Belastingrecht

Artikel 8:60 Awb; aanbod getuigenbewijs. Het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2022:1449 is vervallen verklaard bij…

Zaakgegevens

Op 3 februari 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 februari 2023
Datum publicatie
2 februari 2023
Zaaknummer
21/05021
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:133
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 8:60 Awb; aanbod getuigenbewijs.

Het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2022:1449 is vervallen verklaard bij arrest van ECLI:NL:HR:2023:131

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 27 januari 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:728
  2. Gerechtshof Den Haag · 21 oktober 2021

    ECLI:NL:GHDHA:2021:2115

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 14 oktober 2022

    ECLI:NL:HR:2022:1449
  4. Hoge Raad · 3 februari 2023

    ECLI:NL:HR:2023:131
  5. Hoge Raad · 3 februari 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:133

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/05021

Datum 3 februari 2023

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2021, nr. BK-21/00114, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/6722) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Laghmouchi, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 afgeweken van de aangifte en heeft, voor zover in cassatie van belang, een bedrag van € 124.500 aan gebruikelijk loon in aanmerking genomen ter zake van werkzaamheden verricht voor diverse vennootschappen.

2.2

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.

2.3

Belanghebbende heeft in bezwaar en beroep verklaard geen werkzaamheden voor de in 2.1 bedoelde vennootschappen te hebben verricht. Bij hogerberoepschrift heeft belanghebbende op grond van artikel 8:60, lid 1, Awb, een bewijsaanbod gedaan om [A] te horen, aangezien die zou kunnen bevestigen dat belanghebbende geen werkzaamheden ten behoeve van de vennootschappen heeft verricht.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

Het tweede middel klaagt onder meer dat het Hof het hiervoor onder 2.3 gedane getuigenaanbod onbehandeld heeft gelaten.

3.2

Indien een dergelijk bewijsaanbod is gedaan, kan de rechter in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Uit de gedingstukken volgt dat aan belanghebbende een uitnodigingsbrief is verzonden die een zodanige mededeling bevat. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken van het geding niet van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen. Het middel faalt.

3.3

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.

ECLI:NL:GHDHA:2021:2115. Vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194, rechtsoverweging 3.3.4.