Belastingrecht

Conclusie PG: In deze zaak staat centraal de exploitatie van een nachtclub/relaxhuis, waarbij drie…

Hoge Raad, 9 april 2013

Zaakgegevens

Op 9 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 april 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02808
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA0269
E-mail

Samenvatting

Conclusie PG:

In deze zaak staat centraal de exploitatie van een nachtclub/relaxhuis, waarbij drie (rechts)personen waren betrokken: een BV, een stichting en een maatschap. De BV beschikt over de benodigde vergunningen, de 'bedrijfsfaciliteiten' en beeldmerken. De maatschap is een niet openbare maatschap van prostituees voor de gezamenlijke exploitatie van een relaxbedrijf in samenwerking met de BV. De stichting stelt zich volgens haar statuten mede ten doel het vertegenwoordigen van de maatschap naar buiten. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de stichting en de maatschap vereenzelvigd moeten worden. De BV, de stichting en de maatschap hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten.

Het gaat er in de onderhavige zaak om of de drie betrokken (rechts)personen tezamen als één 'ieder' in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet kunnen worden aangemerkt (hierna ook wel: entiteit). De vraag is of de stichting en de maatschap tezamen met de BV één ieder vormt, dan wel of de stichting samen met de maatschap afzonderlijk moet worden bezien van de BV.

Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de A-G worden uitgegaan van de aan het verhandelde ter zitting ontleende vaststelling dat de drie (rechts)personen in gezamenlijkheid bepaalden hoe het bedrijf werd geëxploiteerd. De klacht van belanghebbende met betrekking tot de vastlegging hiervan in het proces-verbaal kan niet tot cassatie leiden.

Het begrip 'ieder', dat in de Zesde richtlijn en de Wet wordt gebruikt bij de omschrijving van respectievelijk belastingplichtige en ondernemer, omvat, naar A-G Van Hilten afleidt uit de jurisprudentie - niet alleen 'enkelvoudige' (rechts)personen, maar ook combinaties van personen.

Bij het voorgaande zij opgemerkt dat de combinaties van personen in de rechtspraak van het HvJ telkens 'officiële' personenvennootschappen zijn. Het lijkt A-G Van Hilten dat de vraag of het begrip 'ieder' zich uitstrekt tot samenwerkingsverbanden/combinaties die niet te boek staan als 'juridisch' samenwerkingsverband, maar feitelijk wel als zodanig optreden in beginsel bevestigend moet worden beantwoord. Uit de jurisprudentie van het HvJ vloeit voort dat de nationale civielrechtelijke jas die wordt gedragen voor de omzetbelasting niet doorslaggevend is. Het feitelijke optreden van de betrokkene(n) moet volgens A-G Van Hilten de doorslag geven.

De Hoge Raad lijkt, in navolging van de Tariefcommissie, als criterium voor het zijn van één ieder de 'maatschappelijke zelfstandigheid' van de entiteit te hanteren. Met dit criterium is echter nog geen concrete invulling gegeven aan het begrip 'ieder'. Uit latere jurisprudentie van de Hoge Raad leidt A-G Van Hilten af dat het vooral (ook) gaat om het als 'één entiteit' jegens derden optreden/presteren.

Het gezamenlijk lopen van risico is volgens A-G Van Hilten geen conditio sine qua non voor het samen zijn van één ieder. Dat laat onverlet dat moeilijk voorstelbaar is dat een combinatie als entiteit jegens derden optreedt, zonder dat er omtrent de 'division of the spoils' afspraken zijn gemaakt (zelfs als de participanten niet gelijkelijk in de inkomsten delen).

Anders dan bij een fiscale eenheid, waarvan de onderdelen als het ware met elkaar versmelten tot één eenheid, blijven de participanten van een 'ieder' in principe ook afzonderlijk zichtbaar, ook als ze jegens de entiteit presteren. De omstandigheid dat een van de participanten van een combinatie presteert aan andere onderdelen zegt derhalve op zich weinig over hun verhouding.

Alles recapitulerend lijkt A-G Van Hilten doorslaggevend voor het als één ieder (entiteit) aanmerken van een samenwerkingsverband, de wijze waarop jegens derden wordt opgetreden. Wie presteert? Op wiens naam wordt gefactureerd jegens derden? Met wie denken de afnemers van doen te hebben? Dat is een tamelijk feitelijke aangelegenheid.

Hoewel het een en ander bekend is over de drie (rechts)personen die bij de exploitatie van het relaxbedrijf zijn betrokken en hun onderlinge verhoudingen, blijft de wijze waarop jegens derden werd opgetreden in deze zaak een beetje schimmig.

Niet is duidelijk of de klanten die de relaxclub bezochten zich realiseerden wie er achter zat, noch bij wie zij zich met klachten - over de gastvrouwen, over de rekening, over de (spijzen en) dranken - konden melden. Evenmin is duidelijk of de klant een relatie - in de zin van 'rechtsbetrekking' - aanging met een specifieke gastvrouw. De (eventueel afzonderlijke) verhouding tot de prostituees lijkt de A-G in het licht van de arresten HR BNB 2012/61 en HR BNB 2012/186 toch wel van belang. Zo'n afzonderlijke rechtsbetrekking met een gastvrouw (dan wel de stichting en maatschap) lijkt A-G Van Hilten op het eerste gezicht niet te duiden op het bestaan van een entiteit met de BV. Het Hof heeft zich hierover niet uitgelaten, maar heeft van belang geacht dat de klant één bedrag betaalde aan een vertegenwoordiger van het prostitutiebedrijf om te worden toegelaten tot de club. Met dat laatste is op zichzelf volgens de A-G nog niet gezegd dat de toegelatenen daarnaast geen rechtsbetrekking konden aangaan met een lid van de maatschap.

A-G Van Hilten komt tot de slotsom dat het Hof, met name door niet in zijn oordeel te betrekken de ter zitting op zijn minst gesuggereerde afzonderlijke (rechts)verhouding tussen de klant en de prostituee, in welke verhouding de dames tegen vergoeding jegens de klant presteerden, zijn oordeel dat de (rechts)personen gedrieën als entiteit optraden bij de exploitatie van de relaxclub niet voldoende met redenen heeft omkleed. De hier bedoelde (gesuggereerde) afzonderlijke rechtsverhouding lijkt immers in de weg te staan aan het als één ieder optreden.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat de zaak dient te worden verwezen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 26 april 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5069
  2. Hoge Raad · 9 april 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA0269

  3. Conclusie A-G · 9 april 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA0269
  4. Hoge Raad · 11 april 2014

    ECLI:NL:HR:2014:838

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt