)spoedige afhandeling bevordert. De belastingplichtige kan zich daarbij door zijn vertegenwoordiger laten vergezellen, maar hij is verplicht om zelf de relevante vragen te beantwoorden.

Verstrekt de belastingplichtige dan de gevraagde informatie nog niet dan dient de informatiebeschikking afgegeven te worden .

Uit in het bijzonder het onderstreepte en vetgedrukte komt naar voren dat volgens het uitvoeringsplan eerst sprake is van het nemen van een informatiebeschikking, op het moment dat de belastingplichtige persoonlijk voor een gesprek op het kantoor van de belastingdienst is opgeroepen en verschenen en aldaar heeft geweigerd om informatie te verstrekken. Nu niet is gebleken dat de verdachte voor een dergelijk gesprek op het belastingkantoor is geweest, kan ook – en ware het vorenoverwogene anders – op grond van het uitvoeringsplan geen sprake zijn van het verplicht eerst nemen van een informatiebeschikking. Het verweer faalt in al zijn onderdelen.

De raadsman heeft in dit verband tevens en andermaal bepleit dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur. Daartoe is aangevoerd dat aan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare positie wel informatiebeschikkingen zijn afgegeven, dan wel dat via een civiele procedure is gepoogd om informatie te verkrijgen. In andere vergelijkbare gevallen is daarentegen in het geheel geen actie ondernomen. Een en ander levert strijd op met het verbod van willekeur.

In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod van willekeur. In aanvulling op hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen, overweegt het hof dat uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de selectie van zaken voor het project Cambridge d.d. 3 juli 2020 volgt dat de Belastingdienst aan het Functioneel Parket heeft verzocht om de groep van zogenaamde structurele weigeraars (belastingplichtigen die structureel hebben geweigerd de gevraagde inlichtingen te verstrekken) strafrechtelijk te vervolgen voor het niet voldoen aan de informatieplicht ex artikel 47 van de AWR. Belastingplichtigen waartegen reeds een bestuursrechtelijke procedure, civielrechtelijke dwangsomprocedure of fiscale informatiebeschikkingsprocedure liep, zijn niet meegenomen in het project Cambridge . De weigeraars zijn op of omstreeks 17 februari 2020 door ambtenaren van de Belastingdienst bezocht en hen is wederom een verzoek om inlichtingen persoonlijk overhandigd. Tevens zijn de belastingplichtigen geïnformeerd dat het weigeren te voldoen aan dit inlichtingenverzoek een strafbaar feit zou kunnen opleveren en dat er mogelijk een strafrechtelijk onderzoek door de Belastingdienst/FIOD zou kunnen worden ingesteld. Ten slotte is medegedeeld dat de gevraagde inlichtingen vóór 6 maart 2020 moesten worden verstrekt. Na het verstrijken van de in de brief van 17 februari 2020 opgenomen fatale termijn van 6 maart 2020 is door de Belastingdienst geïnventariseerd welke belastingplichtigen niet hadden gereageerd op het inlichtingenverzoek, dan wel hadden geweigerd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Uiteindelijk betrof het 15 van de 29 aangeschreven belastingplichtigen, waaronder de verdachte.

Het hof stelt vast dat de verdachte, ondanks dat deze daartoe schriftelijk was gemaand, steeds heeft nagelaten om aan de Belastingdienst inlichtingen en/of (bank)stukken te verstrekken betreffende vermogen in het buitenland. Dat maakt dat de verdachte in aanmerking kwam voor de kwalificatie ‘structurele weigeraar’ en in dezelfde (bewijs- en/of strafrechtelijke) positie verkeerde als de overige verdachten jegens wie strafzaken zijn geëntameerd. De verdachte moest er aldus rekening mee houden dat bij niet-nakoming van de verplichting om inlichtingen te vertrekken (alsnog) strafvervolging zou worden ingezet en met die vervolging was naar het oordeel van het hof steeds een (straf)doel gediend. Dat er van de zijde van de Belastingdienst voor is geopteerd om (naar het hof begrijpt) op een eerder moment aan andere belastingplichtigen in het rekeningenproject – en naar het hof begrijpt, niet zijnde structurele weigeraars – een informatiebeschikking op te leggen, dan wel via civiele weg informatie verkrijgen, maakt niet dat hun geval zonder meer met die van de verdachte kan worden vergeleken, laat staan dat sprake is van gelijke gevallen.

Aangezien de officier van justitie op basis van het voorgaande - en de verdere inhoud van het dossier - redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat een veroordeling van de verdachte ter zake van (kort gezegd) schending van de informatieplicht haalbaar was, kan het beroep op schending van het verbod van willekeur naar het oordeel van het hof niet slagen. Met de rechtbank acht het hof de beslissing om ook jegens de verdachte strafvervolging in te stellen dan ook niet zodanig en apert onevenredig dat zulks onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Het verweer wordt ook in hoger beroep verworpen.

In het verlengde van het bovenstaande heeft de raadsman tevens betoogd dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de strafvervolging van de verdachte louter is ingezet om, ten behoeve van de belastingdienst, fiscale informatie te verkrijgen. Door op deze wijze te handelen heeft het Openbaar Ministerie misbruik gemaakt van haar strafvorderlijke bevoegdheden en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman erop gewezen dat naast de fiscale correctie tevens een vergrijpboete aan de verdachte is opgelegd.

Het hof is van oordeel dat het verweer niet slaagt. Vooropgesteld is van détournement de pouvoir sprake wanneer - in dit geval - het Openbaar Ministerie of, via deze, de belastingdienst een aan hem toekomende (strafrechtelijke of controle-) bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven en aldus het beginsel van zuiverheid van oogmerk schendt.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet het hof in het verhandelde ter terechtzitting of het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling dat de strafvervolging van de verdachte wegens het niet voldoen aan de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR is ingezet of aangewend ter verkrijging van fiscale gegevens.

Blijkens het dossier heeft de belastingdienst op enig moment bulk-informatie ontvangen, waaruit naar voren kwam dat Nederlandse ingezeten, waaronder de verdachte, mogelijk gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen. Het zou gaan om een bankrekening in Luxemburg . Op 15 maart 2018 is de eerste vragenbrief naar de verdachte verzonden. De verdachte heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken. De verdachte is vervolgens in een periode van ongeveer twee jaar meermalen verzocht om inlichtingen te verstrekken, hetgeen de verdachte telkens heeft geweigerd. Op 19 februari 2020 is – via haar man, medeverdachte [medeverdachte] – aan de verdachte een schrijven overhandigd, waarbij de verdachte ten laatste male is verzocht om de inlichtingen uiterlijk voor 6 maart 2020 te verstrekken. De verdachte heeft dat toen wederom nagelaten. Daarop is de casus van de verdachte op 12 mei 2020 in het zogeheten weegploeg-overleg tussen het Functioneel Parket, de Belastingdienst en de FIOD besproken en toen is besloten om de zaak aan te melden voor een strafrechtelijke afdoening.

Gelet op de informatie en de stukken in het dossier, waarover de belastinginspecteur beschikte, is het hof van oordeel dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing, zodat een controlebelang als bedoeld in artikel 47 AWR aanwezig moet worden geacht. Gelet op vorenbedoelde informatie en stukken is het daarnaast voldoende aannemelijk te achten dat de verdachte over de gevraagde informatie beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Aldus kon en mocht de inspecteur gebruik maken van de inlichtingenbevoegdheid van artikel 47 AWR. De verdachte is meermalen verzocht om inlichtingen te verschaffen, maar heeft dat stelselmatig geweigerd. Het stond de Belastingdienst bij die stand van zaken dan ook vrij om de zaak vervolgens aan te melden voor strafrechtelijke afdoening. Uit het dossier komt dan ook het beeld naar voren dat pas in de loop van het traject, namelijk nadat de verdachte stelselmatig en consequent heeft geweigerd om te voldoen aan de inlichtingenplicht, de strafrechtelijke component erbij is gekomen. Van enig misbruik van strafvorderlijke bevoegdheden door het Openbaar Ministerie is het hof niets gebleken.

