Belastingrecht

Conclusie PG: Centraal in deze zaak staat de heffing van omzetbelasting ter zake van de invoer van een…

Hoge Raad, 23 oktober 2012

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 oktober 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 11/03207
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY3227
E-mail

Samenvatting

Conclusie PG:

Centraal in deze zaak staat de heffing van omzetbelasting ter zake van de invoer van een motorjacht (verder: het jacht) door belanghebbende. Het jacht is door belanghebbende gehuurd van een Arubaanse vennootschap, die het op haar beurt heeft gehuurd van de juridische eigenaar, een op Guernsey gevestigde vennootschap. Belanghebbende verhuurt het jacht aan de natuurlijk persoon die de enige aandeelhouder is van de juridische eigenaar. Het jacht is gebouwd op een Nederlandse werf en is in internationale wateren (zonder btw) overgedragen aan de juridische eigenaar. Op 15 december 2003 heeft belanghebbende het jacht aangegeven voor het vrije verkeer. Zij heeft met toepassing van de zogenoemde verleggingsregeling van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) de ter zake verschuldigde omzetbelasting op aangifte voldaan én in aftrek gebracht.

Omdat hij van mening was dat belanghebbende bij de invoer ten onrechte vorenbedoelde verleggingsregeling heeft toegepast, heeft de Inspecteur op de voet van artikel 22 van de Wet een uitnodiging tot betaling van omzetbelasting aan belanghebbende uitgereikt. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam hebben de Inspecteur hierin gevolgd. Belanghebbende komt met vier middelen op tegen het oordeel van het Hof.

Vooraf merkt A-G Van Hilten op dat de foutieve vermelding op de uitnodiging tot betaling van een tijdvak, dat aanvangt een jaar na de invoer van het jacht (het jacht is op 15 december 2003 ingevoerd, de uitnodiging tot betaling vermeldt 15 december 2004) berust op een duidelijke vergissing die ook voor belanghebbende onmiddellijk kenbaar moet zijn geweest. Terecht heeft het Hof dan ook geen consequenties verbonden aan de onjuiste vermelding op de uitnodiging tot betaling.

Belanghebbendes stelling dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar voor de Rechtbank ingetrokken beroep op schending van het verdedigingsbeginsel niet wederom kon inbrengen, wordt door de A-G niet gevolgd. Het Hof heeft volgens A-G Van Hilten met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat kan worden teruggekomen op het eerdere ondubbelzinnige prijsgeven van het beroep op schending van het verdedigingsbeginsel. Het eerste middel faalt derhalve. Dit betekent dat aan het tweede middel - met betrekking tot het ten overvloede door het Hof gegeven oordeel dat niet aannemelijk is dat het verdedigingsbeginsel is geschonden - niet wordt toegekomen.

Ten aanzien van het derde middel dat de heffing van omzetbelasting bij invoer betreft merkt A-G Van Hilten op dat in Nederland de aanwijzing van de belastingschuldige bij invoer is geregeld in de artikelen 22 en 23 van de Wet. Het bepaalde in artikel 22 vormt daarbij de 'lex generalis'. De schuldenaar is de aangever. Voor toepassing van artikel 23 van de Wet (waarbij de ter zake van invoer verschuldigde omzetbelasting op de binnenlandse aangifte wordt voldaan) is onder andere vereist dat het gaat om de invoer van goederen die voor de (aangewezen) ondernemer 'bestemd zijn'. Uit zijn rechtspraak van de Hoge Raad af dat de term 'bestemd voor' in artikel 23 van de Wet moet worden uitgelegd als 'zijn van'.

Er van uitgaande dat de 'eigenaarsmacht' in beginsel slechts bij één persoon berust, is er volgens A-G Van Hilten maar één die met toepassing van artikel 23 omzetbelasting bij invoer kan voldoen: de ondernemer die 'eigenaarsmacht-houder' is. Dat is in deze zaak niet belanghebbende. Geconstateerd moet derhalve worden dat belanghebbende ten onrechte de verleggingsregeling heeft toegepast en terecht op de voet van artikel 22 van de Wet is aangesproken ter zake van de belasting bij invoer.

A-G Van Hilten concludeert dat ook het derde middel faalt.

In haar vierde cassatiemiddel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat bij haar geen rechte te beschermen vertrouwen is gewekt. Ook dit middel treft geen doel. Wat er ook zij van het boekenonderzoek uit 1998 en het daarvan opgemaakte rapport, het komt A-G Van Hilten voor dat een (eventueel) daaraan ontleend beschermenswaardig vertrouwen bij belanghebbende is weggenomen door de contacten met een ambtenaar in 2002, die uitdrukkelijk duidelijk maakte 'de constructie' om zeep te willen helpen. Het oordeel van het Hof in deze zin acht de A-G begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 9 juni 2011

    ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8496
  2. Hoge Raad · 23 oktober 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2012:BY3227

  3. Conclusie A-G · 23 oktober 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BY3227
  4. Hoge Raad · 4 oktober 2013

    ECLI:NL:HR:2013:781

    Conclusie contrair · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt