Belastingrecht

Oorlogswinstbelasting; de Raad van Beroep is bij een geschil over een navorderingsaanslag niet gebonden aan…

Hoge Raad, 22 juni 1921

Zaakgegevens

Op 22 juni 1921 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 juni 1921
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
613
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1921:264
E-mail

Samenvatting

Oorlogswinstbelasting; de Raad van Beroep is bij een geschil over een navorderingsaanslag niet gebonden aan zijn eerdere uitspraak over de oorspronkelijke aanslag.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 22 juni 1921deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1921:264

  2. Conclusie A-G · 22 juni 1921

    ECLI:NL:PHR:1921:3

Uitspraak

Nº 613

De Hooge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie, ingediend door [X], weduwe van [A], te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te Rotterdam van 27 September 1920 in zake haren aanslag wegens navordering van oorlogswinstbelasting over 1916;

Gezien de stukken;

Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing der zaak naar den Raad van Beroep II te Rotterdam teneinde verder te worden behandeld en beslist met inachtneming van 's-Hoogen Raads arrest;

Overwegende dat - voor zoover thans van belang - ten deze vaststaat:

dat belanghebbende over 1916 is aangeslagen in de Oorlogswinstbelasting naar een belastbare meerwinst van f 4100- welke aanslag na bezwaarschrift door den betrokken Inspecteur is bevestigd;

dat de belanghebbende daartegen in beroep is gekomen, aanvoerend, dat zij had behooren te zijn aangeslagen naar een bedrag van f 2583.38;

dat de Raad, in de uitspraak naar aanleiding van dat beroep op 17 Februari 1919 gegeven, als tusschen partijen vaststaande heeft aangenomen, dat het inkomen van de belanghebbende over 1916 heeft bedragen f 18472.90, haar gemiddeld inkomen over de jaren 1911-13 f 9657.20 en haar vermeerdering van inkomen over 1916 derhalve f 8815.70;

dat partijen het er mede over eens zijn dat dit meerder inkomen kan worden gecompenseerd met het oorlogsverlies over de jaren 1914 en 1915, doch verschillen over de vraag op welk bedrag dat oorlogsverlies behoort te worden gesteld;

dat de belanghebbende, bij haar beroepschrift dat oorlogsverlies heeft becijferd op f 2857.27 voor 1914 en op f 3490.03 voor 1915, daarbij nog aanvoerend, dat het inkomen over 1916 nog behoort te worden verminderd met f 792- daar in dat jaar te weinig was afgeschreven;

dat de Raad ten aanzien van het beweerde oorlogsverlies over 1914 heeft geoordeeld, dat dit voldoende aannemelijk is gemaakt en ten aanzien van de posten, betrekking hebbende op 1915 en tezamen bedragende f 3490.03 heeft overwogen, dat de gemachtigde van de belanghebbende bij de mondelinge toelichting van het beroep heeft medegedeeld, dat dit cijfer behoort te worden verminderd met f 1620.455 voor koerswinst, welke als oorlogswinst is te beschouwen, doch moet worden vermeerderd met f 699.34 voor meerdere afschrijving op gebouwen; dat de Raad niet aannemelijk gemaakt acht, dat de posten, tezamen vormende het totaal bedrag van f 3490.03 voor 1915 oorlogsverlies zijn; "dat echter de post van f 699.34 voor meerdere afschrijving op verbouwing ad 16% der kosten dier verbouwing naar 's Raads oordeel toelaatbaar is, aangezien het billijk voorkomt, dat de kosten van verbouwing van appellante's magazijn in den tijd van ongeveer zes jaren worden afgeschreven";

dat de post van f 792- te geringe afschrijving over 1916 - bij de behandeling van het beroep teruggebracht tot f 553.65, kan worden aanvaard en dus het inkomen over dat jaar bij aangifte gesteld op f 18472.90 met die som van f 553.65 kan worden verminderd en moet worden bepaald op f 17919.15;

dat de Raad dan komt tot de volgende becijfering:

Het inkomen over 1916 bedraagt

f 17919.25

Het gemiddelde over de vergelijkingsjaren

-- 9657.20

zoodat de meerwinst bedraagt

f 8262.05

Transport

f. 8262.05

in mindering waarvan kan worden gebracht het oorlogsverlies over 1914 en 1915, bestaande uit:

1° derving bruto winst 1914.

