Belastingrecht

Conclusie PG: Dividendbelasting voor niet-inwoners; vrijheid van kapitaalverkeer; box 3 en buitenlandse…

Hoge Raad, 7 februari 2013

Zaakgegevens

Op 7 februari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 februari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/02502
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ0176
E-mail

Samenvatting

Conclusie PG:

Dividendbelasting voor niet-inwoners; vrijheid van kapitaalverkeer; box 3 en buitenlandse belastingplicht; rechtsingang

Feiten: De belanghebbende woonde in 2007 in België en belegde in drie Nederlandse beursvennootschappen. Het gemiddelde van de waarden van deze aandelen op 1 januari respectievelijk 31 december 2007 was € 169.146. In 2007 zijn op de aandelen dividenden uitgekeerd ad in totaal € 4.852, waarop € 729 dividendbelasting is ingehouden. De belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting (IB) 2007 gedaan naar een verzamelinkomen ad nihil zonder verrekening van dividendbelasting. Na de vaststelling van de aanslag IB 2007 conform aangifte heeft hij bezwaar gemaakt en teruggave van dividendbelasting gevraagd ad € 438. Dit bedrag is het resultaat van toerekening van de genoemde € 729 deels aan het dividend en deels aan de waardeaanwas van de aandelen, zulks op basis van een pro rata verdeling van de 'fictieve box 3 belasting' over het dividend en die vermogensaanwas. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar afgewezen.

In geschil is of de belanghebbende de juiste rechtsingang heeft gekozen en of hij recht heeft op verrekening of teruggave van de ingehouden dividendbelasting op grond van het vrije kapitaalverkeer ex art. 63 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).

De Rechtbank Breda heeft geoordeeld dat de belanghebbende de juiste rechtsingang heeft gekozen, maar dat de niet-teruggave van de dividendbelasting niet in strijd is met het VwEU.

A-G Wattel wijst voor wat betreft de rechtsingang op het recente arrest HR V-N 2012/51.9 waarin de Hoge Raad oordeelde dat niet-inwoners procedureel niet minder mogelijkheden mogen hebben om hun EU-rechten te doen gelden dan inwoners hebben om vergelijkbare op nationaal recht gebaseerde rechten te doen gelden. Nu de belanghebbende zich zowel binnen drie jaar als binnen vijf jaar (zie art. 9.4(1)(b) wet IB 2001 juncto art. 45 Uitv. Reg. IB 2001) na het jaar van de dividenduitkeringen tot de Inspecteur heeft gewend met een teruggaafverzoek in een aangifte inkomstenbelasting 2007, was zijn verzoek ontvankelijk.

Dan rijst de vraag met welke interne configuratie belanghebbendes geval vergeleken moet worden voor de beoordeling of de Nederlandse bronheffing het EU-vrije kapitaalverkeer belemmert. Anders dan de fiscus, die de beschouwing wil beperken tot de dividendbelasting, meent de A-G dat de belanghebbende vergeleken moet worden met ingezetenen die uiteindelijk, met verrekening van te hunnen laste ingehouden dividendbelasting, in box 3 van de Wet IB 2001 belast worden. Uit het arrest HvJ EU Truck Center volgt geenszins dat de uiteindelijke (per-saldo-)heffing voor niet-ingezetenen hoger zou mogen zijn dan de gecombineerde dividend- en inkomstenbelastingdruk ten laste van ingezetenen voor hetzelfde inkomen. Uit vaste jurisprudentie van het HvJ EU volgt dat in de eindheffing vallende inwoners en alleen onder de bronheffing vallende niet-inwoners wel degelijk objectief vergelijkbaar zijn, zodat de beoordeling niet beperkt kan worden tot de dividendbelasting.

Maar ook belanghebbendes opvatting - dat de box 3-heffing die een inwoner zou betalen rekenkundig - en per aandeel - moet worden verdeeld over de werkelijke dividendinkomsten en de vermogensaanwas - acht de A-G onjuist. De niet-ingezetene die voor zijn Nederlandse beleggingsinkomsten als ingezetene belast wil worden, zal zich aan de (gehele) box 3 heffing moeten onderwerpen, en niet slechts aan een hem conveniërend zelfgekozen onderdeel daarvan. Een niet-ingezetene kan kiezen voor niet-inwonerbehandeling (de dividendbelasting) of, op basis van rechtstreeks werkend VwEU-recht, voor inwonerbehandeling (de fictieve-rendementsheffing van box 3), maar niet voor iets dat niet bestaat (een arbitrair gehalveerde box 3 heffing), te meer niet nu dat inwoners nog verder zou discrimineren, die immers al niet naar believen kunnen kiezen tussen de dividendbelasting en box 3. Nu de belanghebbende uitdrukkelijk niet stelt dat hij aanspraak maakt op heffingsvrij vermogen of aftrek van financieringsschulden c.q. -lasten en weigert zijn overige vermogen in de beschouwingen te doen betrekken, heeft de Rechtbank terecht de dividendbelastingdruk bij de belanghebbende vergeleken met de box-3-druk ten laste van ingezetenen die voor een vergelijkbaar aandelenbezit zonder heffingsvrij vermogen of schuldenaftrek worden aangeslagen volgens de fictie dat zij 4% rendement behalen op de gemiddelde waarde van die aandelen.

Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 7 februari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ0176

  2. Conclusie A-G · 7 februari 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ0176
  3. Hoge Raad · 20 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1779

    Conclusie contrair

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt