Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 5 juni 2026

Zaakgegevens

Op 5 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
23/04801
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:857
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 december 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:15110
  2. Gerechtshof Den Haag · 25 oktober 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2112

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 9 augustus 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:806
  4. Hoge Raad · 5 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:857

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/04801

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 oktober 2023, nrs. BK-22/00017 tot en met BK-22/00021, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/2453, 20/2455, 20/2460, 20/2462 en 20/2464) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2001 tot en met 2005 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij voor het jaar 2001 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij voor de jaren 2002 tot en met 2005 gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door I. de Roos, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

1.2

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 9 augustus 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

ECLI:NL:GHDHA:2023:2112. ECLI:NL:PHR:2024:806.