f. 2857.27

2° meerder afschrijving verbouwing 1915

f 699.34

f. 3556.61

af koerswinst

1620.455

1936.155

zoodat de oorlogswinst over 1916 is:

f 6235.895

dat de Raad nog heeft overwogen, dat de belanghebbende door den aanslag naar een bedrag van f 4100- dus allerminst is bezwaard en de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd;

dat vervolgens, wijl gebleken was, dat bij de aanslagsregeling een geringer belastbare vermeerdering van inkomen was aangenomen, dan inderdaad aanwezig was geweest en dientengevolge een te lage aanslag was opgelegd, de te weinig geheven belasting tot een bedrag van f 1380-, waarin begrepen een bedrag van f 690- wegens verhooging volgens artikel 57 der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 van de belanghebbende is nagevorderd, tegen welken navorderingsaanslag zij wederom bij den Raad van Beroep is opgekomen, daartegen verschillende bezwaren aanvoerende, waarvan thans nog deze van belang zijn:

1º dat de Raad bij de vaststelling der oorlogswinst op f 6325.895 de koerswinst van f 1620.455 heeft gecompenseerd met de oorlogsverliezen van 1914 en 1915 tezamen, in stede van, gelijk artikel 92 der Wet vordert, de vermindering van elk jaar afzonderlijk te beschouwen;

2º dat de koerswinst ad f 1620.455, deel uitmakende van de totale winst van 1915 die winst hetzelfde bedrag hooger heeft gemaakt, dan zonder de koerswinst het geval zoude zijn geweest en dat, waar dientengevolge de winstvermindering in dat jaar met gelijk bedrag werd gedrukt, de koerswinst niet nogmaals van het voor compensatie in aanmerking te brengen oorlogsverlies mocht worden afgetrokken;

dat de Raad, bij uitspraak van 2 Februari 1920 heeft overwogen "dat de Raad geenszins overtuigd is, dat zijne berekening onjuist is geweest en op de gronden in zijne in kracht van gewijsde zijnde uitspraak van 17 Februari 1919 vervat en zich daaraan refereerende van oordeel is, dat er voor revisie van die uitspraak - gesteld dat dit mogelijk ware - geene termen zijn" en op dien grond, met beslissing, dat de bij artikel 57 der Wet bedoelde verhooging niet verschuldigd is, den aanslag wegens navordering ad f 690- heeft gehandhaafd;

dat na beroep in cassatie de Hooge Raad die uitspraak heeft vernietigd en de zaak naar den Raad van Beroep heeft teruggewezen ten einde haar met inachtneming van 's Hoogen Raads arrest opnieuw te behandelen en te beslissen, zulks uit overweging: "dat, waar 's Raads eerste uitspraak den oorspronkelijken aanslag in de Oorlogswinstbelasting over 1916 betrof, terwijl de onderwerpelijke beslissing loopt over een anderen aanslag, den wegens nieuwe feiten opgelegden en met nieuwe grieven en bezweringen bij den Raad bestreden aanslag tot navordering van genoemde belasting over voormeld jaar, de Raad van Beroep zijne beslissing te dezen aanzien heeft doen steunen op eene in een andere zaak door hem gewezen uitspraak, zonder dat die laatste uitspraak en hare gronden in de bestreden beslissing zijn opgenomen of op authentieke wijze onder verwijzing daarnaar zijn medegedeeld;

dat ingevolge die verwijzing door den Raad op 27 September 1920 is gegeven de thans bestreden uitspraak, waarin onder opneming van het arrest van den Hoogen Raad, de vorige uitspraak letterlijk wordt herhaald, vervolgens de uitspraak van 17 Februari 1919, waarnaar bij die van 2 Februari 1920 was verwezen, in haar geheel wordt ingelascht, waarna de Raad overweegt: "dat de Raad op de gronden en motieven in zijne boven opgenomen uitspraak van 2 Februari 1920, aangevuld in dier voege, dat boven eveneens opgenomen uitspraak op 17 Februari 1919 gewezen, daarin thans wordt geacht te zijn woordelijk herhaald en geinsereerd, tot de overtuiging is gekomen, dat voorschreven uitspraak op 2 Februari 1920 gewezen, aldus aangevuld, juist is" en ten slotte den aanslag wegens navordering ad f 690- handhaaft met bepaling, dat de bij artikel 57 1ª lid der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 bedoelde verhooging niet verschuldigd is;

Overwegende, dat tegen deze uitspraak wordt opgekomen met de navolgende twee middelen:

I Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 54, 59 en 92 der "Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916" en artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564) doordien de Raad van Beroep, onder overneming van de gronden in zijne in kracht van gewijsde zijnde uitspraak van 17 Februari 1919 Nº 653, de vermindering van inkomen en het oorlogsverlies over elk der jaren 1914 en 1915 niet afzonderlijk heeft vastgesteld;

II Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 7, 10 en 92 der "Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916" en artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad nº 564) doordien de Raad van Beroep bij de berekening van het oorlogsverlies een bedrag, waarmee de totale "vermindering van inkomen" over 1915 reeds was gedrukt, nog eens in mindering heeft gebracht van de som, bereids als oorlogsverlies over 1914 en 1915 erkend;

