Belastingrecht

Conclusie PG: In onderhavige zaak gaat het om de vraag of de douane zich heeft vergist in de zin van artikel…

Zaakgegevens

Op 7 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 mei 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02517
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA1523
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

In onderhavige zaak gaat het om de vraag of de douane zich heeft vergist in de zin van artikel 220, lid 1, onder b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Belanghebbende, douane-expediteur, geeft al jaren zogenoemde "self inflatable matrassen" voor haar opdrachtgever aan voor het vrije verkeer. In cassatie is niet in geschil dat dit (in de meeste gevallen) geschiedde onder vermelding van een onjuiste tariefpostonderverdeling. Naar aanleiding van een controle achteraf bij de opdrachtgever over onderhavige periode heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de matrassen hadden moeten ingedeeld als kampeerartikelen en niet als matrassen van kunststof. Dat heeft geleid tot uitreiking van twee uitnodigingen tot betaling (hierna: utb's).

Met betrekking tot de vraag of sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, lid 1, onder b, van het CDW zijn drie aspecten van belang. Ten eerste heeft belanghebbende in 2002 een keer de correcte postonderverdeling gehanteerd, ter zake waarvan zij een verzoek om terugbetaling heeft ingediend (met een beroep op de onjuiste, gewoonlijk gehanteerde postonderverdeling), welk verzoek door de inspecteur is gehonoreerd. Ten tweede is over de periode 1 januari 2001 tot en met 30 april 2003 een controle uitgevoerd bij belanghebbendes opdrachtgever, welke niet heeft geresulteerd in correcties ten aanzien van de gehanteerde indeling. Ten derde zijn in de in geding zijnde periode bindende tariefinlichtingen (hierna: bti's) afgegeven waarin vergelijkbare matrassen als die welke belanghebbende voor het vrije verkeer aangaf, zijn ingedeeld onder dezelfde (onjuiste) tariefpostonderverdeling.

Rechtbank Haarlem oordeelde dat in casu sprake is van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) was de tegengestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende komt in cassatie met 1 middel op tegen het oordeel van het Hof.

A-G Van Hilten is in een gemeenschappelijke bijlage, behorend bij deze zaak en bij de zaak met rolnummer 12/05525, uitgebreid ingegaan op het begrip vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW.

Zij meent, anders dan het Hof, dat het ten onrechte 'rectificeren' van een achteraf bezien juiste aangifte, een vergissing kan vormen die gevolgen kan hebben voor de na deze vergissing ingediende aangifte(n). 's Hofs oordeel dat de terugbetalingsbeschikking geen vergissing vormt die doorwerkt naar de litigieuze aangiften, gaat uit van een te beperkte uitleg van het begrip 'vergissing' danwel - voor zover een klacht daarover moet worden gelezen in het cassatieberoep van belanghebbende - is onbegrijpelijk. De A-G deelt ook niet 's Hofs opvatting dat een vergissing tijdens een controle bij de importeur geen effect kan sorteren bij diens opdrachtnemer - de douane-expediteur - die de gecontroleerde aangiften heeft ingediend. In zoverre slaagt het cassatiemiddel.

A-G Van Hilten leest niet in de uitspraak van het Hof dat het Hof zou hebben geoordeeld dat alleen van een vergissing kan worden gesproken, indien de vergissing ziet op de specifieke aangifte in geding, zoals belanghebbende erin leest. De stelling dienaangaande van belanghebbende berust op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak en kan (reeds) daarom niet tot cassatie leiden. Dat geldt ook voor zover belanghebbende met haar beroep op de bti-database een beroep heeft willen doen op aan derden afgegeven bti's. Artikel 12 van het CDW en de rechtspraak van het Hof van Justitie staan eraan in de weg dat met succes op aan anderen afgegeven bindende tariefinlichtingen een beroep wordt gedaan.

De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot verwijzing van de zaak.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 5 april 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1501
  2. Hoge Raad · 7 mei 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:CA1523

  3. Conclusie A-G · 7 mei 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA1523
  4. Hoge Raad · 20 juni 2014

    ECLI:NL:HR:2014:1466

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt