Strafrecht overig
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 december 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:5585 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/raadkamer/ecli-nl-ghshe-2018-5585
Zaakgegevens
Op 20 december 2018 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 20 december 2018
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 000889-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2018:5585
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamer
Afdeling strafrecht
Bijzondere zaak, nummer: 000889-18
Parketnummer: 20-002848-15 (OWV)
Uitspraakdatum : 20 december 2018
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het op 7 september 2018 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
te dezer zake domicilie kiezende te [adres] .
Het verzoekschrift strekt tot vermindering van het ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag.
Het onderzoek van de zaak
Het verzoekschrift is op 6 december 2018 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.
De verzoeker en mr. Van Steenberge zijn verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van de conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verzoeker en zijn raadsvrouw, mr. Van Steenberge, naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek zal worden afgewezen.
De beoordeling
Het verzoek is tijdig ingediend.
Uit de gedingstukken blijkt dat de verzoeker bij onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 12 december 2016 onder parketnummer 20-002848-15 (OWV) – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting is opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 417.891,49.
Thans wordt verzocht bovengenoemd bedrag te verminderen.
Blijkens het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 12 december 2016 is door en namens de verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verzoeker niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verzoeker op dat moment, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan de betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
Het arrest is door dit hof gewezen op 12 december 2016. Het verzoekschrift ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering is bij het hof ingekomen in september 2018 en door het hof behandeld op de terechtzitting van 6 december 2018.
Naar het oordeel van het hof is – gelet op het beperkte tijdsverloop na het wijzen van arrest op 12 december 2016 – het verzoek tot vermindering van het ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag prematuur. Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet aannemelijk geworden dat de draagkracht van de verzoeker onvoldoende is en ook in de toekomst onvoldoende zal zijn om de aan hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen zodat het Centraal Justitieel Incasso Bureau langere tijd in de gelegenheid moet worden gesteld om het verschuldigde bedrag bij de verzoeker te innen. Hetgeen door en namens de verzoeker naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst het verzoek van de verzoeker af.
Aldus beslist door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. A.R.O. Mooy en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van dit gerechtshof van 20 december 2018.
Mr. Smit en mr. Van der Bijl zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.