Belastingrecht
Conclusie PG Dertien zaken(1) waarin ik heden concludeer, zien alle op de baatbelasting. Met betrekking tot…
ECLI:NL:HR:2007:AZ0389 · Hoge Raad · 4 mei 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2007-az0389
Zaakgegevens
Op 4 mei 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 mei 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 42465
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:AZ0389
Samenvatting
Conclusie PG
Dertien zaken(1) waarin ik heden concludeer, zien alle op de baatbelasting. Met betrekking tot deze belasting, in het bijzonder ten aanzien van de begrippen 'voorziening' en 'baat', is een bijlage opgesteld, die onderdeel uitmaakt van deze conclusie(s).
De gemeente Breda is in 1994 gestart met de herinrichting van haar binnenstad. Een groot deel van de kosten van de herinrichting heeft zij door middel van de heffing van baatbelasting verhaald.
Belanghebbende had met zijn bezwaar tegen de aanslag en zijn beroep bij Hof 's-Hertogenbosch geen succes. De Hoge Raad casseerde die uitspraak echter en verwees de zaak naar Hof 's-Gravenhage.
Dat Hof heeft geoordeeld dat door de herinrichting het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied vergeleken met de oude situatie niet wezenlijk is veranderd.
Conclusie:
In de bijlage bij deze conclusie(s) is een 'model' uitgewerkt ter beantwoording van de vraag hoe de heffing van baatbelasting verloopt indien sprake is van 'herinrichting'.
De herinrichting vormt een voorziening (en niet (groot) onderhoud) in de zin der wet, indien het geheel van de voorzieningen in het betreffende gebied wezenlijk is veranderd. Van een wezenlijke verandering kan alleen sprake zijn indien deze leidt tot een wijziging naar inrichting, aard of omvang in vergelijking met de oorspronkelijke toestand van die voorzieningen (of de laatste herinrichting).
Ook als een herinrichting een voorziening in deze zin vormt, kunnen daarin onderdelen (zaken) voorkomen ten aanzien waarvan louter sprake is van onderhoud. Die onderdelen maken geen deel uit van de voorziening en moeten derhalve worden afgesplitst.
De vraag of door de onderhavige herinrichting het geheel van de voorzieningen in het heringerichte gebied vergeleken met de oude situatie, de toestand waarin het zich bij de laatste herinrichting bevond, wezenlijk veranderd is, waardoor het naar inrichting, aard of omvang is gewijzigd, heeft het Hof in negatieve zin beantwoord.
Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof - anders dan in het middel wordt betoogd - het toetsingskader van het verwijzingsarrest niet miskend.
Dat oordeel is overigens van feitelijke aard, en niet onbegrijpelijk.
Conclusie: het beroep is ongegrond.
1 Met de nrs. 42.457, 42.458, 42.459, 42.460, 42.461, 42.462, 42.463, 42.464, 42.465, 42.721, 42.722, 42.758 en 42.759.
Procesgang
Hoge Raad · 4 mei 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:AZ0389
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 mei 2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ0389
Uitspraak
Uitspraak wordt niet gepubliceerd.