De omstandigheid dat – naar het hof begrijpt – inmiddels een vergrijpboete aan de verdachte is opgelegd, kan naar het oordeel van het hof, niet bijdragen aan het bewijs van de stelling dat het strafrecht dus is aangewend ter verkrijging van fiscale informatie. Dat geldt eveneens voor de stelling van de verdediging dat het strafrecht is ingezet met als doel om de hoogte van de boete te onderbouwen. Het verweer faalt aldus in al zijn onderdelen. In welk verband het hof nog opmerkt dat niet is gebleken dat de verdachte überhaupt informatie heeft verstrekt, laat staan dat de informatie is gebruikt voor het bepalen van de hoogte van de boete.

Vrijspraken verweren: onvoldoende bewijs en pleitbaar standpunt.

Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, wordt het verweer dat het bewijs van het tenlastegelegde tekortschiet omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een bankrekening aanhield in het buitenland, verworpen.

Op grond van de stukken en de informatie in het dossier acht het hof het voldoende aannemelijk geworden dat de gevraagde informatie bestaat/bestond en dat de verdachte als belastingplichtige daarover de beschikking heeft (gehad) of, met de van de verdachte redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan/kon verkrijgen. Uit in het bijzonder de ambtsedige verklaring d.d. 12 februari 2021 komt naar voren dat belastingdienst navraag heeft gedaan bij de Luxemburgse autoriteiten naar bankrekening(en) op naam van de verdachte en haar man, medeverdachte [medeverdachte] . Vanuit Luxemburg is daarop antwoord gekomen, met bijgevoegd bankstukken, waaruit volgens de Belastingdienst volgt dat de man van de verdachte een rekening heeft of heeft gehad in Luxemburg . Bijgevolg kan het verweer niet slagen. Gelet op het voorgaande wordt het verweer inhoudende dat sprake was van een ‘fishing-expedition’ eveneens verworpen. Er bestond meer dan een gerechtvaardigd vermoeden dat de gevraagde informatie bestond en de verdachte is daaromtrent specifiek door de Belastingdienst bevraagd. Van een niet-gerichte zoektocht naar informatie was geen sprake.

Met de rechtbank is het hof ten slotte van oordeel dat verdachtes weigering om inlichtingen te verstrekken – dan wel de motivering daarvan – niet kan worden aangemerkt als een pleitbaar standpunt. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt en het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in casu geen sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM, meer in het bijzonder, het nemo tenetur-beginsel.

De raadsman heeft diens verweren op dit punt in hoger beroep nader aangekleed door nog aan te voeren dat de gevraagde stukken als wilsafhankelijk materiaal hebben te gelden, omdat sprake was van een fishing-expedition. Het verweer faalt reeds op grond van het eerdere oordeel van het hof, inhoudende dat geen sprake was van een fishing-expedition.

Het hof volgt de raadsman bovendien niet in diens stelling dat het thans een vaststaand feit betreft dat sprake is van een pleitbaar standpunt, zulks omdat de Hoge Raad het eerdere arrest van het hof, met de beslissing om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, heeft vernietigd. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat die omstandigheid niet reeds met zich brengt dat sprake is van een pleitbaar standpunt. De jurisprudentie van de Hoge Raad bevat immers een toetsingsmaatstaf aan de hand waarvan beoordeeld dient te worden of sprake is van een pleitbaar standpunt. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank die toetsingsmaatstaf in onderhavige zaak op juiste wijze gehanteerd en aan de hand daarvan op goede gronden geoordeeld dat van een pleitbaar standpunt in dezen geen sprake is. Daar komt nog bij dat de Hoge Raad het eerdere arrest van het hof heeft vernietigd vanwege een oordeel, dat geen verband houdt met het beweerdelijke pleitbare standpunt.

Resumerend falen de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene;

bepaalt het aantal dagen vervangende hechtenis op 75 (vijfenzeventig).

Aldus gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,

en op 2 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Geerling voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.