Belastingrecht

Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht

Zaakgegevens

Op 2 maart 1949 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 maart 1949
Datum publicatie
19 mei 2025
Zaaknummer
10129
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1949:260
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Uitspraak

No.10129.

DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ,

Gezien het beroepschrift in cassatie van de naamloze vennootschap [X] "[X]" te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Roermond van 29 April 1948 in zake den haar opgelegden aanslag in de ondernemingsbelasting, belastingjaar 1942;

Gezien de stukken;

Overwegende dat belanghebbende zich na vruchteloze reclame bij beroepschrift gedateerd 25 Maart 1944 heeft gewend tot den Raad van Beroep, doch deze den aanslag heeft gehandhaafd na, voorzover voor de behandeling van na te melden middel van cassatie van belang, te hebben overwogen:

"dat appellante bij de mondelinge behandeling der zaak nog naar voren heeft gebracht, dat de Inspecteur alleen die zaken als onroerend heeft beschouwd, welke aan grondbelasting zijn onderworpen, terwijl verschillende door appellante opgesomde goederen ingevolge de Mijnwet als door bestemming onroerend zijn aan te merken; dat appellante dit bezwaar niet in het beroepschrift heeft gesteld en de Raad dit nieuwe

geschilpunt thans niet in behandeling kan nemen;"

Overwegende dat belanghebbende in cassatie stelt dat de Raad van Beroep, door aldus te overwegen, artikel 16 van de wet van 19 December 1914, Staatsblad no.564, heeft geschonden of verkeerd toegepast, waarbij zij er op wijst dat de Hoge Raad bij arrest van 29 Maart 1944 heeft beslist dat onder onroerende zaken als bedoeld in de artikelen 9 en 11 van het Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942 mede zijn begrepen de zaken onroerend door bestemming;

Overwegende dienaangaande, dat de omstandigheid dat de belanghebbende een bezwaar, dat een feitelijk element bevat, niet in het beroepschrift doch eerst bij de mondelinge behandeling der zaak naar voren heeft gebracht, den Raad van Beroep niet mag weerhouden het in behandeling te nemen, tenzij het redelijkerwijs ook reeds bij het beroepschrift had kunnen zijn aangevoerd, en bovendien behandeling ervan den Inspecteur in ernstige mate in de verdediging van den aanslag zou belemmeren;

Overwegende dat het middel dus terecht is voorgesteld ;

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst het geding naar den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Roermond ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering met inachtneming van dit arrest.

Gedaan bij de Heren van den Dries, Vice-President, Sinninghe Damsté, Dubois, Boltjes en de Jong, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den Tweeden Maart 1900 Negen en Veertig, in tegenwoordigheid van den Griffier Somer.