Overwegende omtrent deze middelen en ambtshalve:

dat in de thans bestreden uitspraak niet is voldaan aan de opdracht bij het arrest van verwijzing door den Hoogen Raad gegeven;

dat toch de Hooge Raad de schending van artikel 16 der Wet van 19 December 1914, Staatsblad nº 564, niet alleen zag in de verwijzing door den Raad van Beroep naar de gronden eener vroegere uitspraak, die als niet deel uitmakend van de stukken van het geding, den Hoogen Raad niet bekend was, maar ook in de omstandigheid, dat de Raad gemeend had ten aanzien van den wegens nieuwe feiten opgelegden en met nieuwe grieven en beweringen bestreden navorderingsaanslag te kunnen volstaan met te herinneren aan hetgeen in de overwegingen eener beslissing in zake den oorspronkelijken aanslag als juist was aangenomen "welke overweging immers den Raad, zoo hij door het nader aangevoerde tot ander inzicht zou zijn gekomen, geenszins verbood, bij zijn uitspraak omtrent den navorderingsaanslag van de vroeger aangenomen meening af te wijken;

dat de Raad door in de bestreden uitspraak alleen de gronden over te nemen van een vroegere uitspraak, gegevens alvorens hij van het beroepschrift, waarom het thans ging, kennis had genomen, zich andermaal op het verkeerde standpunt heeft gesteld, als zoude hij de grieven, in dit geding aangevoerd, niet hebben te onderzoeken en daaromtrent niet een uitdrukkelijke, met redenen omkleede beslissing hebben te geven;

dat bijaldien hij zich niet op dat onjuiste standpunt had geplaatst en de bedenkingen van de belanghebbende - dezelfde, die zij thans in cassatie aanvoert - had onderzocht, de Raad tot de overtuiging had moeten komen, dat die bedenkingen inderdaad juist waren;

dat toch vooreerst terecht was aangevoerd, dat artikel 92 der Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 voorschrijft het oorlogsverlies van elk oorlogsjaar afzonderlijk te beschouwen en - al ware het slechts met het oog op het bepaalde in het laatste lid van dit artikel - een dooreenmengen en samentellen van de resultaten van verschillende jaren niet toelaat;

dat evenzeer met juistheid was betoogd, dat de Raad door de wijze, waarop hij bij zijn becijfering met de in 1915 gemaakte koerswinst te werk is gegaan, dit voordeel, dat reeds geleid had tot een hoogere totale winst in 1915 en dus tot een kleinere winstvermindering vergeleken bij de vergelijkingsjaren, ten onrechte tweemaal in het nadeel van de belanghebbende doet strekken;

dat dus de beide middelen van cassatie zijn gegrond en de bestreden uitspraak niet kan worden in stand gehouden;

dat echter de Hooge Raad ten deze niet ten principale recht kan doen, vermits in de bestreden uitspraak de daarvoor benoodigde bouwstoffen niet, althans niet volledig, te vinden zijn;

dat toch niet wel duidelijk is wat de aard is van de post ad f 699.34 voor meerdere afschrijving op gebouwen;

dat bovendien in de uitspraak ontbreekt, wat onmisbare grondslag is voor iederen aanslag in de Oorlogswinstbelasting, de vaststelling van het zuiver inkomen van alle betrokken jaren;

dat immers, alvorens de vraag ter sprake kan worden gebracht of een zekere vermeerdering of vermindering van inkomen al of niet een onmiddellijk of middellijk gevolg van den oorlogstoestand is, eerst moet worden vastgesteld of die vermeerdering of vermindering van inkomen inderdaad aanwezig is, hetgeen geschieden moet door vergelijking van het inkomen der verschillende jaren;

dat nu in de aangevallen uitspraak niet wordt medegedeeld hoe groot het zuiver inkomen van de belanghebbende is geweest in de jaren 1914 en 1915, zoodat die uitspraak ook te dien aanzien niet naar den eisch van artikel 16 der Wet van 19 December 1914, Staatsblad nº 564, met redenen is omkleed;

Vernietigt de uitspraak door den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te Rotterdam op 27 September 1920 in deze zaak gegeven;

Verwijst het geding naar dien Raad ter verdere behandeling en beslissing der zaak met inachtneming van dit arrest.

Gedaan bij de Heeren Mrs. Fentener van Vlissingen, waarnemend President, Segers, Hesse, Savelberg en Kosters, Raden, in bijzijn van den Griffier Jhr. Mr. Van Panhuys, en door den waarnemend President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den twee en twintigsten Juni 1900 Een en Twintig.