Burgerlijk procesrecht
Cassatieprocesrecht. Niet-ontvankelijkheid. Cassatieberoep te laat ingesteld; art. 426 lid 1 Rv…
Hoge Raad, 14 juni 2019
ECLI:NL:HR:2019:936 · Hoge Raad · 14 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2019-936
Zaakgegevens
Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juni 2019
- Datum publicatie
- 13 juni 2019
- Zaaknummer
- 19/01226
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:936
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Cassatieprocesrecht. Niet-ontvankelijkheid. Cassatieberoep te laat ingesteld; art. 426 lid 1 Rv. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad; art. 426a lid 1 Rv.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:9605Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 april 2019
ECLI:NL:PHR:2019:634Hoge Raad · 14 juni 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:936
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/01226
Datum 14 juni 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop in cassatie
De man heeft tegen de beschikking in de zaak 200.232.061/01 van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 1 november 2018 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Ingevolge art. 426 lid 1 Rv kon tegen de onder 1 vermelde beschikking beroep in cassatie worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De cassatietermijn verstreek in het onderhavige geval op 1 februari 2019. Het verzoekschrift is op 4 februari 2019 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, zodat het cassatieberoep te laat is ingesteld. De man zal daarom in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het op 4 februari 2019 ingekomen verzoekschrift is ingediend door de man zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is niet tijdig hersteld.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 juni 2019.