Belastingrecht
Artikel 5.2 Wet IB 2001, artikel 25c AWR, HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:963 en HR 20 mei 2022…
ECLI:NL:HR:2022:876 · Hoge Raad · 17 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2022-876
Zaakgegevens
Op 17 juni 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 juni 2022
- Datum publicatie
- 16 juni 2022
- Zaaknummer
- 21/05122
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:876
Samenvatting
Artikel 5.2 Wet IB 2001, artikel 25c AWR, HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:963 en HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718, uitspraak inzake box 3-heffing die is gedaan voor de collectieve uitspraak op massaal bezwaar.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 4 september 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:6992Gerechtshof Amsterdam · 2 november 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:3292Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Hoge Raad · 17 juni 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:876
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05122
Datum 17 juni 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nr. 20/00596, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/5299) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de klachten
In de bestreden uitspraak is de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) voor het jaar 2017 beoordeeld.
Ten aanzien van de met die heffing gepaard gaande rechtsvraag inzake artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van dat Verdrag gold ten tijde van de bestreden uitspraak een aanwijzing als massaal bezwaar (artikel 25c AWR). In zijn beslissing van 2 juli 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat die aanwijzing als massaal bezwaar meebrengt dat de rechter in zaken die niet zijn geselecteerd als bedoeld in artikel 25c AWR geen oordeel mag geven over de in de aanwijzing als massaal bezwaar genoemde rechtsvraag. De rechter mag in die zaken dus alleen beoordelen of de box 3-heffing een individuele buitensporige last heeft meegebracht (hierna: het individuele bezwaar).
De Staatssecretaris van Financiën heeft op 4 februari 2022 uitspraak inzake het massaal bezwaar gedaan. In het arrest van 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad zijn beslissing van 2 juli 2021 in zoverre genuanceerd dat de feitenrechter die na de uitspraak op het massaal bezwaar over het individuele bezwaar moet beslissen, de gevolgen van die uitspraak in zijn beoordeling kan betrekken.
Ten aanzien van een voor 4 februari 2022 gedane uitspraak van de rechter blijft de in de beslissing van 2 juli 2021 genoemde beperking onverkort gelden. Voor zaken die niet zijn geselecteerd als bedoeld in artikel 25c AWR, zoals de zaak van belanghebbende, brengt dit mee dat in cassatie alleen het oordeel inzake het individuele bezwaar kan worden onderzocht. Bij de beoordeling van de individuele buitensporige last heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. Zijn oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
De klachten falen.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2022.