Belastingrecht
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Diverse klachten over schending van Unierecht. Geen reden…
Hoge Raad, 23 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1740 · Hoge Raad · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1740
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00626
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1740
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Diverse klachten over schending van Unierecht. Geen reden voor stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 16 januari 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:78Hoge Raad · 23 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1740
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00626
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 januari 2025, nr. BK-23/511, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/6073) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
Stelplicht en bewijslast in geval aanspraak wordt gemaakt op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen
Middel I is gericht tegen het oordeel van het Hof dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Volgens het middel is die bewijslast(verdeling) in strijd met artikel 110 VWEU.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Eerbiediging van de rechten van de verdediging
Middel II bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd het – in cassatie niet bestreden – feit dat belanghebbende in de fase voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag naar behoren is uitgenodigd voor een gesprek, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Het middel steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden gehoord voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan niet eerder mag beslissen dan nadat de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren heeft gebracht. Het middel klaagt erover dat de Hoge Raad bij het arrest van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, deze opvatting heeft verworpen zonder het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of dat oordeel in overeenstemming is met het recht van de Unie.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1494, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verenigbaarheid van toepassing van de artikelen 19 en 20 AWR met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen
Middel III klaagt over het oordeel van het Hof dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat indien eenmaal het belastbare feit van registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht tweedehands motorvoertuig heeft plaatsgevonden, naheffing op de voet van artikel 20 AWR plaatsvindt.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Bevoegdheid van de nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
Middel IV klaagt over het oordeel van het Hof dat het bevoegd is het Unierecht uit te leggen en toe te passen en over het oordeel van het Hof dat het niet verplicht is om in deze zaak waarin vragen over de uitlegging van Unierecht aan de orde zijn, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, ook niet als belanghebbende daarom verzoekt.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
Middel V klaagt over het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.