Belastingrecht
HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Hoge Raad, 23 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1738 · Hoge Raad · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1738
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00619
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1738
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1892Hoge Raad · 23 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1738
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00619
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 januari 2025, nrs. 23/555 tot en met 23/560, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/9270 tot en met BRE 20/9272 en BRE 23/1062 tot en met BRE 23/1064) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
Verenigbaarheid van de Nederlandse regeling inzake proceskostenvergoeding in het bestuursrecht met het Unierecht
Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het door de Inspecteur ingetrokken incidentele hoger beroep wordt gematigd op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Volgens het middel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het incidentele hoger beroep een ondergeschikt punt betreft in het geschil. Bovendien voldoet de proceskostenvergoeding volgens het middel niet aan de vereisten die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Middel II voert aan dat het Hof de proceskostenvergoeding ten onrechte heeft vastgesteld aan de hand van nationaalrechtelijke bepalingen. Volgens het middel vereist artikel 47 van het Handvest dat, in het geval van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht zoals zich hier volgens het middel heeft voorgedaan, een volledige vergoeding wordt toegekend van de schade die is geleden als gevolg van die schending.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat deze geschilpunten betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
Middel III klaagt over het oordeel van het Hof dat het bevoegd is het Unierecht uit te leggen en toe te passen en over het oordeel van het Hof dat het niet verplicht is om in deze zaak waarin vragen over de uitlegging van Unierecht aan de orde zijn, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
Middel IV is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Passende rentevergoeding bij teruggaaf van in strijd met Unierecht geheven belasting
Middel IV voert verder aan dat in het geval dat het recht op vergoeding van rente voortvloeit uit de vaststelling dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven, de inspecteur van rechtswege moet beslissen dat de belanghebbende recht heeft op rentevergoeding, niet alleen over het tijdvak zoals voorgeschreven in hoofdstuk VA AWR maar ook over het tijdvak zoals dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich voor deze rentevergoeding op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 moet wenden tot de ontvanger. Volgens het middel kan die vergoeding niet worden beperkt door nationale procedureregels.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1297, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.